about
Toon menu

Een geschiedenis van Zuid- en Zuidelijk Afrika sinds 1800 (2)

dinsdag 10 december 2013
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.


Gegroet vrienden!

In een tweede bijdrage over de geschiedenis van Zuid- en Zuidelijk Afrika zal ik verder vertellen over de periode ca. 1800 tot ca. 1870. Eerst en vooral wil ik nog iets zeggen over een laatste Afrikaans volk: de Ndebele. Daarnaast zou ik het nog willen hebben over de Britten.

Hoofdstuk 1: Mzilikazi en de stichting van het Ndebele koninkrijk

Op het hoogveld achter de Drakensberg werd slechts één grote Nguni staat gesticht: het koninkrijk van de Ndebele. De Ndebele stamden af van de Khumalo, de voormalige bondgenoten van de Ndwandwe. Na de nederlaag van deze laatsten tegen de Zulu van Shaka, kwamen de Khumalo onder het nominale gezag van de Zulu staat. Dat zag de koning van de Khumalo, Mzilikazi, echter niet zitten. In 1822 leidde hij de bloem van zijn leger over de Drakensberg naar het hoogveld. Hier overvielen zij verscheidene Sotho volkeren, alvorens zich te settlen in de vallei van de Marico-rivier in de jaren 1830. De Sotho noemden de Khumalo 'Matabele'. Deze naam namen de Khumalo ook voor zichzelf over als 'Amandebele' of 'Ndebele'.

Mzilikazi (regeert: ca. 1820-1868) wist een machtig gecentraliseerd koninkrijk op te bouwen. Hij gebruikte hiervoor een combinatie van militaire regimenten en vechtmethodes in Zulu stijl en de overname van grote groepen Sotho-Tswana mannen en vrouwen. Hij liet regimentsdorpen oprichten om de orde in de koninklijke districten te bewaren. Van hieruit werden ook belastingen geïnd en werden de koninklijke kuddes bewaakt. Onafhankelijke buurstaten moesten eveneens tribuut betalen. Deden ze dat niet, dan kregen ze af te rekenen met vernietigende Ndebele raids. De kern van het Ndebele koninkrijk was relatief rustig en vredig. Maar raids om tribuut af te dwingen reikten zo ver als de Tswana in het noorden en de zuidelijke Sotho ten zuiden van de Vaal-rivier.

In 1837 werden de Ndebele echter van het hoogveld verdreven. Zij werden dus op hun beurt slachtoffer van raids uit het zuiden. Sommige raids werden uitgevoerd door Zulu regimenten onder leiding van Dingane. Maar de meeste doorslag gaven uiteindelijk de overvallen door bereden en bewapende Griqua, Rolong en Boeren. In 1838-1840 trokken de Ndebele zich terug tot helemaal achter de Limpopo-rivier, in het huidige Zimbabwe. Daar versloegen zij de Shona Rozvi staat, die al eerder was verzwakt door vroegere Ngoni aanvallen. Mzilikazi slorpte in zijn nieuwe thuishaven onderworpen Shona op en herstelde daar zijn koninkrijk met eenzelfde politiek als eerder vertoond op het hoogveld bij de Sotho-Tswana.

Hoofdstuk 2: De Britten aan de Kaap

In 1795 greep de Britse regering de macht in de Kaapkolonie ten nadele van de 'Nederlandse' Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). In 1803 kwam het gebied eventjes terug onder Nederlands bestuur, maar al in 1806 namen de Britten het gebied opnieuw over, en deze keer voor lange tijd. De Britten hadden - zoals vroeger de VOC - een bevoorradingsbasis nodig voor schepen op weg naar India, evenals een marinebasis om die schepen tegen Europese rivalen te beschermen. De Britten ondernamen pogingen om de Kaap om te toveren tot een veilige en winstgevende kolonie. Om dit doel te bereiken, introduceerden zij een aantal sociale en economische innovaties in het gebied. Dit zeer tot ongenoegen van de Nederlands/Afrikaans-sprekende kolonisten in het gebied, de Boeren. Die zouden in de jaren 1830-1840 noordwaarts trekken.

Hoofdstuk 3: Economische expansie

In de beginjaren van de Britse overheersing leken de vooruitzichten goed voor de Boeren. Bij wijnboeren van West-Kaap hadden nu een meer vrije toegang tot de Britse (wereld)markt. Het grote Britse garnizoen in Kaapstad en het groeiende aantal Britse schepen dat daar aanmeerde, betekenden een uitgebreide markt voor lokale graanverbouwers en voor trekboeren die herders waren in het binnenland. Er deed zich een uitbreiding voor van de teelt van Merino-schapen, geteeld voor hun wol in plaats van voor hun vlees. En tot slot profiteerden trekboer jagers in het binnenland van de grotere vraag op de Britse markt naar Afrikaans ivoor.

Hoofdstuk 4: Arbeidsrelaties

In 1807 schaften de Britten de slavernij af in de Kaapkolonie. Dit veroorzaakte in eerste instantie een tekort aan arbeidskrachten. Maar al snel begonnen de Britten hun controle over die nieuwe, 'vrije' arbeiders op te drijven. In 1809 vaardigden ze de zogenaamde 'Hottentot Code' uit. Volgens dit wetboek moesten alle Khoisan en 'vrije zwarte' mannen in de kolonie een 'pas' bij zich hebben, waarin vermeld stond waar zij woonden en wie hun werkgever was. Al wie geen pasje bij zich had, kon uitgeleverd worden aan de dichtstbijzijnde blanke kolonist die arbeidskrachten nodig had. Maar tegelijk waren werkgevers verplicht geschreven contracten op te stellen tegenover hun werknemers. Die laatsten kregen toegang tot (arbeids)rechtbanken, waar ze hun 'meesters' konden aanklagen wegens contractbreuk of agressie. In 1812 doorkruisten een aantal rechters de plattelandsdistricten van de Kaapkolonie om recht te spreken in zaken die 'knechten' aanspanden tegen hun 'meesters'. Slechts weinige blanken werden veroordeeld. Toch veroorzaakten de rondtrekkende rechters grote woede onder de Boeren. Tevoren waren zij immers vrij geweest om hun zwarte arbeidskrachten te gebruiken en/of te misbruiken wanneer het hen uitkwam.

Ondertussen arriveerden er christelijke missionarissen vanuit Europa in de Kaapkolonie. Zij gingen er werken onder de 'heidense' zwarte bevolking van de kolonie. Missionarissen ontpopten zich al gauw tot voorvechters van de zaak van arme en onderdrukte Khoisan. Ze behartigden de belangen van de Khoisan in de rechtbanken en moedigden hen aan om onafhankelijke boederbedrijven op te starten bij de missiestations. Ook deze evolutie was een doorn in het ook van de lokale Boeren werkgevers.

De activiteiten en geschriften van de missionarissen hadden er grote invloed op de Britse regering van de Kaapkolonie. In 1828 vaardigde de regering Ordonnantie 50 uit. Deze maakte de restricties van de 'Hottentot Code' ongedaan. Nu mochten Khoisan en 'kleurling' arbeiders zich vrij bewegen binnen de Kaapkolonie en verkregen zij het recht hun eigen werkgever te kiezen of een eigen boerderij te beginnen. Ordonnantie 50 en de algemene afschaffing van de slavernij in het hele Britse rijk in 1834 waren gebaseerd op het geloof dat vrije loonarbeid op lange termijn efficiënter was en meer tevredenheid zou scheppen dat beperkte of slavenarbeid. Beide maatregelen werden tegengewerkt door de Boeren van de oostelijke grensgebieden. De armere Boeren hadden niet de middelen om goede lonen uit te betalen en zo arbeidskrachten aan te trekken. De rijkere Boeren, die ook slaven bezaten, kloegen over te weinige compensatie die zij aangeboden kregen voor hun 'slaven'. De arbeidsmaatregelen van de Britten aan de Kaap waren dus een sterke factor voor 'Grensboeren' om emigratie naar het noorden te overwegen, buiten de grenzen van de Kaapkolonie.

Hoofdstuk 5: De grens aan Oost-Kaap en het conflict met de Xhosa