about
Toon menu

Een geschiedenis van Syrië in de twintigste eeuw (4): Het regime van de Baa'th-partij onder "vader" Hafez al-Assad (1963-2000)

dinsdag 12 juni 2012
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.

1. De machtsovername van de Baa'th-partij (1961-1963-1970)

Na het uiteenvallen van de Verenigde Arabische Republiek (VAR) in september 1961 was Syrië opnieuw een eigen, onafhankelijke staat. De Syriërs vormden opnieuw een burgerlijke regering onder leiding van Maamun al-Kuzbari. In december 1961 vonden parlementsverkiezingen plaats. Er vormde zich een gematigd conservatieve meerderheid met Nazim al Qudsi als president. Onder Qudsi werden de meeste maatregelen die tijdens de VAR waren genomen, teruggedraaid (behalve de landhervormingen). Belangrijk was ook dat Qudsi zich wendde naar de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. Deze maatregelen waren een doorn in het vlees van meer linkse, pan-Arabische politici en militairen. Velen van hen identificeerden zich met de Baa'th-partij.

De Baa'th-partij werd in 1947 gesticht door Michel Aflaq (een orthodoxe christen uit Syrië) en Salah al-Din al-Bitar (een soenniet uit Syrië). Het programma van de partij steunde op de volgende pijlers:

  • Secularisme
  • pan-Arabisch nationalisme (streven naar één grote Arabische staat)
  • vrijheid tov. het imperialisme
  • socialisme

Deze vier krachtpunten zouden alle Arabieren moeten omarmen om zo de Arabische wereld een nieuwe boost te geven om te komen tot een ware Arabische renaissance. De meeste partijleden waren studenten, leerkrachten, professionelen, ambtenaren en militairen. Onder hen was er een bovengemiddeld hoog aandeel van mensen afkomstig van het platteland en van de religieuze minderheden. Vooral deze religieuze minderheden (Alawieten, christenen, Druzen, joden) verwelkomden de seculiere ideologie van de partij. Daar kwam nog bij dat de Baa'th-partij beter georganiseerd was dan andere Syrische politieke partijen. De partij kon bogen op brede steun vanuit de lagere middenklasse en haar relatief goed uitgewerkte ideologie. In andere Arabische staten bestonden ook afdelingen van de Baa'th-partij. In Irak pleegde de partij op 8 februari 1963 een coup die het regime van dictator Abd al-Karim Qasim omverwierp (waarbij Qasim werd doodgeschoten). Volgens Wikipedia werd de coup in Irak gesteund door de CIA.

Exact een maand later, op 8 maart 1963, pleegde de Syrische afdeling van de Baa'th-partij een coup. President Nazim al-Qudsi werd opgepakt, maar later weer vrijgelaten waarna hij uiteindelijk vluchtte naar Jordanië. (Hij stierf aldaar in 1998.) De partij vestigde een militair regime: offcieren waren nu de nieuwe elite van Syrië. De oude elite van soennitische grootgrondbezitters, stedelijke politici en handelaars werd opzijgeschoven door een nieuwe elite afkomstig uit de lagere middenklassen en het platteland. De officieren die nu de dienst gingen uitmaken waren jong, in Syrië opgeleid en meestal van Alawitische afkomst. Alawieten vormen nu zo'n 10% van de Syrische bevolking (ca. 2 miljoen mensen) en worden door soennitische Syriërs niet beschouwd als moslims. De Alawieten beschouwen zichzelf als Twaalver sji'ieten: zij erkennen de twaalf sji'itische imams maar houden er voor de rest enkele heterodoxe gewoontes op na. Lees hierover het goede artikel uit de Duitse Wikipedia:

http://de.wikipedia.org/wiki/Nusairier#Die_Grundz.C3.BCge_der_Lehre

Zo vieren de Alawieten eigen feesten en erkennen zij uit religieuze overwegingen de shari'a niet. In hun hele cultus staat Ali (neef van de Profeet Mohammed en vierde kalief) centraal. Deze Alawieten leven vooral in de Syrische kuststreek en in het kustgebergte. Hun belangrijkste steden zijn Latakia en Tartous. De Assad-clan die nu (nog) de dienst uitmaakt in Syrië is Alawitisch. Ook de Shabiha-troepen zijn (waarschijnlijk) Alawitisch. Zij komen uit het gebied rond Latakia. De Shabiha-troepen worden beschuldigd van de massamoord van Houla van 25 mei 2012. Het huidige conflict in Syrië is volgens mij dus nu al een burgeroorlog tussen verschillende geloofsgroepen, tussen Baa'th-aanhangers van de minderheden en de soennitische meerderheid, net als in Irak en in Libanon.

Maar laat mij verdergaan met de geschiedenis van Syrië. De Baa'th-partij vestigde in Syrië meteen een dictatuur onder leiding van Amin al-Hafiz. Ze vestigden toen al de staat van beleg die nu nog altijd geldt in Syrië en waarvan de afschaffing één van de eisen is van de huidige oppositie tegen Bashar al-Assad. Deze staat van beleg omvatte en omvat nog steeds een straffe mediacensuur en onderdrukking van oppositie. Van 1963 tot 1970 vochten verschillende secties uit het leger een machtsstrijd uit tegen elkaar. Zo pleegde Hafiz al-Assad (vader van Bashar al-Assad) op 23 februari 1966 al een staatsgreep tegen de zogenaamde "oude Baa'thisten" van Amin al-Hafiz en de stichters van de partij Aflaq en al-Bitar. Deze twee laatste vluchtten naar het eveneens Baa'thistische Irak. Amin al-Hafiz werd eveneens afgezet en vluchtte naar Libanon en daarna ook naar Irak. (in 2003 zou hij pas terugkeren naar Syrië waar hij in 2009 overleed). Hafiz al-Assad werd minister van defensie onder de nieuwe president Nureddin al-Attasi (president tot 1970). De werkelijke macht lag echter in handen veelal Alawitische militairen als Salah Jadid en Hafez al-Assad. Onder invloed van Salah Jadid richtte Syrië zich terug tot het Sovjetblok. Ook vandaag is Rusland (de "opvolger" van de Sovjet-Unie) een steunpilaar voor het Syrische regime.

Er waren ook weer plannen voor een nieuwe Arabische unie met Irak (eveneens Baa'thistisch) en Egypte. Maar deze draaiden op niets uit omdat de Egyptische leider Nasser de leiding hiervan opeiste. Er was wel betere samenwerking met Irak en met Libanon en Jordanië. Met deze twee laatste landen (en met Egypte) bestonden plannen om water om te leiden zodat het niet naar het vijandige Israel ou vloeien. De relatief waterrijke Golanhoogte speelde hier een niet te onderschatten rol in. Het conflict tussen Syrië en Israel over de Golanhoogte draait volgens mij dus om water omdat in dit gebied de bronnen van de Jordaan liggen. Verder voerde het Baa'th-bewind een economische politiek van nationalisatie, industrialisatie en economische ontwikkeling. De landhervormingen van de vorige regimes gingen gewoon door. In 1972 was zo'n 40% was de beschikbare gronden uit handen genomen van (soennitische) grootgrondbezitters. In 1965 nationaliseerde de regering alle grote fabrieken, publieke sectoren, oliebedrijven en exportfirma's.

Vanaf 1966 namen incidenten tussen Syrië en Israel hand over hand toe. Israel viel daarbij de Syrische waterafleidingen aan. Daarop kwamen er weer raids tegen Israel vanuit Syrië, onder anderen door de Palestijnse bevrijdingsorganisatie al-Fatah. In mei 1967 flakkerde de crisis nog heviger op toen Syrië weet kreeg van Israelische plannen voor een massale aanval (een pre-empitve strike) tegen Damascus. De Syrische leiders deden een hulpoproep naar het Egypte van Nasser voor bescherming. Op 5 juni 1967 viel Israel Egypte echter aan in de Sinaiwoestijn. De zogenoemde Zesdaagse Oorlog was begonnen. Op 9 juni 1967 voelde Syrië de volledige kracht van het Israelische leger. Op 10 juni 1967 had Israel de volledige Golanhoogte bezet. Tienduizenden Syriërs moesten vluchten uit het gebied. Het belangrijkste doel van de Syrische buitenlandse politiek zou de herovering (via onderhandelingen of via militair geweld) van de Golanhoogte zijn. Op dit moment, tijdens de huidige burgeroorlog, zal dit voor de Assad-clan wellicht niet meer zo belangrijk zijn. Zij trachten zich nu met al hun krachten aan de macht vast te houden en in het zadel te blijven.

2. Hafez al-Assad als president en de Jom-Kippoeroorlog (1970-1973-1980)

Hafez al-Assad (1930-2000) werd geboren in Latakia als zoon van een Alawitische landbouwer. De clan-Assad is dus van Alawitische snit, afkomstig uit het gebied waar ook de gevreesde irreguliere Shabiha-troepen vandaan komen. Vader Assad was pragmatisch ingesteld en gaf in feite weinig om ideologie, zoals vele ander moderne dictators in de regio (vb: Saddam Hussein, Hosni Mubarak). In 1970, na de legendarische en bloedige Zwarte September in Jordanië (waarbij de PLO Jordanië werd uitgejaagd), pleegde hij op 13 november de zogenoemde Syrische Correctieve Revolutie. De oude machthebbers, president al-Attasi en sterke man achter de schermen Jadid, werden uit hun posities verdreven. Jadid werd gevangengezet en zou in 1993 in de gevangenis overlijden. Ook al-Attasi werd in gevangenis gegooid maar zou wegens ziekte in 1992 worden vrijgelaten. Hij zou nog datzelfde jaar overlijden in Frankrijk. Vanaf 1966 tot 1972 zou Assad minister van defensie blijven. Vanaf 1971 benoemde Hafez al-Assad zichzelf tot president van Syrië. Zijn persoonlijke dictatuur zou het - tot verbazing van velen - uithouden tot aan zijn dood in 2000. Met de opkomst van vader Assad eindigde de politieke instabiliteit waarvoor Syriê berucht was geworden.

Hafez al-Assad voerde een krachtige zuivering door binnen de Syrische Baa'th-partij. Zoals gezegd vlogen oude kopstukken achter de tralies. Aan zijn (al dan niet Alawitische) vrienden, verwanten en volgelingen deelde hij lucratieve postjes uit. Hij liet een parlement benoemen dat onder leiding stond van loyale Baa'thisten (met vertegenwoordigers van minderheden). Maar de politieke topfuncties in het leger was exclusief voorrecht voor Baa'th-leden. Zo gebeurde het dat de hele legertop en de binnenlandse veiligheidsdiensten volledig op de hand van vader Assad kwamen. Zo ontstond in Syrië een onderdrukkende security state met sterke controle van het regime over de media, opinievorming en (politieke) instellingen.

In 1973 liet Hafez al-Assad een nieuwe grondwet uitvaardigen waarin stond dat Syrië een democratische en socialistische staat was. De soevereiniteit zou het volk toebehoren en de wetten zouden gebaseerd zijn op de shari'ah. Deze staat stond uiteraard onder de exclusieve leiding van de Baa'th-partij. Er ontstond een personencultus rondom de president en zijn familie, met overal grote borden met posters van de president en zijn zonen: Bassel, Bashar, Majd en Maher. Er was ook een dochter: Bushra. De vrouw van Hafez al-Assad was Anisa Makhlouf. Bassel (1962-1994) was de 'troonopvolger' en had een voorliefde voor snelle sportauto's. Een ritje in zo'n kar in dichte mist werd hem in 1994 fataal. Heden ten dage staan overal in Syrië ook grote billboards van Bassel. Na diens dood werd Bashar (geboren in 1965) de 'troonopvolger'. Rond deze hele clan zou een cultus ontstaan zoals we die kennen uit communistische staten en nu nog in Noord-Korea te zien is met propaganda, standbeelden, posters en massafestiviteiten. In de jaren 1990 zou de Baa'th-partij meer dan 1 miljoen leden tellen. Een apparaat om u tegen te zeggen!

Met de Syrische economie begon het beter te gaan. Vanaf 1968 begon Syrië olie te exporteren en in de jaren 1970 zou olie het belangrijkste exportproduct van Syrië worden, belangrijker dan katoen. De katoenteelt bloeide eveneens met goede oogsten tijdens de jaren 1970. In 1968 begon de bouw van de reusachtige 'Revolutie-stuwdam' in de Eufraat. In 1974 was de stuwdam gereed (met Sovjet-steun overigens, net als bij de Aswan-dam in Egypte onder Nasser). Dankzij deze stuwdam kon meer land geïrrigeerd worden. Maar de dam bracht ook problemen met Turkije. In Turkije liggen de bronnen van de Eufraat en de Turken hadden zo hun eigen plannen om het droge zuidoosten van hun land te irrigeren. Andere grote bouwprojecten onder auspiciën van Assad waren wegen, spoorwegen en havens. Dit alles resulteerde in sterke economische groei in Syrië tijdens de jaren 1970 (op een tijdstip dat het Westen in een zware recessie zat, met rentevoeten tot 16%. En dan klagen we nu over rentevoeten van 5 à 6%!) De Syrische economie groeide met zo'n 10% per jaar. Andere factoren voor dit toch wel spectaculaire succes waren giften van Syriërs in het buitenland (één zo'n buitenlandse Syriër zou in de jaren 1990 president worden van Argentinië: Carlos Menem), buitenlandse hulp van bevriende Arabische regeringen en... goedkope wapenleveringen uit de Sovjet-Unie.

De buitenlandse politiek van Hafez al-Assad  was gebaseerd op vriendschap met de Sovjet-Unie. In 1972 verplaatste de Sovjet-Unie haar vlootbasis in de Middellandse Zee van Egypte naar Tartous in Syrië (nadat de Egyptische president Sadat voor de Amerikanen gekozen had). De hedendaagse Russische vloot in de Middellandse Zee heeft er nog steeds haar uitvalsbasis. Een reden te meer voor de Russische president Poetin om Syrië te steunen. Vanuit de Sovjet-Unie kwamen enorme, massale wapenleveringen het Syrië binnen. De relaties met het evens Baa'thistische Irak begonnen te verzuren. De Iraakse Baa'thisten zagen zichzelf eveneens als leiders van de pan-Arabische zaak (zeker omdat de historische stichters van de partij hun toevlucht hadden gezocht in Irak). Syrische Baa'thisten die om één of andere reden uit de gratie waren gevallen, werden in Irak met open armen ontvangen. Ook de Jordanische koning Husain was geen vriend van vader Assad, nadat deze de Palestijnen uit zijn land verdreven had tijdens de Zwarte September in 1970. Maar de voornaamste vijand van het regime was Israel. Syrië trachtte invloed te winnen bij de Palestijnen door hen te steunen. En het wilde kost van kost de Golanhoogte terugwinnen.

Daartoe startten Hafez al-Assad en de Egyptische president Sadat op 6 oktober 1973 een massale aanval tegen Israel. De Jom-Kippoeroorlog was begonnen. Syrië slaagde erin de Golanhoogte te heroveren, maar tegen 10 oktober had Israel teruggeslagen en stonden de Israeli's tot op 40 km van Damascus. Maar op 22 oktober gaven de Egyptische troepen zich over aan de Israelische generaals (waaronder de latere Israelische premier Ariël Sharon). Deze zet leidde tot de nederlaag van de Arabische legers. De oorlog zou Syrië duur komen te staan. Letterlijk zelfs: Syrië had een oorlogsschuld van zo'n 2,4 miljard dollar. Tijdens de oorlog kwamen gigantische hoeveelheden Sovjet-Russische wapens Syrië binnen. Maar het mocht niet baten. Een bezoek van de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken Henry Kissinger aan de Sovjetleider Leonis Brezhnjev leidde op 23 oktober tot een wapenstilstand. In mei 1974 kwamen Israel en Syrië overeen een neutrale zone in te stellen onder auspiciën van de VN op de Golanhoogte. Achter deze neutrale zone trokken de Israeli's zich dan terug en dat is nog steeds de toestand in de Golanhoogte. Hafez al-Assad zou tot zijn dood de Golanhoogte blijven terugeisen. Zonder resultaat evenwel: in 1981 annexeerde Israel in feite de Golanhoogte binnen haar grondgebied. (In 2000 waren er eventjes onderhandelingen tussen Syrië en Israel over de Golanhoogte. De repercussies van deze onderhandelingen lieten zich zelfs zien op het Eurovisiesongfestival in Stockholm van in mei dat jaar. De leden van de Israelische inzending - het groepje Ping Pong - zwaaiden tijdens hun optreden met Israelische en Syrische vlaggetjes. Het is maar dat u het weet...)

In 1975 was de breuk tussen vader Assad en de Egyptische president Sadat totaal. Deze laatste had dat jaar immers een wapenstilstand en terugtrekkingsplan afgesproken met Israel. In Libanon was ondertussen de burgeroorlog uitgebroken. Assad was in het begin van dit conflict tegen de overwinning van eender welke factie. Om dat te bewerkstelligen, stuurde Assad duizenden Syrische troepen het veelgeplaagde Libanon binnen. Deze troepen moesten het verdeel-en-heersbeleid van Assad in Libanon mogelijk maken. Deze troepen werden evenwel niet gestationeerd aan de Libanese grens met Israel, omdat Assad een Israelisch invasie wilde voorkomen. Syrië wilde kost wat kost een nieuw conflict met Israel vermijden (maar het steunde toch sji'itische facties - zoals Hezbollah -  tijdens de Libanese burgeroorlog. Assads clan was immers zelf sji'itisch...)

3. De jaren 1980 tot en met de Golfoorlog

In de jaren 1980 begonnen de mislukkingen van het bewind van Hafez al-Assad en de Alawitische elite door te dringen tot de bevolking. Het pan-Arabisme was tijdens de oorlogen tussen Irak en Iran en in Libanon verder weg dan ooit. De machtsconcentratie van de Alawitische minderheid vervreemdde de soennitische meerderheid van de top. Ook in Syrië begonnen soennitische fundamentalisten zich te roeren. Vanaf 1976 (niet toevallig aan het begin van de Libanese burgeroorlog) begonnen soennitische fundamentalisten (Moslimbroeders volgens Wikipedia) een moordcampagne tegen hoogeplaatste Alawieten en militairen. Als wraak viel de regering in februari 1982 de stad Hama binnen, waar een opstand van de soennitische fundamentalisten was uitgebroken. Het leger richtte in Hama een ware slachting aan waarbij duizenden doden vielen.

Nadat deze oppositie in bloed was gesmoord, kon Hafez al-Assad het regime weer stabiliseren. Binnen de Assad-clan was een machtsstrijd aan de gang over de opvolging van vader Assad. Die had zijn opvolging niet uitgeklaard. Veel energie van het regime ging naar buitenlandse politiek en oorlogszaken. Bij de Israelische inval in Libanon in juni 1982 versloegen de Israeli's het Syrische leger. Tijdens deze campagne kwam geen enkel ander Arabisch land Syrië te hulp. Maar naarmate de Libanese burgeroorlog voortwoedde, kon Syrië een "morele" overwinning boeken. Na een akkoord bereikt op 17 mei 1983 trokken de Israeli's zich terug (ze bezetten wel nog een strook land in Zuid-Libanon tot 2000). Na de aanslag op een Amerikaanse basis in Beiroet op 23 oktober 1983 begonnen ook de Amerikanen zich uit Libanon terug te trekken. De Libanese president Amine Gemayel (in functie: 1982-1988) deed daarna een beroep op Syrië om als tegengewicht te dienen tegen de sji'itische troepen van de groepering Amal. Deze zet bracht Libanon terug in de situatie van voor de Israelische inval en stortte het kleine, verscheurde land in werkelijk totale chaos. De Syriërs konden van deze chaos profiteren en wisten bijna heel Libanon te bezetten, tot Beiroet toe.

Een andere buitenlandse vijandschap bestond met Baa'thistisch Irak onder Saddam Hussein. Tijdens de oorlog tussen Irak en Iran, steunde Syrië de sji'itische Iraniërs. Hoe ver was de Syrische Baa'th-partij nu verwijderd van haar oorspronkelijke doelen van Arabisme, socialisme en secularisme! Dankzij de steun aan Iran, kreeg Syrië Iraanse olie voor een voordelige prijs. Naast Iran, waren er ook banden tussen Syrië en Libië onder Muammar al-Kaddhafi. Dat maakte van Syrië een buitenstaander, een outcast, tussen de andere Arabische staten en in de hele wereld. Met de pro-Amerikaanse regimes in Jordanië eb Egypte waren de relaties koel en gespannen. Syrië was een felle tegenstander van een toenadering tussen Jordanië en Israel. Met de Sovjet-Unie waren de relaties dan weer erg hartelijk. De Sovjets verkochten de Syriërs tijdens de jaren 1980 steeds meer wapens. Maar met de val van het communisme en van de Sovjet-Unie in 1989-1991, was Syrië gedwongen zich enigszins tot de Verenigde Staten te richten. Syrië hoopte op Amerikaanse druk op Israel om zo de Golanhoogte terug te krijgen. Syrische hulp aan de Amerikanen kwam ook tijdens de Golfoorlog van 1990-1991 in Koeweit tegen Irak. Syrië steunde toen Saudi-Arabië, de VS en hun bondgenoten tegen Saddam Hussein. Zeer psychologisch: Baa'thistisch Syrië en Baa'thistisch Irak stonden tegenover elkaar! De gevolgen van de Syrische deelname aan de Golfoorlog waren: meer economische hulp van Saoedi-Arabië en meer sympathie bij de Amerikanen tov de Syrische positie in Libanon. Syrië nam in oktober-november 1991 deel aan de Vredesconferentie van Madrid. Vrede voor het Syrische regime behelsde niets meer of niets minder dan de teruggave van de Golanhoogte. Desondanks bleven de spanningen tussen Israel en Syrië te snijden. Vrede was (en is nog steeds) ver weg.

4. De Syrische economie, maatschappij en cultuur tijdens de jaren 1980 en 1990

Tijdens de jaren 1970 beleefde Syrië een opmerkelijke economische groei. Tijdens de jaren 1980 viel de economie stil. De olieprijs zakte drastisch in deze periode, wat de Syrische olie-export niet ten goede kwam. Kwam daar nog een hoge buitenlandse schuld bij van misschien wel 15 miljard dollar (voornamelijk bij de Sovjet-Unie). Omdat de andere Arabische landen weinig sympathiek stonden tegenover de Syrische politiek, gaven ze ook weinig donaties aan het regime van vader Assad. De zwarte markt bloeide daarentegen volop, en bleef groeien in de jaren 1990. Deze zwarte markt werd gedreven door smokkel, voornamelijk vanuit Libanon. In de jaren 1990 kwam er enigszins herstel in de economie: met enkele privatiseringen, meer olieproductie en opkomend toerisme. Maar de wapenimport en het op peil houden van het leger vormde een zware molensteen rond de nek van de Syrische economie en maatschappij. Het leger slorpte 1/3 tot de helft van het nationale budget op, om toch maar militair gelijke tred te houden met Israel. En de bevolking betaalde en betaalde maar...

Ondertussen bleef die bevolking maar groeien. In 1945 had Syrië 2,2 miljoen inwoners. Anno 2012 is dat cijfer vertienvoudigd tot 22 miljoen. Meer dan de helft van die bevolking (anno 2012 zo'n 60%) leefde in steden. Steden als Damascus en Aleppo groeiden explosief uit tot miljoenensteden (Damascus: 1,4 miljoen inwoners; Aleppo: 2,1 miljoen inwoners). En de plattelandsbewoners blijven naar de steden trekken, ondanks pogingen van het regime om het leven in de dorpen draaglijker te maken (onderwijs, elektriciteit, gezondsheidszorg). Het onderwijs ging er met rasse schreden op vooruit. In de jaren 1980 liepen meer dan 2 miljoen leerlingen school. Er zijn nu vijf universiteiten: 2 in Damascus, en telkens 1 in Aleppo, Homs en Latakia. Ongeveer 1/3 van de bevolking is jonger dan 15 jaar. Iets minder dan 80% van de bevolking is geletterd. Ook de status van vrouwen ging erop vooruit. Vrouwen hadden stemrecht in Syrië vanaf 1947 (een jaar voor België). Tijdens het Baa'th-regime kregen vele vrouwen de kans om voor de overheid te werken. Verder speelden vrouwen een niet te onderschatten rol in het parlement, handel en vrije beroepen. Ondanks pogingen tot gezinsplanning blijft het Syrische geboortecijfer erg hoog (23,5 per 1000).

De Syrische cultuur is het slachtoffer van een scherpe censuur en controle door het regime. De belangrijkste expressievorm is de poëzie. Belangrijke thema's hierin vormen: Arabisch nationalisme, pro-Palestijnse thema's, rechtvaardigheid voor de armen. De staat runt theaters en filmzalen en vanaf 1960 ook de televisie. De belangrijkste Syrische culturele figuur is de dichter Ali Ahmad Said, beter bekend onder zijn pseudoniem Adunis. Adunis werd in 1930 geboren in een Alawitische familie in een dorpje bij Latakia. In 1954 verwierf Adunis een doctoraat in de filosofie aan de Damasceense universiteit. Een jaar later werd hij gevangengezet omdat hij lid was van de Syrische Sociale Nationalistische Partij. Na zijn gevangenschap vluchtte hij in 1956 naar Libanon, waar hij een tijdschrift startte voor experimentele poëzie. Belangrijke invloeden in zijn werk zijn Arabisch nationalisme en soefisme (islamitische mystiek). Zijn stijl wordt dan ook neo-Soefistisch genoemd. In 1980 ontvluchtte Adunis de burgeroorlog in Libanon en trok hij naar Parijs waar hij professor zou worden aan de Sorbonne. In 1995 werd hij uit de Syrische Schrijversbond gestoten. In 2011 was hij een belangrijke kandidaat voor de Nobelprijs vanwege de Arabische Lente, maar hij moest het afleggen tegen de Zweedse dichter Tomas Tanströmer.

5. Overgang naar een dynastieke republiek

Na de dood van zijn oudste zoon Bassel in 1994, bereidde vader Hafez zijn tweede zoon Bashar voor op de "erfopvolging". De Alawitische machthebbers in de geheime diensten, in het veiligheidsapparaat en in het leger steunden deze keuze. In eerste instantie was Bashar al-Assad weinig ervaren in politiek bestuur: hij studeerde voor oogarts in Londen. Na de dood van Hafez al-Assad op 10 juni 2000, werd Bashar tijdens een "referendum" op 10 juli 2000 "verkozen" tot president met 97,2% van de stemmen. Echte steun had Bashar al-Assad zeker in de Baa'th-partij, de bureaucratie en bij iedereen die kon meeprofiteren van het bewind van zijn vader. Er volgde in 2001 een zeer lichte opheffing van de censuur, die naar Syrische normen ongekend was: de Damasceense Lente. Maar begin 2002 bevroor de Lente weer en heerste de Winter van Assad als vanouds.

De buitenlandse politiek aan het einde van het bewind van Hafez al-Assad bleef gedomineerd door het terugeisen van de Golanhoogte van Israel. Ook met Turkije waren en zijn de relaties gespannen, zeker nadat Turkije en Israel een alliantie met elkaar aangingen. De Turken wisten Syrië in 1998 zodanig onder druk te zetten om de Koerdische leider Abdullah Öcalan uit te wijzen, dat de Syriërs zwichtten. Met Israel waren er vredesonderhandelingen wanneer de Likoed-partij niet aan de macht was. In januari 2000 kwam Syrië en Israel dicht bij een akkoord, maar na het uitbreken van de tweede Palestijnse Intafada in september 2000 en de overgang naar Bashar al-Assads regime zetten beide partijen de onderhandelingen stop.

Tijdens de jaren 1990 bleef de Syrische economie groeien. Inkomsten kwamen uit onder meer olie-export en toerisme. Naarmate het nieuwe millennium naderde, begon de economie te stagneren. Dit kwam voornamelijk doordat de bevolking explosief bleef toenemen. Positiever was dat Syrië het opgaf om haar leger gelijke tred te laten houden met Israel. De uitgaven voor het leger zakten met de helft vanaf het einde van de jaren 1980. Het leger diende vanaf nu meer om binnenlandse onlusten neer te slaan.

Culturele veranderingen in de late jaren 1990 waren vooral op opkomst van nieuwe communicatiemedia. Schotelantennes werden in 2000 door Bashar al-Assad gelegaliseerd. Zoon Assad propageerde ook het gebruik van internet, nog voor hij president werd. De universiteiten konden hier als eerste van genieten. In 2002 werd de Syrian Virtual University gesticht door het ministerie van onderwijs. Deze universiteit levert lessen via het internet en in vooralsnog de enige in zijn soort in Syrië. Maar de meeste internetlinks verlopen via Libanon waar het culturele en intellectuele klimaat stukken vrijer is dan in Syrië.