about
Toon menu

Sanders geschiedenisblog (2): Historiografisch debat ivm nationalisme

woensdag 4 april 2012
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.

Dag beste medemensen,

U leest mijn tweede aflevering van mijn geweldige geschiedenisblog (applaus!). Vandaag wil ik het hebben over een historiografisch debat over het volgende onderwerp: nationalisme. De tekst die ik ga schrijven en die u ongetwijfeld massaal zult lezen, is gebaseerd op een les die ik vier jaar geleden gevolgd heb in het vak historiografische debatten aan de KULeuven. De lezing over het historiografische debat over nationalisme werd gegeven door professor Louis Vos. Niet onbelangrijk over deze professor is dat hij de promotor was van Bart De Wever toen die nog aan zijn doctoraat werkte. Louis Vos zelf is een 'volgeling' van professor Lode Wils. Professor Wils heeft nog geen tien jaar geleden een boek geschreven over de natievorming in België: 'Van Clovis tot Di Rupo'. Daarin stelt hij dat de natievorming in België al eeuwenoud is, want reeds in werking tijdens de middeleeuwen. Lode Wils en Louis Vos tonen zich aanhangers van het etnosymbolisme en van een belangrijke theoreticus van deze stroming: Anthony D. Smith.

Waarom schrijf ik deze blogtekst op dit moment? Wel, omdat op dit moment een onverkwikkelijke discussie bezig is over de politieke rol van het nationalisme in de krant 'De Standaard'. Aanleiding van deze discussie was een lezing die Bart De Wever gaf over de rol van mythen in de natievorming. Uiteraard ging Marc Reynebeau hier tegenin. Ook Karel De Gucht mengde zich in de discussie door te stellen dat - als goed liberaal - nationalisme dat teert op mythen in se verfoeilijk is. Daar kwam zijn tekst toch op neer. Waarop De Wever weer repliceerde dat De Gucht hem woorden in de mond had gelegd die hij niet had gezegd, of beter: neergepend.

Ik wil mij niet mengen in deze discussie. Liever geef ik de geïnteresseerde lezer een inkijk in de historiografische debatten die gaande zijn over nationalisme. Ik ben tevens van mening dat historici zich goed over dit fenomeen moeten buigen en dat historici hun vakgebied niet mogen laten gebruiken voor en door de politiek, ook al zijn in diezelfde politiek gediplomeerde historici actief. Bon, dit gezegd zijnde, zet u zich alvast maar schrap want het wordt een lange en doodsaaie tekst vol vakjargon. Ik wens u veel leesgenot en daarna een verkwikkende nachtrust. (Applaus!)

Vraag : Welke zijn de opeenvolgende paradigma's in de benadering van het nationalisme? In welke context zijn zij ontstaan?

In de jaren 1980 kwam er een "boom" aan nationalisme-studies. Op economisch vlak had je de nawerking van Nieuw Links (mei '68, studentenprotesten) dat het marxistischse schema (slavernij - feodaliteit - kapitalisme - communisme; leer van het historische materialisme) herontdekte en zich openstelde voor (nationalisme in) de Derde Wereld (bevrijdingsbewegingen, antikolonialisme, anti-imperialisme). Tegelijk was er in deze periode een heropleving van het nationalisme in heel Europa, zowel in het westen (Catalonië, Vlaanderen, Wallonië, Schotland, Lega Nord) als in het oosten (Joegoslavië, USSR, Tsjechoslowakije). Oude naties als Spanje, Groot-Brittannië en Rusland bleken ineens niet meer zo onaantastbaar. Tenslotte kwam het einde van Koude Oorlog daar nog bij, met de Val van de Muur en alle beroering en verwarring die dat met zich meebracht. Voor mijn autistische landenfetisjisme was dat trouwens prachtig, zo'n resem nieuwe landen en hoofdsteden erbij, waar ik nog nooit van het gehoord. Enfin, nog zoveel stof om in mijn toenmalige kinderhoofdje te proppen.

Dat was de context. Dan volgen nu de opeenvolgende paradigma's.

Päradigma 1: modernisme

Het modernisme stelt - het woord zegt het zelf - dat natievorming in essentie een modern fenomeen is. Wat beteent nu de term 'modern'? Vanaf wanneer kunnen we spreken over een 'modern' tijdperk? We kunnen hier oeverloos over discussiëren, maar historici gaan ervan uit dat de moderniteit begint vanaf de Industriële Revolutie, dus - laten we zeggen - vanaf ca. 1750/1800. Modernisten stellen dat voor dit scharnierpunt er geen nationalisme als dusdanig kon bestaan. Voor 1750/1800 waren 'nationalistische bewegingen' - als ze dat label al zouden verdienen - geen bewegingen, want niet collectief en niet onderhevig aan een massa-ideologie. Na dit scharnierpunt zijn pas de geijkte seculiere begrippen ontstaan die nationalistische bewegingen hoog in hun vaandel dragen: vaderland, vrijheid, rede, sociaal contract. Dit zijn termen die komen uit het jargon van de Verlichtingsfilosofen (Rousseau, Voltaire, Condorcet etc.). Kort en goed: het nationalisme is een product van de moderniteit.

Dit modernistische paradigma kan je door vijf verschillende brillen bekijken: vijf sub-paradigma's, zeg maar.

Sub-paradigma 1.1: Socio-economisch

Dit is het neomarxistische paradigma bij uitstek. Hier speelt de invloed van de World System Analysis van Immanuel Wallerstein (één wereld, verschillende systemen waarvan het ene het andere uitbuit) en het feit dat oude Nieuw-Linkse studenten onderzoekers werden aan de universiteiten. Het nationalisme - zo denken de socio-economen - vindt een ideale voedingsbodem in perifere gebieden die door een kerngebied worden uitgebuit (vb: Wales en Schotland vs Engeland, Catalonië en Baskenland vs 'Madrid', Lombardije en Sicilië vs 'Rome'). Het nationalisme zou in deze gevallen enkel succesvol zijn, wanneer de mensen die de natie bevolken en die de natie zijn, er materieel op vooruitgaan na de onafhankelijkheid (Wat we zelf doen, doen we beter, quoi!). In landen als Estland en Slovenië is dit het geval (beiden binnen de EU en binnen de Eurozone). In andere gevallen, zoals Macedonië en Kosovo, veel minder (40-50% werkloosheidsgraad).

Sub-paradigma 1.2: Socio-cultureel

Men gaat er hier van uit dat sociologische fenomenen (Industriële Revolutie, massaproductie) samenhangen met het modernisme. De Industriële Revolutie had tot gevolg dat op elk denkbaar vlak er massaproductie mogelijk was en dat mensen veel sneller konden worden bereikt als werknemers, klanten, stemgerechtigden of wat dan ook. Deze algehele massalisering van de maatschappij zorgde ervoor dat de massa nu beter gemobiliseerd kon worden via nationalistische of andere bewegingen (vakbonden, coöperatieven, meetings). Het nationale gedachtegoed is volgens de socio-cultureel ingestelde historici een uiting van 'hoge cultuur' die via massa-onderwijs en algemene geletterdheid over de massa wordt verspreid. Denken we hier bijvoorbeeld aan het Canondebat over het geschiedenisonderwijs in Nederland van enkele jaren geleden, of aan oude schoolboekjes die de scholieren trots uitlegden dat 'Horum fortissimi sunt Belgae' (Caesar, De bello Gallico)

Sub-paradigma 1.3: Politiek

Historici die dit paradigma volgen stellen dat nationalisme bewust door staten wordt gebruikt als politiek wapen. De staten zullen het nationalistische gedachtengoed tegen andere staten gebruiken, of juist om het eigen natiegevoel te versterken. Nationalisme kan dus zowel in positieve zin (versterkend) als in negatieve zin (afbrekend) gebruikt worden.

Sub-paradigma 1.4: Ideologisch

Dit paradigma stelt dat het nationalisme een "doctrine is, in Europa uitgevonden in de 19de eeuw". Dit nationalisme leidt tot chiliastische gevoelens (ander woord hiervoor is 'millenarisme', een geloof in een duizendjarig vredesrijk na de wederkomst van een 'redder'). Dit soort extreme gevoelens dat nationalisme kan teweegbrengen, leidt volgens ideologische historici tot al even extreme destructie (wereldoorlogen, nazi-tijdperk, Pol Pot in Cambodja). Zeker in de Derde Wereld zouden de gevolgen van dit soort gebruik van nationalisme rampzalig zijn, getuige wat er vorig jaar in Libië gebeurde of heden ten dage in Mali (nationalisme van de Touaregs)

Sub-paradigma 1.5: Constructivisme

Dit paradigma stelt dat nationalisme een sociale constructie is. Historici die dit paradigma aanhangen, spreken van "invented traditions" of van "social engineering" (vb: Highland Games in Schotland, wielrennerij in Vlaanderen, schaatsen in Nederland, Vasaloppet in Zweden). Deze "tradities"moeten de morele leegte opvullen en de verbeelding zijn van een politieke gemeenschap, zeker nu de oude zekerheden die religies en monarchieën boden, verloren zijn gegaan.

Paradigma 2 : Perennialisme

Het perennialisme zet - zoals de naam 'perennial' (eeuwig, langdurig) al aangeeft - in de verf dat naties al erg lang bestaan, en dit doorheen elke periode van de geschiedenis (Oudheid, Middeleeuwen, Nieuwe Tijd). Men legt hier de nadruk op de evolutie die naties hebben ondergaan van etnieën of rassen tot naties en/of staten. Naties zouden volgen perennialistische historici 'natuurlijke' (dwz. geen moderne of gecreëerde) gemeenschappen zijn die al zeer lang bestaan. (vb: Zuidelijke Nederlanden = België; Frankrijk en Duitsland zijn gesticht door Karel de Grote of dateren al van in de Romeinse tijd; Hongarije is gesticht door de Hunnen). Ook hier zijn er weer verschillende sub-paradigma's.

Sub-paradigma 2.1: Continuous perennialism:

Naties hebben een zeer lange geschiedenis, die continu is blijven evolueren en reeds teruggaat op de Oudheid of de Middeleeuwen (vb: de namen Ghana en zeker Mali grijpen terug naar oude middeleeuwse rijken in de Sahel in Afrika).

Sub-paradigma 2.2.: Recurrent perennialism:

Dit idee stelt dat naties veranderen doorheen de geschiedenis (Het Vlaanderen van vandaag is niet gelijk aan het Vlaanderen van tijdens de Middeleeuwen). Naties hebben een begin en een einde, maar steken in elke historische periode opnieuw de kop op (vb: Polen na de Poolse delingen, Servië na de verovering door de Ottomaanse Turken). Dit idee komt terug in het feit dat algemene historische overzichten van naties teruggaan tot een verre oorsprong (vb: Spaans geschiedenis die begint in de Prehistorie). Vreemd genoeg zijn recurrent perennialistische overzichtswerken van de geschiedenis van Griekenland vrij zeldzaam. Er bestaan aparte werken over de Griekse Oudheid of over het moderne Griekenland, maar over de periode ertussen (Romeins, Byzantijns en Ottomaans Griekenland) wordt zelden een overzichtswerk geschreven, laat staan behandeld samen met de Oudheid en de Moderne Tijd.

Paradigma 3: Primordialisme

Dit derde paradigma gaat terug op de ideeën van Jean-Jacques Rousseau en Abbé Siéyès. De eerste predikte een terugkeer naar wat hij 'de natuurlijke orde' of 'de naturalistische geest' noemde. De tweede kwam op het idee dat juist de naties die natuurlijke orde belichaamden. Volgens Abbé Siéyès bestonden naties al sinds het begin der tijden, net als God zelf. De naties kenden doorheen de geschiedenis een organische groei. Naties hadden ook nog een absolute soevereiniteit en een eigen wil.

Sub-paradgima 3.1.: Organisch of biologisch primordialisme

Binnen de natie zijn mensen niet alleen als familieleden elkaars verwanten, maar ook als volledig volk. Een etnische of raciale verwantschap dus, met als belangrijkste 'natuurlijke' kenmerken taal, godsdienst, huidskleur etc. Alle leden van de naties werden geacht deze 'natuurlijke' kenmerken te bezitten. (Kroaten zijn geen Serviërs: al spreken ze nagenoeg dezelfde taal, ze delen niet dezelfde godsdienst). Het volk of de natie werden gezien als een lichaam, een welhaast biologisch gegeven dat werd geboren en dat ook weer kon sterven. De hele natie werd trouwens geacht af te stammen van één bepaalde stamvader (Karel de Grote in Frankrijk of Duitsland).

Sub-paradigma 3.2.: Cultureel primordialisme

De persoonlijke identiteit van iemand vormt de basis van de identiteit van de hele natie. Daarnaast moet de natie stabiliteit en efficiëntie garanderen. Mensen worden dus geacht te geloven in de primordiale eigenaardigheden van de natie of de etnie, of dienen er een juiste 'feeling' voor te hebben (vb: De Vlaming is geboren met een baksteen in de maag! Nederlanders zijn van nature efficiënt en dominant: een gidsland, quoi!)

Sub-paradigma 3.3.: Instrumentalisme

Deze zienswijze probeert een antwoord te geven op de vraag waarom nationalisme zoveel passies opwekt. Instrumentalisten zien etniciteit en etnische identiteit als een machtsinstrument. Nationalisme wordt door machthebbers rationeel gebruikt om politieke doelen te bereiken en om macht na te streven (vb: identiteitsdebat: 'wij' versus 'zij' om 'ons' samen te brengen als buffer tegen 'de ander').