about
Toon menu

Zollikofer-De Vigneplan (Gent 1880-88)

dinsdag 21 mei 2013
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.

De aanzet tot de grote opkuis door de burgerij aan de vooravond van de wereldexpo van 1913.

De vergeten saneringsnomaden: de arbeiders

Gent herdenkt dit jaar haar wereldtentoonstelling van 1913. Te verwachten valt dat de gekozen rigoureuze saneringswerken in de verloederde 19de-eeuwse binnenstad voor de wereldexpo zullen voorgesteld worden als een zegen voor de stad en als de enige en beste optie. Eigenlijk was het de beste keuze van de burgerij: zij saneerde en flaneerde, de arbeider migreerde. Daartoe werden nieuwe onteigeningswetten en financieringsconstructies ingevoerd op basis van een economisch liberalisme waar de huidige neoliberalen natte dromen van zouden krijgen. De grootse werken voor de expo, in het centrum, rond de as van de drie torens (1895-1913), vormden eigenlijk het sluitstuk op de eerdere saneringen met het Zollikofer-De Vigneplan (1880-88): het grootste urbanisatieproject van de 19de-eeuw in Gent.

Een explosieve, omwalde stad

De verlichtingsideeën van de Franse Revolutie van 1789 verspreidden zich als een schokgolf over Europa: democratieën kregen vorm, clerus en adel boetten in aan macht, de burgerij verwierf er, corporatistische ambachtsstructuren werden afgeschaft en de kerkelijke eigendommen werden verkocht, enzovoort. De burgerij kreeg vrij spel. En terzelfdertijd overspoelde de industrialisatie West-Europa. Deze schokgolf trok ook heftig door Gent.

Na 150 jaar van economisch verval was de textielstad Gent aan het einde van de 18de-eeuw de eerste en in de eerste helft van de 19de-eeuw de belangrijkste industriestad van het vasteland. Gent werd het Manchester van het continent, met Lieven Bauwens, Felix de Hemptinne en Ferdinand Lousberghs als voornaamste textielbaronnen. Onteigende kloosters werden omgevormd tot fabrieken – zelfs het Gravensteen –, en overal doken nabij waterwegen nieuwe grote fabrieken op. Bouwvoorschriften waren er amper, enkel een wet van 1808 verbood fabrieken in de Kuip. Tegen 1836 waren er 1501 fabrieken, en elk jaar kwamen er gemiddeld zeventig bij. Ook het transportnetwerk werd uitgebreid met o.a. het kanaal Gent-Terneuzen (1825-1827), het Zuidstation (1837), de ringspoorweg, …
Die industrialisatie vond de nodige arbeidskrachten onder bedelaars, werklozen, kinderen, ontheemde plattelandsbewoners. Ook de 1500 misdadigers uit het ‘correctiehuis’ Rasphuis, werden in ruil voor onderhoud als dwangarbeiders ingezet, onder anderen bij Lieven Bauwens. In 1810 telde de katoenindustrie bijna 11.000 arbeiders en in 1846 werkte zeventig procent ervan in de textiel. De werk- en levensomstandigheden van 19de-eewse arbeiders waren erbarmelijk, wat Louis Paul Boon treffend heeft beschreven in het boek ‘Pieter Daens’.
Dat ging gepaard met een spectaculaire bevolkingsgroei: meer dan een verdubbeling tijdens de eerste helft van de 19de-eeuw. Van 55.161 in 1801 naar 115.354 in 1866.

Om dit nieuwe proletariaat te huisvesten, werden kelders, oude panden of voormalige religieuze gebouwen heringericht. Bijvoorbeeld het Pand dat rond 1881 tweehonderd gezinnen huisvestte. Elk beschikbaar perceel, binnentuin of binnenbouwblok veranderde in een doolhof van straatjes met donkere huisjes. Deze moderne uitvinding noemde de burgerij van Gent het ‘beluik’ of de ‘cité’. In 1843 stond eenderde van de ongeveer 14.000 huizen in een beluik en een derde van de bevolking woonde op drie procent van de bebouwde oppervlakte. Zonder enige scrupule speculeerden huisjesmelkers, fabrikanten en burgerij, die ongeordend nieuwe straten en wijken konden aanleggen doordat de overheid amper plande of reglementeerde.

Pas in 1843 onderzochten de artsen Mareska en Heyman de sloppenwijken en eindelijk kwam officieel de ellende aan het licht in hun rapport: opeengepakte arbeiders in obscure, vochtige huisjes in een doolhof van duistere steegjes zonder degelijke bestrating, riolering en watervoorziening. Overal hing een onuitstaanbare stank van uitwerpselen en verrotting, en waren infecties een constante bedreiging. Ook psychische spanningen, lage moraliteit, kleine criminaliteit, heterogene huishoudens met een huwelijksgedrag in crisis en een grote groep alleenstaande en ongehuwde moeders, troffen ze aan.
Al het afval van die slums belandde samen met het industrieel afval in de waterlopen en herschiep die tot open riolen met regelmatig epidemieën tot gevolg: bijvoorbeeld cholera (1832-34, 1848-50, 1866 en 1892-94) en tyfus (1846-49,1871) met telkens duizenden doden.

Voordat Koch en Pasteur ontdekten dat bacteriën cholera en tyfus verspreiden (1883 cholerabacterie), dacht men dat alle ziekten ontstonden uit slechte wasems, ‘miasma’s’, die uit de vervuilde waterlopen, bodems of rottend vuil opstegen. De miasmentheorie. Preventie werd een strijd tegen dampen: opruiming van straatvuil en uitwerpselen, afbraak van krotten, aanvoer van proper water, verlaging van woondensiteit, verbetering van water- en luchtdoorstroming via rechte en brede straten.

Er was een bijkomend probleem. Het verstedelijkingsproces voltrok zich tot 1860 binnen het keurslijf van een 16de-eeuwse stadsomwalling: de huidige kleine ring. De bebouwde oppervlakte nam niet evenredig toe, waardoor de bouwdichtheid toenam. Mede doordat nauwelijks landbouwgebieden binnen de wallen vrijgegeven werden omdat de oogsten er ontsnapten aan de octrooirechten. Die octrooitaksen, de belangrijkste stadsinkomst (65-82 procent) werden geïnd aan de stadspoorten op voedsel en drank (goed voor driekwart), brandstoffen en bouwmaterialen. Omdat die taksen de vrijhandel belemmerden en asociaal waren, schafte de wet van 18 juli 1860 die uiteindelijk af. Gent vierde dat uitbundig: om middernacht van 20 juli trokken onder klokgelui versierde hooiwagens met muzikanten de stad binnen waar een massa wachtte op de val der barelen. Stadspoorten, bareelhuisjes en wallen maakten plaats voor brede lanen. En de stad kon uitbreiden: de 19de-eeuwse gordel ontstond met nieuwe arbeiderswijken en fabrieken. Door die afschaffing verloren de gemeenten grotendeels hun financiële autonomie. Ter compensatie kregen ze voortaan middelen uit het pas opgerichte Gemeentefonds. Die werden verdeeld over de gemeenten volgens de rijkdom van haar inwoners. Dat zette stadsbesturen aan om rijken aan te trekken door luxekwartieren te plannen en armen te verdrijven.

Die rampzalige situatie was hoofdzakelijk te wijten aan een ver doorgedreven economisch liberalisme met een minimum aan regulering en overheidsinitiatief. Het heersende cijnskiesstelsel (1830-1893) was uitsluitend voordelig voor bezitters. In Gent, in tegenstelling tot de rest van België, waren dit de ondernemers, die als liberalen zowel het stadsbestuur als het maatschappelijk en economisch leven gingen domineren. Ze waren onafgebroken aan de macht van 1830 tot 1895.

De oplossing: de tabula-rasasanering volgens Haussmann

Alle geïndustrialiseerde steden in Europa kenden sinds 1800 dergelijke verstedelijking met een groeiend verkeersprobleem waarbij onder andere stations, meestal aangelegd buiten het centrum, geen goede verbinding hadden met het stadscentrum. Dat was ook zo in Gent.
Vanaf midden 18de-eeuw begonnen de nationale en lokale besturen, meestal in handen van de burgerij, zich zorgen te maken en de vele epidemieën in West-Europa en de pest in Zuid-Europa zorgden voor een doorbraak van de opvatting dat grondige grootschalige saneringen noodzakelijk waren.

Aanvankelijk wou de overheid, vanuit het economisch-liberale denken, het eigendomsrecht niet aantasten en geen initiatief nemen, maar uiteindelijk werden, uit angst voor nieuwe epidemieën, in verschillende landen wetten voor onteigening en financiering goedgekeurd. In België kwam op 1 juli 1858 ‘de wet op onteigening voor het saneren van ongezonde wijken’ tot stand, dat in 1867 uitgebreid werd met ‘de wet op onteigening voor verfraaiing’.

Parijs nam het voortouw: Napoleon III gaf, in het reactionaire klimaat van na de revolutie van 1848 aan baron Haussmann de opdracht zijn plan uit te voeren. Verpauperde ‘quartiers’ dienden gesaneerd te worden én verkeersdoorbraken moesten worden aangelegd voor de ontsluiting van het centrum via brede lanen voor transport, maar ook voor de doorgang van het leger voor eventueel ingrijpen bij opstanden. De theorieën van ‘verluchten’ indachtig trok Haussmann dwars doorheen het middeleeuws stratenlabyrint rechte brede lanen met bomenrijen en dure burgerhuizen in een stervormig patroon. ‘Haussmannisme’ werd in de rest van de 19de-eeuw een soort handleiding voor stadsontwikkeling in alle Europese industriesteden.

De Nederscheldewijk, een getto

De Nederscheldewijk, geïsoleerd van het centrum en gelegen tussen het Zuidpark, de Kuiperskaai, de Reep, de Visserij en Hollainhof, werd doorkruist door de Oude Schelde, die kronkelde vanaf Waalse Krook zuidwaarts naar de Munkmeersen. Tijdens de 19eeuw was het één van de belangrijkste én ongezondste arbeiderswijken van de textielstad. De bewoners waren vooral textielarbeiders en behoorden tot de absolute laagste klasse. Ook hier waren erbarmelijke woonomstandigheden die nog verergerd werden doordat de wijk op het laagste niveau van de stad lag en de open riolen ‘Nederschelde’ en ‘Oude Schelde’ vooral in de winter buiten hun oevers traden. Daardoor maakten de epidemieën in die wijk altijd de meeste slachtoffers: bijvoorbeeld in 1866 met 592 doden.

Ook stond de wijk een vlotte verbinding van het Zuidstation naar het centrum in de weg, wat moest gebeuren via andere aangelegde verbindingsstraten. (In 1841 via onder andere de huidige Zuidstationstraat, de Keizer Karelstraat, het huidige Sint-Annaplein). En tot slot was de burgerij misnoegd, niet alleen omdat zij moesten winkelen in Brussel met haar luxueuze etalages en winkelpassages, maar ook buiten de stad diende te flaneren.

Het grootste urbanisatie- en immobiliënproject in de 19de-eeuw in Gent

Vanaf 1860 begon, zij het kleinschalig en fragmentair, de sanering: ontelbare arbeidershuisjes en -buurten werden gesloopt. Maar de Nederscheldewijk kreeg alle prioriteit, zeker na de cholera-uitbraak van 1866. Tussen 1860 en 1883 werden een zestal oplossingen gelanceerd, maar zonder succes vanwege tegengestelde belangen of uitgangspunten. Zo moest het aanvankelijk idee om het arbeiderskarakter van de wijk te bewaren, vlug plaats maken voor een burgerlijke wijk omdat de investeerders enkel dit winstgevend vonden. Ook een zachte aanpak via straatverbredingen en rioleringswerken of de inplanting van een nieuwe functie als zuurstof voor de wijk, kregen geen kans.

Uiteindelijk stelden architect Edmond de Vigne en ingenieur Edouard Zollikofer op 9 juni 1880 hun project ‘pour raccorder la place de la station au centre de la ville’ voor aan het college. Stedebouwkundig is het een Y-variant op Haussmannisme. Het station werd verbonden met het centrum via een hoofdstraat (Vlaanderenstraat) met halverwege een ‘Rond Punt’ en verder een splitsing in twee diagonalen. Verder wordt de Reep via gedeeltelijke overwelving een promenade of flaneerplaats. Pas na de bijsturing met een aanpassing van het stratenpatroon in de Nederscheldewijk, genoot het ontwerp algemeen bijval en werd bij Koninklijk Besluit van 1 april 1883 goedgekeurd. De onteigeningen konden starten en buiten kleine aanpassingen, was het uitgevoerd tegen 1888. (Zie plannen).

De volgende cijfers onderstrepen de gigantische omvang van de operatie: 4,5 ha onteigend, 30,5 ha voor herverkoop, 4037 m2 bestaand straatoppervlak verdween, 14.066 m2 nieuw straatoppervlak, 497 m gevel gesloopt en 1779 m nieuwe gevel. In de projectzone werden 550 arbeiderswoningen gesloopt en daarbuiten, maar nog steeds binnen de Nederscheldewijk, werden er nog eens 400 gesloopt. Maximaal mocht tachtig procent van het perceel bebouwd worden en de gevels dienden minimum 5 m breed en 12 m hoog te zijn. Dat laatste werd ver overschreden omdat de zelfbewuste elite hun macht en geld etaleerden met rijke gevels in neostijl of eclectisme vol natuursteen en bel-etagebalkons.

De winnaars: de stad en de concessiehouders – de verliezers: de arbeiders

De wetgeving en financiering voor het plan inspireerde zich op gelijkaardige projecten in Parijs en Brussel. Voor de uitvoering wordt een financiële overeenkomst met twaalf artikelen gesloten tussen de stad en de concessiehouder, de Compagnie Immobilière de Belgique, die instond voor de onteigening tegen actuele waarde, verkaveling en de verkoop van de al dan niet bebouwde percelen. De belangrijkste waren: de Compagnie betaalt alle onteigeningen aan actuele waarde met een limietprijs per vierkante meter per perceel en regelt de voor haar voordeligste wijze van herverkoop van de terreinen; de Compagnie ontvangt een subsidie van twee miljoen en een gewaarborgde lening van vier miljoen; de stad voert op eigen kosten de straatwerken uit (maximaal 550.000 fr.), staat alle eigendommen binnen de zone af en verleent aan kandidaat-bouwers een goedkope lening – een soort bouwpremie – voor maximum vijftig procent van de bouwkosten. Verder ging de stad een lening aan van 7,5 miljoen fr. bij de Banque de Gand, behorende tot de groep Société Generale, die haar afgevaardigden hadden in de Compagnie. Omgerekend naar de huidige euro wordt dit 32 miljoen: een gigantisch bedrag als je weet dat het maandloon ongeveer 1,3 euro was. De cirkel was rond en de belangenverstrengeling was stuitend.

Voor de Compagnie waren er weinig risico’s. Integendeel, het was zeer lucratief: goedkope lening, subsidie, meerwaarde uit de verkoop (gronden steeg twee tot drie maal in waarde), de intrest op de verkoop, en het profijt van de goedkope bouwlening. En de stad deed ook haar financieel voordeel, zij het op termijn. Het residentiële gebied remde de stadsvlucht van de burgerij af en trok die zelfs aan. Het kadastraal inkomen voor en na de sanering steeg met 207 procent. Daardoor kreeg stad op termijn meer subsidie van het Gemeentefonds (zie hoger).

De grote verliezers waren de arbeiders, omdat zij uit hun huis werden gezet zonder enige compensatie of vervangende huisvesting. 3000 daklozen migreerden en werden overgeleverd aan de huisjesmelkers. Het merendeel migreerde binnen de stad, meestal in de nabijheid. Slechts vijftien procent trok naar de randgemeenten. Dat terwijl de vermogenden die een nieuwbouw optrokken in hun onteigend getto een goedkope lening kregen. De ganse sociale samenstelling van de wijk veranderde: niet alleen werden de bewoners verdreven, maar vreemd genoeg ook de eigenaars: slechts drie personen bezitten eigendom voor en na de sanering. Na de sanering zijn het vooral handelaars, ambachten en industriëlen met een hoog sociaal prestige die de wijk bevolken.

Het project kreeg veel aandacht in de lokale pers. De kritiek varieerde van positief bij de liberale pers, over gematigd bij de katholieken tot heftig protest bij de socialistische pers. Deze laatste kloeg aan dat het plan geen vervangingshuisvesting voorzag en dat de stad miljoenen uitgaf op het ogenblik dat ze opriep veertig procent op hun loon in te leveren wilden ze hun werk behouden. De bekende Gentse volkszanger Karel Waeri drukte de verontwaardiging bij de bevolking frappant uit in zijn lied ‘Zollikofer’. Maar de adviescommissie wuifde die kritiek weg met twee liberale dooddoeners: op de nood aan arbeiderswoningen zal het privé-initiatief wel speculeren, en het project verschaft werk. Kortom: het project is niet alleen een zegen voor de burgerij, maar ook voor de arbeider.

Het stadsbestuur kon met het Zollikofer-Devigneplan een hele wijk onteigenen, slopen en nieuwe straten trekken voor burgerhuizen en luxe winkels, zonder zich te bekommeren om de ruim 3.000 dakloze arbeiders. Dat kon omdat de onteigeningswet van 1867 geen clausule had ter bescherming van de ontheemden. Niet onlogisch: door het cijnskiesrecht werden enkel de vermogenden vertegenwoordigd. Toch ironisch want de wet ontstond vanuit de optie om de morele en materiële levensomstandigheden van de arbeiders te verbeteren.

Indien men bij het lezen van dit artikel meent enige gelijkenis te ontdekken met de huidige strategieën bij stadssanering, dan berust dit zeker niet op toeval, integendeel.

Freddy Vancraeynest


Bronnen

VIAT- tijdschrift , deel 13/14, jg.4, nr.1/2: ‘Het Zollikofer-De Vigneplan en de Compagnie Immobilière’, lic. Frank Adriaenssen
Een stad in opbouw: deel II 1540-1913. Uitg. Lannoo nv, Tielt – 1992
Gentse torens achter de rook van schoorstenen – Gent 1860-1895. Uitg. Gent, Dienst voor Kulturele Zaken, 1983
Gent, stad van alle tijden. Uitg. Mercatorfonds, Brussel; Stam, Stadsmuseum Gent 2010
Openbare hygiëne in de 19de eeuw. Casus: het Lokerse stadscentrum 1850-1899. Licenciaatsverhandeling Griet De Schepper, promotor prof. Dr. E. Thoen, Universiteit Gent, academiejaar 2003-2004
Omrekening frank naar euro: http://www.vub.ac.be/SGES/scholliers1.html