about
Toon menu

'Interventie in Mali is meer dan een Westerse grondstoffenoorlog'

vrijdag 25 januari 2013
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.
  • “… en zo is markteconomie helaas voor een groot stuk ook oorlog.” – een economie en oorlog opgelegd aan de arme bevolking.

Interview - De Franse militaire interventie in Mali kan niet louter begrepen worden als een Westerse grondstoffenoorlog. De Fransen zijn lang niet meer de monopolist in de West-Afrikaanse regio. Het probleem met de jihadisten in de Sahel mag ook niet onderschat worden. Hun strijd past evengoed in het perspectief van een grondstoffenoorlog. Volgens doctoraal onderzoeker Thierry Limpens en voorzitter van de vredeorganisatie Nieuw Thabor Solidariteit, is er dringend nood aan een analyse die ernst maakt van de rol van de "opkomende" niet-Afrikaanse economieën en hun invloed op de veiligheid in de regio. Hij gelooft dat indien de VN haar resolutie over een "mondiale cultuur van vrede" wil realiseren, ze dringend op zoek moet naar bijkomende politieke instrumenten.

Splinteroorlogen

De afgelopen dagen verschenen er verschillende kritische analyses over de Franse militaire interventie in Mali. In de meeste van deze artikels wordt duidelijk gemaakt dat het hier niet gaat om een strijd tegen terrorisme. Het gaat eerder om een westerse grondstoffenoorlog om de grondstoffen waar Mali rijk aan is, zoals goud, olie, uranium, bauxiet, enzovoort. Hoewel deze economische analyse niet helemaal onjuist is, moet de blik op de militaire interventie scherper worden gesteld. Zo heeft Frankrijk in Mali heel wat minder economische belangen dan men zou denken. Het land beschikt weliswaar over een enorm potentieel aan te commercialiseren grondstoffen, maar de meeste exploratierechten op de voorraden zijn in handen van niet-Franse bedrijven.

'Grondstoffenoorlog, ja, maar niet exclusief Westers', zegt Thierry Limpens die de Sahel goed kent vanwege zijn werk als vredesactivist en als doctoraal onderzoeker. Hij legt uit dat Afrika in de greep is gekomen van een overaanbod aan potentiële kopers van haar rijkdommen: 'Vandaag zijn we ver weg van de koloniale tijden toen Westerse landen de koppen samen staken om Afrika te verdelen. Ook de bipolaire strijd van de Koude Oorlog is voorgoed voorbij. Wij hebben nu voor elk land, of zelfs voor iedere grondstoffenregio, meerdere kandidaten die staan aan te schuiven. Er is China, dat het niet slecht doet als investeerder. Maar dat land ontwricht de handelsbalans van Afrikaanse landen. Verder zijn er ook de golfstaten die opgang maken in de Afrikaanse moslimlanden. Tijdens mijn missies in Afrika hoor ik telkens weer speculaties over wie welke gewapende strijdgroepen van munitie voorziet, maar het principe is duidelijk: wie niet aan de bak komt, kan altijd proberen een rebellie op te zetten, en zo is markteconomie helaas voor een groot stuk oorlog'.

Limpens verricht al 15 jaar onderzoek naar hoe Afrikanen denken over wat er op het continent gebeurt. 'Een vrij algemene trend is de problematiek van 'splinteroorlogen', of het doelbewust laten versplinteren van de Afrikaanse staten door middel van interne regio-oorlogen die soms leiden tot de oprichting van nieuwe landen. Deze strategie wordt verkozen boven een ‘economie van vrede’ omdat rebellenleiders die een gebied in handen krijgen economische allianties aangaan met hun mecenassen. In tijden van oorlog worden grondstoffen als snoepjes verpatst en is de nood aan wapeninkoop groot. Dit import-exportpatroon is een kenmerk van een "economie van oorlog".'  

Politieke instrumenten

In een opiniestuk voor het Egmontinstitute maakt Rik Coolsaet, professor internationale betrekkingen aan de UGent, duidelijk dat een militaire interventie noodzakelijk was en conform is aan de VN-resolutie 2085. Maar omdat de perspectieven na de interventie onduidelijk blijven, is de kans groot dat ze op een totale mislukking afstevent.

Limpens kan Coolsaet daarin enkel maar bijspringen: 'Tijdens mijn laatste missie in Niger, eind december 2012, vertelde een hooggeplaatste regeringsverantwoordelijke me dat men ervan uitgaat dat het Franse leger de jihadisten hooguit kan verjagen. De Malinezen en hun Frans-Afrikaanse allianties weten ook wel dat ze wettelijk gezien de vijandige milities niet zomaar kunnen samendrijven en uitroeien. We mogen niet over het hoofd zien dat deze hun troepen versterkt hebben met de lokale bevolking, die ze in naam van de Islam ertoe verplichten deel te nemen aan hun jihad. Een zware belegering van de strijdende troepen zou daarom gelijk staan met een regelrechte volkerenmoord.'

'Het is gevaarlijk te denken dat jihadisme zondermeer kan uitgeroeid worden. Die logica werd bijvoorbeeld in Nigeria gevolgd, waar presidentiële troepen in 2009 dachten Islamitische terroristen op te ruimen en daardoor honderden onschuldige omstanders, moskeegangers, mee afmaakte. Toen zijn overlevenden zich gaan herorganiseren met hun ondertussen gekende programma van ‘opblazen van vijandige doelwitten’. Met het Mali conflict leeft er nu al angst onder de Nigerese bevolking dat het de komende weken opnieuw zal te maken krijgen met een vluchtelingenstroom en dus ook met een invasie van een deel van de jihadisten dat ervoor kiest om voorlopig schuil te gaan.'

Principieel gezien is een militaire interventie ook slechts een onderdeel van wat de Verenigde Naties een 'cultuur van vrede' noemen. Van dit laatste moet echter dringend werk gemaakt worden. Secretaris-generaal van de VN Ban Ki-moon riep daar vorig jaar nog toe op. Volgens Limpens is dit perspectief belangrijk,' maar het vraagt wel naar bijkomende politieke instrumenten die de "intersectionele" strategie van de VN moeten helpen doen waarmaken'.

Limpens gelooft dat indien de VN haar doelstellingen van vredestichter wil waarmaken, er een krachtdadiger politiek instrumentarium moet komen. Hij is van mening dat de actoren achter de interventie zich vroeg of laat zullen moeten bezinnen over de volgende uitdagingen: 'Hoe te voorkomen dat het jihadisme indirect getolereerd of zelfs ondersteund wordt door "mainstream islamisten" in naam van hun gemeenschappelijk verlangen naar meer sharia, of islamitische wetten? Hoe de geldstromen tegenhouden uit golfstaten die de talrijke moskees en islamitische centra in de Sahel helpen oprichten en dit soort Islam ondersteunen en meer en meer verspreiden onder de bevolking? Seculiere moslimlanden als Mali en Niger zijn nu al omringd door staten en zones die onder regime staan van het sharia strafrecht, en hoe kan deze evolutie worden stopgezet? Hoe kan men grip krijgen op de illegale wapenhandel in dienst van een "economie van oorlog"? We denken hierbij maar aan de Toearegrebellen die jarenlang door Kadhaffi werden gesteund en jihadisten die worden bewapend door het Westen als dit hen goed uitkomt. Tenslotte, wat te doen met etnische zuiveringen en represailles, zoals die nu bijvoorbeeld in Zuid-Mali worden uitgevoerd op de Arabische bevolking uit het noorden van het land?'

dit artikel van mezelf werd met toestemming overgenomen van Mondiaal Magazine (23 februari 2013)