about
Toon menu

De kronkels van Fernand Keuleneer in het euthanasiedebat

zaterdag 12 augustus 2017
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.

In zijn opiniestuk in De Standaard van 12-13 augustus 2017 stelt Fernand Keuleneer ter bescherming van de weigering tot euthanasie in christelijke zorginstellingen vandaag, dat euthanasie geen therapeutische of medische handeling is. Ook al dient ze door een arts ingeleid en uitgevoerd. Hiervoor gebruikt hij als enig criterium het gevolg van de handeling: het overlijden van de patiënt.

Zou een geneeskundige handeling waarbij “de arts de geneeskunde beoefent en met de patiënt de medische toestand beoordeelt” kunnen focussen op de kwaliteit van het leven, ook al heeft het lenigen van ondraaglijk geworden pijnen vervroegd het onafwendbare overlijden tot gevolg? Voor de principiële Keuleneer is het vermijden van de dood bij erkend onomkeerbaar lijden belangrijker dan de kwaliteit van het levenseinde. Stervensbegeleiding wordt zo een onnatuurlijke relatie tussen de patiënt en de arts.

Niet een arts en al zeker niet een erkende instelling zouden eenzijdig de eigen geloofspunten mogen opdringen aan de patiënt. Als de wetgever tijdens de parlementaire werkzaamheden heeft geoordeeld dat een correcte, respectvolle en zorgzame begeleiding van het levenseinde niet noodzakelijk de mogelijkheid tot euthanasie insluit, dan moet de medische en morele toestand geëvalueerd op basis van de vragen van de patiënt. Gaat de therapeutische vrijheid van een arts bij de laatste fase van het mensenleven zo ver dat hij of zij om principiële redenen bestaande en beschikbare medische opties mag verzwijgen. Eigenlijk wordt dat voor Keuleneer als een persoonlijke plicht beschouwd voor een christelijke arts.

Niemand betwist dat een patiënt, gelovig of niet-gelovig, er principieel mag voor kiezen om het levenseinde zinvol te dragen op basis van persoonlijke keuzes.
Het besluit van Fernand Keuleneer dat speelt met financiële belangen (en dus schuldgevoelens bij de familie) als de patiënt nadenkt over euthanasie, is ronduit een slag onder de gordel. Op gelijke voet zou men de christelijke instellingen kunnen beschuldigen van het in stand houden van therapeutische hardnekkigheid op vraag van de zorgverstrekkers. Dit lijkt me not done.
Enkel op basis van medische kwaliteitsnormen moet de overheid therapeutische hardnekkigheid tegengaan. Naar instellingen toe lijkt de discussie te gaan over het kwalitatief lastenboek : kan een instelling kwalitatieve zorg aanbieden indien blijkt dat instelling en beschikbare artsen vanuit principiële overwegingen welbepaalde opties voor de opgenomen patiënt principieel afwimpelen?

Voor mezelf is het duidelijk dat bloedtransfusies voor elke patiënt moeten mogelijk gemaakt worden, ongeacht de geloofspunten van de patiënt. We spreken hier dan over het beschermen van de patiënt tegen zichzelf.
Als het gaat over het opstarten van een procedure voor euthanasie, ligt de toepassing in de eerste plaats bij de wil van de patiënt waarbij de arts alle mogelijkheden open met de patiënt moet evalueren. Indien instellingen of artsen bang zijn om deze problematiek met patiënten te bespreken, kunnen zij de patiënt voor de opname, naast verplichte informatie over het tarief, ook een welomschreven overeenkomst met bepalingen uit een ‘huishoudelijk reglement’ laten tekenen. Op voorwaarde dat de patiënt de mogelijkheid behoudt om van mening te veranderen. Door bijvoorbeeld diens verplichte mogelijkheid om desgevallend een externe arts bij de behandeling in te schakelen waarvan de instelling zich facultatief kan distantiëren.
Enkel op deze manier wint iedereen bij onze open pluralistische samenleving.