about
Toon menu

Het Koninklijk Circus in Brussel wacht op nieuwe concessie

vrijdag 4 augustus 2017
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.

Als bezoeker van het Koninklijk Circus onder beheer van de Botanique, stoorde ik me minder aan de gebrekkige tweetaligheid van het personeel, dan aan de vaak arrogante eentaligheid.
De echte belangen bij de toekomstige concessie van deze infrastructuur van de Stad Brussel, gaan natuurlijk over het toekomstig cultureel aanbod en over de concurrentie tussen enkele steeds groter wordende commerciële groepen die hun marktaandeel willen zien groeien. Over heel veel geld dus.
Brussel-stad is de grootste inrichtende overheid van Franstalig onderwijs binnen de Fédération Wallonie-Bruxelles (en heeft een kwalitatief Nederlandstalig onderwijs), beschikt over een uitgebreid patrimonium op de huurmarkt van woningen (die mee de prijzen op de private huurmarkt kunnen beïnvloeden) en over een degelijke sportieve en culturele infrastructuur. Voor het beheer van Koninklijk Circus heeft de Stad welwillend geoordeeld een openbare opdracht te moeten organiseren. Die keuze is niet vrijblijvend natuurlijk.
Sommigen werpen systematisch de opportuniteitsvraag op of de Stad ook een rol in de culturele programmatie moet spelen. Zelf heb ik daar gemengde gevoelens bij, maar voor alles moet kwaliteit en diversiteit in het aanbod de Brusselaar ten goede komen. Ik lees bij verslaggeving over de Gemeenteraad veel polemieken onder politici die rechtstreeks of onrechtstreeks commerciële belangen verwoorden. Weinig of niets over een strategie om de programmatie open te trekken. Politiekers horen, vanuit hun mandaat, een lastenboek op te stellen dat de diverse commerciële belangen overstijgt door de juiste kwalitatieve keuzes te maken bij de toekenning van een concessie. Dat is het wezenlijk onderscheid tussen een beleidsvisie van een overheid en de commerciële belangen her en der die in dit geval dreigen te evolueren naar monopolievorming.
De politieke discussie hoort te gaan over het lastenboek, niet over perikelen bij de toekenning van de concessie nadien. Daar ligt misschien wel de grond van een publieke aversie tegen onze verkozenen: naarmate die erin slagen strategische kwaliteitsontwikkeling te bevorderen, zal de burger minder afwijzend staan tegenover de uitgoefende macht van de PS in Brussel, de N-VA in Antwerpen, de Open VLD in Mechelen of de CD&V in Hasselt.