about
Toon menu

Piet Chielens brengt getuigenissen over desertie en 'lafheid' in WO-1

maandag 2 januari 2017
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.

Over de appreciatie van executies van
deserteurs en ‘lafaards’ in de Eerste Wereldoorlog

Deze blogbijdragen zijn een onderdeel van de ruimere WaanVlucht-campagne van het Brussels Brecht-Eislerkoor en vzw Vrede. WaanVlucht staat voor Waan-zin en vaandel-Vlucht. Op 22 januari brengt het Brussels Brecht-Eislerkoor een voorstelling rond desertie en oorlogsweigering in het Kaaitheater in Brussel: Say NO!. Piet Chielens, conservator van het In Flander’s Fields-museum in Ieper, komt er getuigen over desertie en de bijdrage van deserteurs. Achteraan staat meer info over deze voorstelling in een persbericht.

Ter gelegenheid hiervan laten we deze maand op deze getuigenisblog niet één iemand over zijn Say NO!-keuze aan het woord, maar via Piet Chielens kunnen we luisteren naar een heleboel bevoorrechte getuigen (citaten uit een ruimer wetenschappelijk artikel).

Over de appreciatie van executies van deserteurs en ‘lafaards’
in de Eerste Wereldoorlog

(Het volledige artikel verscheen eerder in de uitgaven van de Stichting Studiecentrum Eerste Wereldoorlog, ‘De Grote Oorlog, Kroniek 1914-1918 nr 2)

Piet Chielens

In de voorbije twintig jaar is veel te doen geweest over één van de laatste taboes in de geschiedschrijving over de eerste Wereldoorlog. De ‘executie door de kogel’ in gevallen van insubordinatie, van deserteurs en lafaards, al dan niet, ‘in het gezicht van de vijand’. Groot-Brittannië, waar in de Britse en Imperiale legers 343 militairen werden geëxecuteerd, stond lang op het voorplan in de discussie. (…) Na een onderzoek naar ruim eenderde van alle gevallen van executie in het Britse leger, is de regeringstop ten slotte tot de conclusie gekomen „....dat er geen bewijs is om te suggereren dat de veroordelingen ongeoorloofd waren of dat de beschuldigden onrechtmatig behandeld werden, bezien binnen het raam van de normen, de wetten en procedures van die tijd. Het feit dat we die dingen vandaag anders bezien, kan daaraan niets veranderen....“[7]
In onderstaand (ingekort) artikel wil ik niet ingaan op het politieke debat, ik vraag mij bij dit alles slechts af of het gegeven ‘executie’ in die dagen inderdaad wel zo ‘anders’ bekeken werd dan dat vandaag het geval is en of dit dus, hoe dan ook, wel een aannemelijk argument kan zijn in de hele discussie.

 GETUIGEN
Een eerste reden om aan te nemen dat dit niet zo is, is de stroom van getuigenissen m.b.t. executies van zowel de soldaten die erbij betrokken waren als van de toevallige toeschouwers.
Len Cavinder was sergeant in ‘D’ Company , 1st/4th East Yorkshire Regiment. Hem werd opgedragen de nacht van 27 op 28 december 1917, de laatste nacht van Pte. Charles MacColl, ter dood veroordeeld wegens desertie, met hem door te brengen in diens cel van de Ieperse gevangenis. In 1982 getuigde hij over die nacht en de gebeurtenissen van de volgende ochtend aan Dr. A. J. Peacock : „.. Ik kreeg de opdracht van majoor H. B. Jackson, de dienstdoende C.O., om Pte. __ van Brandhoek naar de gevangenis in Ieper te brengen. Hij zou er bij dageraad worden terechtgesteld. Ik wil hier hulde brengen aan de vaderlijke majoor, want hij zei: ‘....je kan hem helpen om zijn Schepper te ontmoeten, sergeant....’ Cavinders escorte was Pte. Danby van de troepen van het hoofdkwartier, een fijne man, die alle problemen die het bataljon had gekend sinds het in april 1915 aan het front kwam, had meegemaakt. In de gevangenis van Ieper zaten we met z’n drieën, Danby, ikzelf en de veroordeelde. Ik had een halve fles whisky en twee laudanumtabletten die ik hem mocht geven. Hij had thee en witbrood geweigerd (witbrood, terwijl de jongens in de eerste lijn op harde beschuit verder moesten). Ik wilde wel dat hij alle whisky zou krijgen want hij had wel in de gaten dat er iets op til was, maar wij mochten hem niets vertellen. Tegen middernacht besefte hij wat komen ging toen er een groep stafofficieren kwam aanzetten. We stonden alle drie in de houding en de hoogste officier las de doodstraf voor, ondertekend door de koning. Toen de cohorte vertrok lieten ze ons achter met een ingestorte soldaat.

De volgende paar uren waren een hel. Een anglicaans aalmoezenier kwam ons vertellen dat we buiten de cel moesten wachten omdat hij met de man wilde spreken. Ik stond bij de deur en hoorde door de tralies hoe de priester zei dat hij verdiende te sterven voor zijn zonden. Ik kon die praatjes niet aanhoren en stormde naar binnen en vertelde die sterrendrager dat ik de opdracht had gekregen om de soldaat te helpen om zijn Schepper te ontmoeten. De officier zei dat hij me zou rapporteren - wat hij nooit deed - en ik ben blij dat ik hem nooit meer ben tegengekomen. Er volgde een rustiger moment waarin ik probeerde tot hem door te dringen, om te peilen naar zijn nood op Redding voor zijn Ziel. Hij was evenwel echt door het lint. In de volgende oorlog had hij vast medische verzorging gekregen.
Wij knielden neer om samen het Onze Vader te bidden. Hoewel hortend, herhaalde hij de woorden, ik ben zeker dat God ze hoorde en aanvaardde. De gespannen situatie stopte abrupt toen twee leden van de militaire politie binnenkwamen. Ik gaf hem een hand voor zij zijn handen vastbonden achter zijn rug. Een oud gasmasker werd over zijn hoofd getrokken, gekeerd zodat hij niet door het oogstuk kon kijken, en een stukje papier werd over de hartstreek gepind voor hij werd buiten geleid voor het vuurpeloton op maar 15 yards van hem.“ [8]
„Het was iets vreselijk, weet je, om een mens te helpen bij zijn vertrek naar de eeuwigheid, of dat vertrek nu wet was of niet. Ze brachten hem net om de hoek van de cel tegen een muur, en daar stonden tien mannen van mijn peloton. Ik kende hen allen persoonlijk. Vijf knielden neer, vijf stonden recht en zodra hij voor hen stond... nee, eerst bonden ze hem nog vast op een stoel, zo was het, met zijn handen achter zijn rug op een stoel. En daar zat hij, tot een van onze officier het bevel gaf om te vuren, en dat was het.
Wat het voor Danby en mij nog erger maakte was dat, toen wij naar buiten gingen om de brancardiers te zoeken die verondersteld werden hem in het gat, dat al eerder op de begraafplaats was gegraven te gooien, dat weigerden om te doen. Ze gingen weg, en daarmee was het aan Danby en mezelf om hem van de stretcher af te halen waarop men hem had gelegd nadat ze hem hadden losgemaakt. We tilden hem op en schoven hem in de kuil. Gooiden hem erin. Het was december en de grond hard bevroren, vol ijs, ... ik kon alleen maar harde klompen klei vinden om op hem te werpen, om hem te bedekken. Ik deed de pastoor na, en zei „dust to dust, ashes to ashes“ . Maar waar wás nu die priester? Het was een heel droevige bedoening. En dan die tien mannen. Geen van hen wist of hij hem had gedood. Ze hadden hun geweren pas gekregen toen ze al klaarstonden. Vijf ervan waren met scherp geladen en vijf met een blank. Zo kon dus niemand schuldgevoelens hebben want, om het even wie van hen, had de veroordeelde kunnen doden. Dat was dat. Het was het ergste dat mij ooit overkomen is... Sindsdien, telkens wanneer ik naar Schotland met vakantie ga, en we komen in Glasgow waar er een meubelbedrijf is met dezelfde naam, zie ik het weer allemaal voor mij.“[9]

Dit getuigenis werd 65 jaar na de gebeurtenissen afgelegd. Het zou als zodanig beïnvloed kunnen zijn door een lange levenservaring die milder stemt of door de zo vaak aangehaalde verandering van de ‘zeden en normen van de tijd’. Cavinders beschrijving van zijn houding toen verschilt echter in niets van die van anderen die onmiddellijk na dergelijke gebeurtenissen getuigden.
„....In den nuchtend wordt hier aan den muur van ‘t klooster een engelsch soldaat gefusilleerd die weigerde naar de tranchées te gaan. Het zijn de eigene maten die daartoe aangesteld worden. Vele soldaten hebben reeds verklaard hoe pijnlijk hen dat valt. Er zijn er die krijschen van spijt....“[10]
Zo becommentarieert Achiel van Walleghem, onderpastoor van Dikkebus bij Ieper, in zijn dagboek de executie van Pte. William Smith, 3rd/5th Lancashire Fusiliers, die op 14 november 1917 om 6.30 u. in de weide achter het klooster van Reningelst werd geëxecuteerd. Ook André Verdonck, een 14-jarige boeren-zoon die aan de overkant van het weiland woonde, zag het macabere schouwspel en getuigde in een gesprek, zeventig jaar later, hoe hij dacht dat er na de executie nog vele zouden volgen, want: „....in de weide stonden nog verschillende gestraften, gebonden aan grote karrenwielen....“[11]
Het bleef bij die ene executie, maar dat er meer gestraften waren is vrijwel zeker. William Smith was een van drie Lancashire Fusiliers die in de nacht van 8 op 9 oktober 1917 aanwijsbaar waren achtergebleven en daarom werden gearresteerd. Smith werd als enige voor de krijgsraad gebracht om als voorbeeld gesteld te worden. De anderen kregen allicht een lichtere straf die, zonder tussenkomst van de krijgsraad, door de bevelhebber van het bataljon zelf kon worden opgelegd. Zeer gangbaar was een aantal dagen (28 dagen tot soms zelfs 96 dagen) Field Punishment No.1. De beschrijving van André Verdonck wijst duidelijk op deze straf die ook wel ‘crucifixion’ werd genoemd, omdat de gestrafte zijn straf letterlijk moest uitstaan, rechtop met de armen gespreid of naast zich vastgebonden. Het militaire handboek voorzag in het maken van een, om het even welke, omheining om de gestrafte aan vast te binden. Aan het westelijke front werden meestal de grote wielen van de G.S.wagons gebruikt.
De executie van William Smith moet gezien worden in het licht van de zwakke prestatie van zijn eenheid aan het front. Het 3rd/5th Lancashire Fusiliers, een reserve-onderdeel uit het territoriale leger samengesteld, maakte deel uit van de 197’ste infanteriebrigade in de 66’ste Divisie. Voor de aanval op 09 oktober 1917 was deze divisie toegevoegd aan het Tweede Anzac Corps dat, na weken van aanvallen aan vervanging en versterking toe was. De 66’ste Divisie echter was onervaren en helemaal niet opgewassen tegen haar taak. Slechts een kwart van de divisie-artillerie slaagde erin op tijd haar posities in te nemen voor de noodzakelijke artilleriebarrages, en met de infanterie was het nauwelijks beter. Door de zeer slechte weersomstandigheden en het volledig kapotgeschoten terrein had de tocht van 3 km, van Frezenberg Ridge naar de aanvalslijn, enkele honderden meters ten zuiden van wat nu het Tyne Cot Cemetery in Passendaele is, niet één tot twee uur geduurd, maar bijna twaalf uur. Daardoor kwam de 197’ste Brigade pas twintig minuten na de start van de aanval aan op haar positie. Door zwakke Duitse weerstand kon nog het beste van de aanval worden gemaakt, tot een tegenaanval de opmars voorgoed stopte. Het eerste van drie doelwitten die voor de aanval waren uitgestippeld werd bereikt, maar nadien zo zwak bezet dat de hele aanval zo goed als een maat voor niets werd. De volgende aanval, op 12 oktober, werd gestart op vrijwel dezelfde lijn als op 9 oktober en er werd geen beroep meer gedaan op de 66’ste Divisie.
Streng zijn voor de manschappen, middels allerhande straffen en met een executie als ultieme afschrikking, waren een niet ongewone reactie van bevelhebbers in een dergelijke crisis.
In dit bestek kunnen we niet ingaan op de omstandigheden waaronder beslist werd om een of meerdere executies te laten plaatsvinden.[12] Ik wijdde hier alleen uit om aan te tonen hoe ook een detail in een getuigenis van een kind, kan worden bevestigd (althans niet tegengesproken) door het veel ruimere perspectief en de context.
Getuigen van executies zijn precies en gedetailleerd. Toen ik kort na publicatie Putkowski & Sykes’ Shot at Dawn las, was ik verbaasd niets terug te vinden over een executieplaats ten westen van Dikkebus. Nochtans had ik bij priester Van Walleghem gelezen:
„....Op het hof van Marcel Coene liggen reeds 3 gefusilleerden. Ik heb hunne graven gezien en nievers vond ik graven die zoo wel onderhouden waren als deze. Marcel Coene vertelt mij dat de soldaten vele die graven bezoeken....“[13]
Toen ik Julian Putkowski hierop wees - het begin van een nog altijd vruchtbare samenwerking en inmiddels hechte vriendschap - gaf hij snel toe dat de, sinds het verschijnen van zijn boek vrijgegeven dossiers van ter dood veroordeelden, de priester gelijk bleken te geven. De processtukken van in 1915 ge-houden ‘krijgsraden’, kwamen vrij in 1990, na 75 jaar geheimhouding. Een aantal van de krijgsraden uit de periode na de Tweede Slag bij Ieper (22 april - 24 mei 1915) vonden plaats in Dickebusch Huts, ofwel het kamp bij Marcel Coene, zoals Van Walleghem het noemde....
Hierdoor gesteund zocht ik naar mogelijke eerste begraafplaatsen van slachtoffers. In geval van opgravingen van lichamen na de oorlog en overbrenging naar een concentratiebegraafplaats, houdt de Commonwealth War Graves Commission in veel gevallen de coördinaten van het oorspronkelijke graf bij. Zo ontdekten we niet minder dan acht graven van gefusilleerden aan de rand van het bos waarin Dickebusch Huts gevestigd was. Nog een negende geval werd gevonden op 200 meter daarvandaan, langs een pad dat liep van Dickebusch Huts naar Walker Camp, een ander rustkamp. Het lijkt waarschijnlijk dat deze gefusilleerde begraven werd op de plek waar hij werd geëxecuteerd.
Achiel van Walleghem vergiste zich allicht met enkele dagen voor wat betreft de datum van zijn notitie. Dat mag ons niet verwonderen want, hoe accuraat de priester meestal ook was, het manuscript dat bewaard bleef van dit sublieme getuigenis is een door de priester zelf geredigeerde, overgeschreven versie van net na de oorlog. Daarbij kan af en toe iets zijn misgegaan. Zijn notitie van 24 juli 1915 is niettemin zeer waardevol gebleken omdat we zo de lokatie van de graven ontdekten.
Eén van de graven bij Dickebusch Huts was dat van Pte. Evan Fraser van het 2e Bataljon Royal Scots. In 1997 getuigde de zoon van een veteraan van dat bataljon voor de camera’s van BBC Scotland’s Frontline Scotland,[14] dat zijn vader in augustus 1915 deelnam aan een erewacht die werd betrokken bij Fraser’s graf uit protest tegen diens executie. De zaak was inderdaad behoorlijk dubieus, en van Van Walleghems opmerking dat dit het mooiste graf was dat hij tijdens de oorlog zag, wijzen in dezelfde richting van onuitgesproken protest bij de makkers van het slachtoffer.
Nog een ander getuigenis geeft ons een aanwijzing van hoe een eenheid kon reageren op een betwistbaar vonnis. In het gehucht Busseboom (?) bij Reningelst, werd op 4 november 1916 Pte. Robert Loveless Barker, 1⁄6th London Regiment, geëxecuteerd.
Barker werd beschuldigd van lafheid tijdens de aanval van de 47’ste Divisie op Cough Drop (tussen High Wood en Le Sars) in de Somme op 18 september 1916. Op 28 september werd de Londenaar ter dood veroordeeld wegens lafheid, al is dat een wel er milde vertaling van de geijkte formule „...misbehaving before the enemy in such a way as to show cowardice…“ [15].
Dit proces liep ongewoon lang uit voor de toen gangbare praktijk. Dat kwam voornamelijk door de knappe verdediging, gevoerd door de - in niet zoveel processen aantredende - “ prisoner’s friend“ welke alle aanklachten tegen Barker tot ‘te verwaarlozen’ wist te herleiden. Helaas mocht dat, uiteindelijk, toch niet baten. Onmiddellijk na het proces lieten zowel de brigade-generaal als de divisiegeneraal weten dat zij geen uitvoering van het doodvonnis wensten omdat: „....een voorbeeld stellen niet nodig is in dit bataljon dat blijk geeft van een goede vechtlust en een goede discipline....“[16]
Bij het Derde Legerkorps waarvan de 47’ste Divisie op dat ogenblik deel uitmaakte, werd dit niet gepikt door de Deputy Assistant Adjudant & Quarter Master General, het hoofd van, o.a., disciplinaire zaken. De stukken werden teruggestuurd with regard to reconsideration. De divisie-generaal meende de hint te begrijpen en bekrachtigde het vonnis alsnog op 1 oktober en twee dagen later volgde, met grote tegenzin zijn brigade-generaal. Op 8 oktober mengde luitenant-generaal Pulteney zich in het debat. Hij was GOC van het Derde Legerkorps en stelde: „....gezien ‘s mans mentale toestand en de hoge gevechtskwaliteiten van het 6th London Regiment, meen ik dat geen voorbeeld moet worden gesteld....“[17] Een dag later werd zijn aanbeveling van tafel geveegd door generaal Rawlinson, bevelhebber van het Britse Vierde Leger en op 12 oktober plaatste de opperbevelhebber de definitieve handtekening ter confirmatie van Rawlinsons aanbeveling tot executie.
Hierna werd de ‘hiërarchische’ slag kennelijk nog mondeling voortgezet want het duurde nog drie weken (tot 3 november) voor de straf uiteindelijk werd bekendgemaakt en uitgevoerd.
Op dat ogenblik had de divisie de Somme al verlaten. Op 16 oktober 1916 was ze aangekomen in het achterland van het front bij Ieper. Het hoofdkwartier voor de brigade in rust was een hoeve bij Busseboom. Daar werd Pte. Barker op 4 november, alsnog, geëxecuteerd.
Nadat ik hierover een stukje schreef in een krant[18] ontving ik een brief van Dhr. Merlevede uit Ieper met het getuigenis van Cyriel Vion, een landarbeider die na de oorlog op de hoeve Merlevede werkte:
„....Cyriel Vion vertelde van een executie nabij de hofstede Deweerdt aan de Busseboom, waarbij hij toevallig aanwezig was omdat hij er werkte voor het Engels leger. Hij vertelde dat de twaalf mannen van het vuurpeloton niet op de man geschoten hebben, zodat de veroordeelde door de bevelvoerende officier, of door de militaire politie diende te worden afgemaakt. Van één zaak was hij zeker omdat militairen het hem zelf vertelden: de twaalf mannen zèlf werden voor een krijgsraad gebracht....“[19]

De hoeve in kwestie is, bijna zeker, die waar Robert Barker werd geëxecuteerd en, indien er ooit reden was tot weerspannigheid bij makkers van een veroordeelde was dat zeker in dit geval. Het vuurpeloton was samengesteld uit makkers die toch al nooit veel voelden voor een executie, en zeker niet voor een die door velen geïnterpreteerd werd als: ‘een onverdiende smet op het blazoen van het bataljon’. Bewijzen voor het voorval konden we niet terugvinden, omdat de stukken van krijgsraden waarin geen doodvonnis werd uitgesproken niet werden bewaard, maar plaats en omstandigheden liggen helemaal in de lijn van het getuigenis.

GESCHOKTE GETUIGEN
Leiden niet slechts details uit getuigenissen al af en toe tot nieuwe sporen in het onderzoek, dan heeft in ieder geval de toon van alle getuigen die ik mocht ontmoeten, mij er van overtuigd dat de ‘mores’ in tachtig jaar niet veranderd zijn. Zelf ontmoette ik niemand die er geen blijk van gaf geschokt te zijn door de gebeurtenissen waarvan hij of zij getuige was. Het leven in de frontstreek in Vlaanderen is, zonder meer, al sterk bepaald door het geheel aan gebeurtenissen in de eerste Wereldoorlog. De meest dramatische getuig-nissen echter, hebben vaak te maken met executies. In de ruim 20 jaar die ik bewust bezig ben met de geschiedenis van de eerste Wereldoorlog - maar ook reeds als kind, toen ik gewoon en toevallig botste op de oorlogserfenis - kwam ik vaak onder de indruk én werd ik geraakt door emotionele getuigenissen die, minstens impliciet, de zinloze verspilling van mensenlevens veroordeelden. Nooit vroeg ik ernaar en, uit respect voor mijn oude gesprekspartners registreerde ik ook nooit hun getuigenissen maar, telkens weer viel, naast de emotionele schok die het gebeuren had veroorzaakt, de sterke morele veroordeling op. Oude mannen van een dorp, ik zie ze nog voor mij. Ik schrijf hier hun namen piëteitsvol neer omdat ik dat ooit toch eens zo goed mogelijk zal moeten doen, wanneer ook ík het niet meer zal kunnen doorvertellen.
Julien Carton, Miel Louchaert, André Verdonck, Valère Debruyne, allen waren toen jongens, vertelden me hoe zij, i.p.v. op de schoolbanken te zitten, executies zagen. Wat begon als wat snoeverige praatjes van aardige jongens - ‘dat waren nog eens tijden’ - werden echter heel snel ontluisterende verhalen van menselijke domheid en van hun eenvoudige maar pijnlijk juiste onbegrip daarover. Martha Rosselle die voor de camera’s van de BRT in de vroege jaren 1980 getuigde over hoe zij een officier een veroordeelde zag afmaken met een revolverschot in de nek kon, toen ik haar tien jaar later wilde opzoeken, alleen nog maar wenen als zij aan het gebeuren terugdacht. En Firmin Six die pas anderhalf jaar na de gebeurtenissen werd geboren, vertelde met diep respect erover hoe, in zijn jeugd, zijn beide ouders om de zoveel tijd weer het verhaal vertelden van ‘....hoe twee soldaten, een oudere en een jongere, in februari 1915 gefusilleerd werden net achter hun boerderij in Loker. Van hoe de oudere meteen dood was, maar hoe de leden van het vuurpeloton over het hoofd van de jongere hadden geschoten, en een tweede salvo nodig was geweest....’ Een Britse ooggetuige zei dat het niet willen raken vooraf was afgesproken.[20]

RATIONALITEIT & VOORBEELD
Zijn er dan geen voorbeelden van getuigen die voorstander van de executies waren? Ongetwijfeld. Doch ze zijn een minderheid en lijken vaak geleid door klassenbewustzijn, superioriteitsgevoel of racistisch vooroordeel.
De journalist Philip Gibbs noteerde eens [21] hoe hij een officier opwachtte die aanwezig was geweest bij een krijgsraad. Toen deze kwam aangelopen zei hij, met rood aangelopen gezicht: ‘....Het spijt me dat ik je liet wachten. Maar morgen zal er weer een zwijn minder zijn in deze wereld....’ - ‘Een doodstraf?’
Hij knikte. ‘....Een verdomde lafaard. Hij zei dat hij niets gaf om geweervuur, maar niet tegen het lawaai van de granaten kon. Hij gaf toe dat hij zijn post verlaten had. Geweervuur kan hem niets schelen... Wel dan, morgenochtend...’ „[22]
In sommige commentaren van de hogere officieren die de vonnissen confirmeerden, werd even grove taal gebruikt. Veroordeelden werden ‘minderwaardig’ genoemd, en ‘gedegenereerd’, ‘nietsnutten’, ‘rotte appels’, ‘waardeloos’. Hen uit de weg ruimen was ‘een zegen, voor de discipline in de eenheid, maar ook voor de kwaliteit van het leger’. Executeren wordt in dergelijk perspectief als het ware een daad van rasverbetering.[23]
Wie denkt dat dit een subjectieve indruk is, kan objectief de koppen tellen[24]. Wie ter dood veroordeeld werd in het Britse leger had één kans op negen dat die straf ook tot bij de opperbevelhebber geconfirmeerd werd en derhalve ten uitvoer gebracht. De hele oorlog lang werd een ongeveer zelfde ratio aangehouden: nagenoeg constant in de tijd werden ca. 11,5 % van de uitgesproken doodstraffen geconfirmeerd en uitgevoerd. Het lijkt sterk op een managementbeslissing, een handige ratio om de zaak onder controle te houden. De doodstraf als voorbeeld, ‘pour encourager les autres’ zoals in het napoleontische leger al werd gesteld. Dat dit ver verwijderd is van elke rechtsgrond, waarbij een straf in relatie hoort te staan tot het misdrijf en de individuele omstandigheden en niet tot een of ander rationeel managen van de discipline in een leger, hoeft geen betoog.


RATIONALITEIT & RACISME
Maar dat dit alles alleen met rationeel management te maken had, is allerminst waar. Van de ‘gouden ratio’ klopt niets meer als we uit de totale populatie de kleurlingen en niet-Europese troepen afzonderen.
23 zwarten werden ter dood veroordeeld: 8 Jamaicanen (British-West-Indies- Regiment), 12 West-Afrikanen (Gold Coast, West African, Nigerian Regiments) en 3 zwarte Zuid-Afrikanen (Cape Coloured labour Regiment). Twaalf of bijna de helft van hen werden geëxecuteerd. Trekken we van dat totaal de moordzaken af, die in het Burgerlijk Recht wellicht ook op een doodstraf waren uitgelopen, dan resten zeven gevallen, of nog ruim 30%. Muiterij werd bij troepen onder de wapenen die, m.u.v. kroonkolonie India, alle van Europese afkomst waren, maar twee keer met een executie bestraft. Eénmaal na een opstand van gevangen Britse militairen te Blargies met een dubbele executie op 29 oktober 1916, en éénmaal voor de opstand in Étaples bij de infame Bull Ring, het grote trainingskamp, in de herfst van 1917. Hierbij werd één oproerkraaier geëxecuteerd. Bij eenheden van niet-vechtende arbeidskrachten van niet-Britse origine werden zonder veel omhaal nog eens twaalf muiters doodgeschoten (Egyptian labour Corps, Slavo-British Penal Battalion). In het Indische leger, zowel aan het westelijke front, als in Mesopotamië en India, was de discipline veel strenger dan bij troepen van Europese afkomst. Hoeveel Indische sepoy er stierven door een vuurpeloton is niet bekend omdat het Indische leger hiervan geen archieven bijhield. Wat muiterij betreft weten we wel dat een opstand van de 5th Light Infantry van het Indische leger in Singapore in februari 1915 resulteerde in enkele van de grootste massa-executies van de oorlog[25]. In 1920 muitte ook het 1’ste Bataljon van de Connaught Rangers, een Iers regiment, toegevoegd aan het Indische leger. Eén van de muiters werd als voorbeeld gesteld.
Dat dit een Ier was lijkt geen toeval.

(…) RATIONALITEIT & ONBEGRIP


Indien het niet de eenling was of de, wegens racisme en vooroordeel verguisde, dan was het wel de zwakke of de zieke. Uit The Times, van 19 december 1917:
Gevraagd door Mr. Chancellor (Haggerston, M.P.) of soldaten die aan shell shock leden niet, zonder voorafgaand medisch onderzoek, werden geëxecuteerd als lafaards, zei Mr. Macpherson: „....Mij is nog nooit een dergelijk geval ter ore gekomen, en ik daag het achtbare lid van dit parlement uit om mij één geval te tonen waarin een soldaat werd geëxecuteerd zonder eerst onderzocht te zijn geworden door een arts vooraleer hij berecht of doodgeschoten werd...’ (hear, hear!)“
Omdat de „achtbare leden“ van het Britse Lagerhuis over minder informatie beschikten dan ik nu, veroorloof ik mij een paar gevallen aan te halen tegenover de achtbare vertegenwoordiger van Zijner Majesteits ministerie van oorlog.
In amper 25 gevallen van de 322 executies die werden uitgevoerd op het Westelijk front werd een medisch onderzoek ingesteld of werd er, tijdens het proces, enig bewijs van medische aard naar voren gebracht. Nochtans werd door de beklaagden in niet minder dan tachtig (1⁄4) gevallen een psychisch argument aangehaald: „...ik voelde me niet goed...“, „...ik weet niet meer wat ik deed...“, „...ik ben sinds korte tijd zeer nerveus....“ etc. In de ca. 100 gevallen van de Ieper Salient heb ik bij zestien een ernstig vermoeden van shock of psychische stoornissen. Slechts vier kregen een medical. Maar misschien kan ik de dokter beter zelf aan het woord laten.

RATIONALITEIT & CONFORMISME
Het voltallige Canadese Legerkorps verbleef in de eerste helft van het jaar 1916 in Vlaanderen, in het achterland van het front bij Ieper. De drie divisies hadden hun rustkampen ten zuiden en ten westen van Poperinge, in Reningelst, Abele en Boeschepe. In de meisjesschool van dat laatste Frans-Vlaamse plaatsje was de arts Frederick Walter Noyes verantwoordelijk voor een klein hospitaal ‘for self inflicted“. Mannen die zichzelf verwond hadden om aan de verschrikkingen van het front te ontsnappen. In een orderly room er tegenover werden na de Slag van Mount Sorrel (2 - 16 juni) hadden ‘krijgsraden te velde’ hun zittingen. De Ier James Wilson en de Quebecois Côme La Liberté werden er gevonnist.
„....Tegenover het schoolgebouw lag een barak waar krijgsraden werden gehouden en we denken met spijt terug aan een aantal scènes die ons ziek maakten van afschuw en met horror vervulden. Het leek ons dat veel van de arme drommels die daar voor hun militaire rechters verschenen weinig meevoelend werden verhoord door de officieren die aangewezen waren om hen te berechten. Wij vroegen ons af of er ooit over nagedacht werd dat een gevangene een vrijwillig soldaat was, die zich in veel gevechten moedig had gedragen tot hij niet langer controle had over zijn fysische en psychische reacties. En dat hij nu nog slechts een fysisch en mentaal wrak was na vele maanden van uitputtende loopgravenoorlog. We vroegen ons af (en doen het nog steeds!) wat sommige van die weldoorvoede, comfortabel gelegerde en almachtige gerechtelijke officieren zouden hebben gedaan, indien zij dezelfde tragische gebeurtenissen hadden moeten doorstaan als hun gevangenen. Verplicht waren geweest hetzelfde te eten, dezelfde zware opdracht hadden gekregen om loopgraven of onderaardse schuilplaatsen te graven, of dezelfde zware lasten tijdens lange marsen hadden moeten torsen op weg naar het front. Afhankelijk waren geweest van dezelfde portie rum, af en toe, in plaats van de altijd aanwezige fles Scotch binnen handbereik uit de ‘Voorraad voor Officieren’, en in het algemeen al de onnoembare, afstompende feiten hadden moeten ondergaan die alleen voor de ‘gewone soldaat’ waren voorbestemd.
Al te vaak werden wij dokters, geroepen om een post mortem op te stellen van een of andere jongen die wegens desertie was doodgeschoten. De zoon van een moeder, een jongeman die zich gemeld had om te vechten voor het ideaal van alles wat goed en nobel en rechtvaardig was, en dat dan ook had gedaan tot zijn geest en lichaam het hadden laten afweten. Er was toch vast wel een andere manier te bedenken dan hem, in koelen bloede, te laten doodschieten door zijn eigen makkers. ‘Gefusilleerd wegens desertie’ was het oordeel waarmee het hof zo’n zaak afsloot, maar wij vragen ons af of de correcte formulering niet beter geweest ware:’Vermoord, door het Pruisendom in ons eigen leger....’!
We denken dan in het bijzonder terug aan een jonge infanterist, nog geen twintig, die voor desertie werd doodgeschoten. Een jongen van het veldhospitaal die stond te wachten om het lichaam van een geëxecuteerde weg te brengen, werd misselijk en probeerde om niet bij de eigenlijke executie te moeten blijven. De officier van het vuurpeloton dwong hem, onder de bedreiging van een strenge straf, om toch te blijven kijken naar de vreselijke dood van het arme slachtoffer. De aalmoezenier die bij de veroordeelde gebleven was in zijn laatste uren, was vele uren later nog altijd buiten zichzelf. Een broer van de geëxecuteerde diende in dezelfde eenheid. Zijn reactie op het proces en executie moet verschrikkelijk zijn geweest.
Men zou kunnen aanvoeren dat deze officieren/rechters zelf het slachtoffer waren van de militaire machine. Dat waren ze in grote mate ook - maar hun rang impliceerde toch ook een zekere dosis bereidheid om op te treden als officier in een gerechtszaak en om zich te schikken in de verdicten van deze krijgsraden.“[30]
Dit, wat pompeus gestelde maar keiharde oordeel van een medeofficier legt bij uitstek de kritiekloze inschikkelijkheid bloot van het conformisme aan het systeem, van het overgrote deel van de officieren bloot. Dat jonge officieren moesten bewijzen dat ze een krijgsraad aankonden blijkt uit verschillende getuigenissen [31]. Het was een teken van klaar zijn voor hogere opdrachten, voor promotie. En daarom bevestigden de laagste officieren, die na de verhoren altijd het eerst aan het woord waren bij de beraadslaging over schuldvraag en strafmaat, ook meestal het veronderstelde oordeel. Als dat eenmaal gebeurd was, diende de voorzitter van het hof, meestal een majoor of kolonel, het vonnis nog slechts te confirmeren. Tot alle vonnissen diende men dan ook in unanimiteit te komen. In een bijzonder groot aantal zaken werd niet eens een officier gevonden die wilde optreden als prisoner’s friend. Tot 1918 zijn de gevallen waarin zo’n advocaat van de verdediging ook voluit opkwam voor zijn ‘cliënt’ te tellen op de vingers van één hand.
Maar intussen zal het niemand van de weldoorvoede bevelvoerders, zeer vaak toch intellectuelen van de bekendste universiteiten of public schools van het Imperium, ontgaan zijn dat dit ultieme ritueel van de discipline niet hielp, nog voor geen stuiver.

(…) „We zouden het verleden moeten laten rusten,“ schreef John Major aan M.P. Andrew MacKinlay tien jaar geleden.[35] Als we tot een echt en onthecht(boven de partijen staand?) begrijpen willen komen, moeten we precies het omgekeerde doen.

PERSBERICHT

SAY NO! een eenmalige documentair-artistieke, multimediale voorstelling, inclusief live-interventies, op 22 januari 2017 om 15 uur in het Kaaitheater (Brussel)

Stel: er is oorlog en niemand daagt op .. (vrij naar Carl Sandburg, 1936)

Precies toen de Vlaamse overheid in 2011 begon met de plannen voor een grootscheepse herdenking van Wereldoorlog I, vatte het Brussels Brecht-Eislerkoor het idee op om op zoek te gaan naar concrete vredesstrategieën : oorlogsweigering en desertie. Het project werd van in het begin gedragen door de zangers van het Brussels Brecht-Eislerkoor in samenwerking met Vrede vzw.

Zo ontstond Waanvlucht – denk daarbij aan de waanzin van en het vluchten voor de oorlog – een opus dat gemakshalve werd ingedeeld in Waanvlucht I en Waanvlucht II.

Aan het eerste luik (eind 2014) namen negen koren uit Brussel, Vlaanderen en Wallonië deel. Het trok een lijn van verzet vanaf de klassieke oudheid, via de Renaissance naar het heden. Prozateksten en liederen werden door de Amerikaans-Brusselse componist Frederic Rzewski vertoond, uiteraard in een hedendaagse zetting, maar met een grote empathie voor de oorspronkelijke teksten.

En nu het kroonstuk : Say NO! en het Internationale Lied van de Deserteur !

Op 22 januari 2017 volgt WaanVlucht deel 2 en treedt Say NO! naar buiten met het Internationaal Lied van de Deserteur. Je kan het best omschrijven als een documentair-artistieke, multimediale voorstelling met live-interventies van drie koren en van prop builder Laura Vandewynckel. Ook deserteurs van voorbije en huidige conflicten krijgen het woord.

30 koren en zanggroepjes van over de hele wereld hebben meegewerkt. Enkele groepen namen het lied Say NO! op, andere stuurden een anti-oorlogslied uit eigen repertoire in. Elke inzending bestaat uit een video die in de voorstelling wordt verwerkt.

Later worden de inzendingen van alle koren tot aparte videoclips gemonteerd die vanaf februari 2017 samen ‘The Wall of the Deserter” op www.sayno.be zullen vormen.

Uiteindelijk wordt het geheel verwerkt tot een internationaal monument voor de deserteur waarmee op tournee kan worden gegaan.

Concreet :
1) 22 januari 2017 om 15u documentair-artistieke, multimediale voorstelling met live-interventies in het Kaaitheater
2) een Wall op internet met een videoclip van alle wereldwijde koorbijdrages (februari 2017)
3) een video-installatie die als digitaal ‘monument van de deserteur’ kan rondreizen (inhuldiging april/mei 2017 in GC De Markten)









Eindnoten 

(…)   [7] Mrs. A.E.Fairbairn, Ministry of Defence, brief in antwoord op vraag van Mrs. A.Armstrong uit Sunderland, 24 april 1997.
[8] Len Cavinder, neergeschreven getuigenis, gepubliceerd in Gunfire No.1 (York) [het magazine van de Northern Branch van de WFA], bezorgd door A.J.Peacock, 1984.
[9] Interview Len Cavinder met A.J.Peacock, gepubliceerd in Gunfire No.1 (York), bezorgd door A.J.Peacock, 1984.
[10] Achiel Van Walleghem, manuscript van zijn oorlogsdagboek, In Flanders Fields Museum, Ieper.
[11] Gesprek André Verdonck met Piet Chielens, 1984.
[12] Unquiet Graves, een studie van 75 gevallen van executie in de Westhoek van Vlaanderen die ik momenteel voorbereid met Julian Putkowski, zal uitgebreid ingaan op deze omstandigheden.
[13] Achiel Van Walleghem, manuscript van zijn oorlogsdagboek, ingang bij zaterdag 24 juli 1915, In Flanders Fields Museum, Ieper.
[14] BBC Scotland, Shot at Dawn, documentaire in de reeks Frontline Scotland, Dorothy Parker, producer, 1997.
[15] Processtukken in het Public Records Office, Kew, ref. WO71⁄507.
[16] Idem.
[17] Idem.
[18] Piet Chielens, Bekrachtigd, genoteerd, uitgevoerd - over Britse executies tijdens WO1, De Standaard Magazine, 12 november 1993.
[19] M.Merlevede, brief aan Piet Chielens, 15 november 1993, verzameling van de auteur.
[20] Over deze dubbelexecutie zie ook Piet Chielens & Julian Putkowski, Guide Book / Gids: Unquiet Graves / Rusteloze Graven, pp.22-23, Francis Boutle Publishers, 2000.
[21] Mijn vermoeden is dat het hier gaat over de executie van Pte. William Jones, 9th Royal Welsh Fusiliers, die op 25 oktober 1917 te Loker werd gefusilleerd.
[22] Philip Gibbs, Realities of War, p.46, 1920.
[23] over executies en eugenics, zie vooral het werk van Dr. Gerard Oram, Worthless Men, race, eugenics and the death penalty in the British Army during the First World War, Francis Boutle Publishers, 1998.
[24] Wij baseren ons voor deze tellingen grotendeels op de lijsten van Oram en Putkowski: Gerard Oram, Death Sentences passed by military courts of the British Army, 1914-1924, 1998. Daarbij nemen we telkens maar de periode van de oorlog zelf, 4/8/1914 - 11/11/1918, in rekening.
[25] Ian Jones schrijft in Mutiny in Singapore, 15-20 February 1915, uit 1996, dat verschillende groepen muiters, allen lid van de 5th Light Infantry, werden geëxecuteerd; de grootste groep bestond uit 22 ter dood veroordeelden.
(…) [30] Frederick Walter Noyes, Stretcher bearers... at the double. The history of the Fifth Canadian Field Ambulance which served overseas during the Great War of 1914-1918. Toronto, 1937, pp.112-113.
[31] Deze problematiek werd treffend verwerkt in het toneelstuk Early One Morning van Les Smith. De auteur maakte een historisch nauwgezette reconstructie van het proces tegen en de executie van Pte. James Smith, 17 King’s (Liverpool) Regiment, Shot at Dawn, Kemmel, 5 september 1917.
(…) [35] John Major, Conservative, brief van 10 februari 1993 aan Andrew MacKinlay. [5] Dr. John Reid, rapportering voor het Britse Lagerhuis, 24 juli 1998.

Drs.P.Chielens studeerde economische en communicatiewetenschappen aan de KU te Leuven. Hij is coordinator van het ‘In Flanders Field Museum’ te Ieper en artistiek directeur van ‘Vredesconcerten Passchendaele’ en auteur van een aantal boeken.

Bron-URL: http://www.ssew.nl/normen-tijd