about
Toon menu

Exit 2018, Vijand van mijn klo*ten

zaterdag 29 december 2018
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.

Toen ik in de bijlage van De Standaard las hoe de gewezen functionaris van de overheid stammende uit Lubbeek en dienst doende als werkpaard van zijn zeer Vlaamse partij in een interview gegeven in een park stelde “Ja, wij zoeken overal vijanden”, klikte er iets in het raderwerk van mijn bovenkamer. Intussen is dat begrijpen wat meer gefocust geraakt, en zie in talige termen de lichte herkenning en de grote afkeer die ik toen tot in mijn lever voelde.

Herkenning, die was er nadat ons als vrij student van het vak World Ethnography van René Devisch, na ons afstuderen in 1988, duidelijk was geworden hoe in elke beschaving elk beroep op een bepaalde spirituele manier bijdraagt aan de geest van een gemeenschap. De medicijnman die helpt zielen gezond te houden, de handwerkers die voorwerpen maken en herstellen, de handelaars die verhandelen en reizen, de koks die het lichaam gezond houden, en last but not least, de krijgers. “De strijder, de gewapende man, de soldaat, die neemt iets over van de geest, van de aard van de vijand die hij neerslaat en overwint”, zo leerde ons de antropoloog. Meteen wist ik hoe waar die merkwaardige boodschap wel was; als kinderen hadden wij vaak gevochten op de speelplaatsen van de scholen die we bezochten. De sensatie van de cocktail van emoties, waaronder triomf en zelfbewustzijn, trots over je kracht, de hoop door die sterkte en moed voor altijd veilig door het leven te gaan, maar ook twijfel en schuldgevoel… wanneer je zoveelste vijand na het gevecht afdruipt met een bloedneus… Dat vergeet je niet. En zo begrijp ik dus ook dat je van je vijand iets overneemt, iets dat moeilijk te benoemen is. Misschien een stuk levenskracht. Een beetje viriliteit. En een zekere tristesse, een stukje wereldbeeld zelfs.

Aan sommige “vijanden” maak ik mij liever niet vuil. Anderen zal ik juist opzoeken, ze lichtjes  uitdagen. Om in the end of the day, na het gevecht, een beetje meer te kunnen geworden zijn zoals zij.

Die jaren in de lagere school, ik zou er uren kunnen over vertellen. In een volgend leven, als dertiger, merkte ik mutatis mutandis een gelijkaardig proces op toen ik steunende en soms leven reddende gesprekken voerde aan de telefoon voor de algemene hulplijn Tele-Onthaal (bereikbaar op nummer 106). Ik nam soms merkbaar een stuk van de wanhoop en de tristesse over van de beller of belster. Dat viel op als ik na een half uur of na een uur en tien minuten, de hoorn weer neerlegde, na een afscheidswoord van beide partijen. De grootste beloning bestond er in dat de beller op het eind zegde: “Bedankt voor het luisteren”. Want wij vrijwilligers wisten dat luisteren een heel actief soort werken is. En dat raad geven vaak niet aankomt, het is het ontvankelijk en op nabije manier luisteren wat het meest werkzaam is bij het revitaliseren. Op een dag merkte ik na een gesprek met een persoon van in de zestig die zware hartklachten zegde te hebben, dat ik door een uurtje te luisteren naar de gespannen taal, de dwingende woorden, de angstige en toch wilskrachtige woorden, zelf een gespannen gevoel had gekregen in de hartstreek. Dat zijn magische momenten, maar ook zo vervreemdend. Op zo een moment besef je dat er méér bestaat dan je in de media en zelfs in de colleges en klassen kan leren, dan wat er bekend is aan de mensheid. Toen die klamme hand zich op mijn hart legde tijdens het gesprek had ik maar kunnen volhouden met aandachtig luisteren door het besef, binnen een uur is dit gesprek voorbij, en op die tijd zal mijn hart het wel niet begeven.

De N-VA en haar stijl… Er is dus iets voor te zeggen. Wat mij echter zo verkeerd lijkt, is dat zij hun vijanden op zulke ondoordachte, primitieve manier kiezen. Met zo veel veralgemening. Zij maken op brute, absolute wijze abstractie van de schittering in de ogen, de kleur van de stem, de mooie nunace in het bruin of geel van de huidskleur, het hele karakter, de opleiding, de hele jeugd, kortom de mens achter de mens van “de vreemdeling”. Daar kan ik nooit in meegaan.

Ook op dit vlak mag ik beweren te spreken met kennis van zaken: een paar duizenden mensen, misschien wel meer dan tienduizend, heb ik zien passeren in de zes of zeven jaar dat ik front desk werk heb gedaan voor het Vlaams Agentschap Inburgering en Integratie. Een onthaalfunctie, alle bezoekers passeerden voor mijn ogen, op dinsdag avonden. Ik heb daar vooral mooie, dankbare en gemotiveerde mensen gezien. En ik doorzie daarom hoe het mechanisme werkt dat de N-VA voor haar kar spant, en waar zij electoraal winst mee hoopt te genereren. De meeste stemmen tegen de vreemdelingen, om zo te zeggen, komen uit dorpen waar de Vlaamse inboorlingen nog nooit een mens uit een ver land hebben tegen gekomen op straat, laat staan er mee hebben gesproken, of de ander mens hebben leren kennen.

De N-VA is of was bezig met een sluwe maar valse mega manipulatie.

Wat is het verschil? Ik ben zelf nooit een goed gevecht uit de weg gegaan. Na mijn twaalfde heb ik  nog zelden of nooit iemand gevloerd met de vuisten. En buiten mijn jachtstage in Hertogenwald in 1994 en mijn winterse vossenjacht in 1998 heb ik niet veel dieren gedood. Maar de natuurlijke strijdbaarheid heeft zich op beschaafde manier aan het debatteren gezet. Zowel in face to face ontmoetingen als in debatten op sociale media en in eigen columns en essays, heb ik mijn gedacht gezegd, mijn hart uitgesproken, en heb ik onwetendheid of laaghartigheid met het nodige vuur bestreden.

Ik vind, je moet je vijanden goed kiezen.

Veel mensen lijken me te lopen met rancune, met oude boosheid, die ze gaan richten op third parties omdat ze liever niet op de man spelen. Jorissen die het aan de stok hebben met de vrouw thuis, gaan toeteren op chauffeurs op de baan. Hans(worsten) die lijden onder de werkdruk die hun baas zelf onder druk van de aandeelhouders “menselijk verantwoord” acht, geven hun zoontje van acht in de avond een mep. Vanessa’s halen het bloed onder de nagels van hun man, omwille van onuitgesproken kwaadheid naar… Je kunt de lijst oneindig invullen.

Helaas heb ik geen wonder recept. Ik durf en kan en mag niet zeggen: doe zoals ik. Want dan kom je op een andere manier gelijk in nesten. Zo heb ik tot drie maal toe een persoonlijk gesprek gevoerd met de directeur, een grote, zwaargebouwde man met een brilletje met ijzeren montuur en licht gekromde neus, van de katholieke school in Zaventem, ZAVO, toen ik daar een interim opdracht waarnam en aan de jongens van metaal & elektriciteit trachtte Godsdienst onderricht te geven, en over depressie sprak in de Grieks-Latijnse. In bepaalde klassen had ik met veel succes gebruik gemaakt van het boekje “Tien keer over de eerste keer”, dat mooie kortverhalen brengt over jonge mensen die de eerste keer vrijen, of net niet. Bepaalde meisjes met hoofddoek vroegen mij na tien regels voorlezen smekend te stoppen. De leraars die de klas na mijn uur les gaven, hadden het soms moeilijk gehad met de manier waarop die jonge mensen plots bruisten van leven. Een en ander was de directeur ter ore gekomen. Hij pleitte: gebruik zo een boek beter niet, toch?” Maar ik pareerde, ik ging de directeur op fatsoenlijke wijze als mijn beste vijand te lijf. “Het thema staat in de leerplannen en eindtermen, en de teksten zijn geschreven voor deze leeftijd, mijnheer”. Drie keer ben ik over telkens een ander punt in gesprek gegaan met die ervaren school bestierder. Zonder de waarheid geweld aan te doen: drie keer merkte ik tot mijn niet geringe verbazing, is die man een dag of twee, drie weggebleven van school. De directeur meldt zich ziek. Mijn aanpak van het opvoedingsproject en de uitleg  die ik daarvoor in woorden had en had uitgesproken, noopten de man blijkbaar tot retraite, tot bezinning. Een begrijpelijk en minder bedoeld gevolg was echter dat de directeur mij ten slotte duidelijk maakte: u mag uw interim afwerken, maar daarna ga ik u niet meer vragen.

Dat is de consequentie, het gevolg: als je de “beste” vijanden van katoen geeft tijdens je levenstraject, dan ga je vaak opnieuw moeten beginnen. Ik heb wel vijftien beroepen uitgeoefend op een veertigtal locaties en een mooi aantal relaties op de sporen gezet.

Uit elke confrontatie met wie zich als “vijanden” aandiende, ben ik versterkt uitgekomen, meer mezelf, meer authentiek mens. Maar ik kan het niet als gouden middenweg aanraden, zulke persoonlijke politiek, want ik ben heel vaak door de woestijn moeten gaan. Langere weken heb ik op de blaren moeten zitten, zoals het spreekwoord zegt. De eenzaamheid leek vaak ondragelijk te worden. De twijfel over mezelf evenzeer.

Na vier, vijf decennia op die manier het stuur van mijn levensbootje te hanteren, zijn we echter in rustiger vaarwater aangekomen. En ik heb er geen spijt van dat ik tijdens de jongere jaren ook dat soort gedreven, avontuurlijke, lichtjes riskante leven heb geleid. De Japanse cultuur heeft daar gerede wijsheden over: tijdens elke levensfase dient een mens een bepaald gedragspatroon te volgen. Als je twintig of dertig bent, moet je de vleugels uitslaan, dan past het niet voortdurend op de rem te zitten en op veilig te spelen.

En ik heb dan misschien geen groot fortuin bij elkaar verdiend, en geen mooi groepje kinderen grootgebracht in eigen huiskring, er zijn een aantal dingen die  mij veel voldoening geven. Zoals het bewustzijn dat ik mijn leven niet heb gebouwd op de rug van onschuldige anderen die ik tot gemakkelijk slachtoffer, tot valse vijand heb gekozen.

In deze laatste uren van het jaar achttien, in mijn 56ste winter, begrijp ik ook plots waarom ik de (woorden)strijd met bepaalde figuren bij uitzondering niet heb gezocht. Met mannen als Karel Verleyen, Karel Verhoeven, Karel De Gucht, Rik Torfs, Mark Eyskens, Marc Reynebeau, Mark Vandevoorde en vele anderen en met madammen als Tessa Vermeiren, Kristien Hemmerechts, Bianca Debaets, Alicja Geskienska en Margot Vanderstraeten heb ik geschreven kritische dialogen gevoerd  in brieven en in stukjes, en op gezegende dagen kwam ik graag op om op een publiek forum de degens te kruisen. Sommige tegenstanders waren naar aanvoelen van mijn ziel echter zo akelig, dat ik wel eens  op de betrokken Facebook pagina kritieken schreef, maar dat ik de zaal verliet waar zij binnen kwamen. Dat is zo geweest met Guy Verhofstadt en recenter met de man uit Lubbeek die zichzelf obsessioneel voor de kar van zijn partij had gespannen, tot hij een van de belangrijkste factoren werd dat die partij en hijzelf niet meer mochten mee regeren. Met een bepaald genie wil je liever niet besmet worden.

Een van de beste boeken, romans van vorige eeuw, dat ten onrechte wat vergeten is, heeft als titel “In de ban van de tegenstander”. Het is een levendig verhaal met fictieve personages die allerlei dingen doen en beleven tijdens de opgang van Adolf Hitler en de oorlogen die hij ontketende. In de vijf woorden van die titel schuilt veel wijsheid. Zelfs als je erin slaagt je tegenstanders goed te kiezen en ze te respecteren, ze op waardige wijze te bekampen, kan je er zozeer van in de ban zijn, dat je niet meer toekomt aan het uitwerken van een eigen visie op heil en geluk, en ook niet aan het realiseren ervan. Mijn eigen traject is er vaak eentje geweest zonder veel planning, in tegenstelling met het traject van een Frank Sinatra bijvoorbeeld, ten minste als we de opgepoetste woorden in het prachtige lied “My Way” mogen geloven. Hij spreekt van “each planned step, each charted course”. Ondanks een ingeboren vindingrijkheid, heb ik mij vaak moeten toeleggen op  het blussen van brandjes om mij heen, zoals het opnemen voor de eer van de jager, als de vooroordelen zijn figuur weer eens dreigden te overwoekeren, of het bijstaan van buren, die vastliepen in een netwerk van sociale handicaps, onwetendheid en slechte vrienden en dito gewoonten. Het kan aan de winterse sfeer liggen, maar de laatste tijd ga ik minderde strijd aan. Ik geniet van de stille dialoog met de kaarsen in mijn huiskapel. Ben ik dom als ik vermoed dat ik door op die manier te gaan leven, niet minder de vrede in onze gemeenschap bevorderen zal dan door scherpe brieven en columns te publiceren? Ik ga de gok wagen, want deze stijl doet deugd. En slimme mannen en vrouwen beweren het al langer: de eerste opdracht van ieder mens, is om goed voor zichzelf te zorgen. Schrik dus de komende tijd niet als je me in straten of pleinen ziet gaan zonder dat ik je opmerk, aankijk of een gesprekje begin.

Voorlopig blijf ik schrijven voor De Wereld Morgen, een van de meest geëngageerde, kritische en strijdbare nieuws sites.

Het schrijven helpt mij de grote rolkei die filosofen hebben genoemd “het Menselijk Tekort” uit de weg te duwen. Dat speelt mij geregeld parten, ook al heb ik daar niet vaak over bericht in de stukjes. In de lijn van onze moeder breng ik gewoonlijk boodschappen waar je mee verder kan, getuigenissen van eigen successen en verhalen van problemen waarbij een beroep op onze talenten de dingen ten goede hebben gekeerd. Voorbeelden als columniste Hilde Van Mieghem en Hugo Camps tonen dat wat menselijke kleinheid door je zinnen draaien, ook heel goede lectuur kan opleveren. Lezers kunnen zich dan beter identificeren.

Laat mij toch in de beproefde stijl dit stukje en het jaar 2018 eindigen en wijzen op een schone vrucht die mijn literaire zwervers leven, waarbij ik nooit meer dan één maand door het jaar van mijn pen heb kunnen bestaan, mij heeft opgeleverd. Niet alleen woon ik sinds precies twee jaar in een half huisje met tuin in een rustige buurt, iets dat me wellicht ook toeviel dankzij mijn brieven aan de betrokken overheden, teksten die in heldere taal de wantoestanden wisten te beschrijven die ons tot eind 2016 plaagden elke verdomde dag door het jaar. En er is meer. Toen ik laatst nog eens in een ongelukkige bui opsomde welke zegeningen mij allemaal tot op vandaag zijn ontsnapt, terwijl miljoenen anderen er van het genot kennen, troostte een bejaarde maar wakkere vriend mij op doeltreffende manier door te stellen: “Ik vind dat jij jouw stem toch zeer goed laat klinken”. En hij voegde eraan toe: “Jij hebt geen kapitaal en geen nakomelingen, maar niet getreurd, jij hebt jouw Persoonlijkheid”. En hij preciseerde dat die mij toelaat geregeld fijne ontmoetingen te doen met mensen en vrienden te maken. De laatste jaren is bij de reeks vruchten van de gemaakte keuzes, wie wordt het lief en wie de vijand, nog iets komen voegen: een geregelde, deugddoende ontmoeting met de Vader van het Heelal. God en ik zitten, liggen, staan en wandelen graag samen. Wie kan dàt tegenwoordig zeggen?

Een verfrissend eindejaar en een fijn en heuglijk nieuw Jaar!

Stef Hublou