about
Toon menu

De slimste mens, verkiest 'de sterkste drank'. Over de latente angst waarin kansarme kinderen leven.

zondag 23 december 2018
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.
  • Jong en oud. Valea Seaca, via Flickr

Een pleidooi voor een enthousiast overheidsbeleid van steun aan minder welvarende gezinnen.Ook elke persoon draagt hier verantwoordelijkheid.

Gisteren las ik bij het doornemen van de kranten een titel die me aan het denken zette. De man die dezer dagen niet weg te branden is uit de nieuwsstroom omdat hij op spectaculaire manier “De slimste mens” heeft gewonnen, en daarbij een buitengewoon slimme vrouw heeft onttroond, laat in een interview weten:

“Dat ik kon winnen, is ook omdat ik vier maanden geen bier heb gedronken”.

Haha. Het is eigenlijk ver gekomen met onze gemeenschap, dat een superheld daar even moet op wijzen, hoe een zeer beperkt gebruik van bier, wijn en sterke drank je toelaat bijzonder helder te denken. In een flits maakte ik een associatie met de waarderende opmerking die Margot Vanderstraeten, de schrijfster van Mazzel tov, het boek dat intussen bijna tien procent van de Vlamingen heeft gelezen, mij schreef in de lente: “Ik sta versteld hoe jij erin slaagt zo veel te lezen, zo veel na te denken en zo veel helder te formuleren”. Vanderstraeten had op dat moment een jaar of drie mijn blogs gelezen, de frequentie daarvan was inderdaad vrij hoog geworden, surfend op de energie van de lange zomerdagen, naar bijna drie per week. Haar lieve uitspraak stelde mij voor een interessant probleem: ik herkende de juistheid van die opmerking, maar ik kreeg niet meteen gefocust hoe dat mogelijk was. “Zelfkennis is lastig, we krijgen onszelf niet in beeld”, zo stelde Mark Eyskens het nog toen ik hem op de eerste van deze maand een bezoek bracht. Na het lezen van de geheelonthouders uitspraak van Peter Vande Veire, is dat mysterie weer een beetje opgelost.

Het is inderdaad niet evident, in dit stukje wereld en in dit tijdperk, het glas te laten staan. Zelfs in bepaalde uiterst gedisciplineerde, van de mondaine wereld afgeschermde en eerbiedwaardige kringen zoals kloosters en abdijen van strenge obediëntie, blijkt het de gewoonte elke dag minstens één glas wijn te nemen. Sinds een jaar ben ik abonnee van “De Kovel”, het “Monastiek tijdschrift voor Vlaanderen en Nederland”. Dat is magische lectuur, de geest die de pagina’s en foto’s uitstralen is danig tegengesteld aan de consumptie- en fun cultuur die elders vaak gedijt. Ik vind in die boekjes verwonderlijk veel innerlijke vrede, de artikels gaan naar de diepte zonder zich om sensatie te bekreunen. In de beschouwingen geschreven door trappisten, Benedictijnen en Cisterciënzers, mannen en vrouwen, kwam ik onlangs in contact met het bestaan van de merkwaardige gewoonte dat zelfs de meest strenge orden, die bijna niet spreken, vele uren in de eigen kleine kamer, de cel doorbrengen, en op heel regelmatige tijdstippen dezelfde rituele handelingen doen, zoals door de weidse gangen naar de kapel trekken in de kovel met puntmuts om te bidden en psalmen te zingen… dat die mensen dus een stevig glas rode wijn op het menu hebben staan in de avond. Voor gasten in abdijen in uithoeken van West-Europese landen geldt hetzelfde regime. Je eet lekker, gezond en sober, Frans Brood met streekeigen kaas en een blaadje sla en een tomaatje, bijvoorbeeld, maar die maaltijd komt dus d’office met een scheut rode wijn.

Hoe ouder een mens wordt, hoe meer je materiaal hebt om verwonderd op te reflecteren. Waarom ben ik zelf zo sober in het nemen van lekkers als wijn, eau-de-vie en bier, en overigens eveneens in het verorberen van het tot mijn onbegrip immens populaire vers gebakken vlees? Zonder dan weer deze dingen radicaal af te zweren. Veel zal te maken hebben met de gewoonten van haar die mij het meest nabij was in mijn eerste tien, vijftien levensjaren. Moeder Maria bouwde inderdaad netjes een “bar” uit zoals dat in de salons van de gezinnen in de jaren vijftig en zestig de gewoonte was. Dat meubel was een fraai, compact eikenhouten kastje voorzien van een deurtje met ingelegd glas met daarin een keur aan flessen in een verscheidenheid aan vormen en kleuren, met wonderlijke namen als “Parfait amour”, “Cherry brandy”, “Advocaat Bols”, “Whiskey” en “Whisky”, “Mandarine Napoleon”, “Cognac VSOP”, “Beefeater Gin”, “Poire Williams”, Bananenlikeur, “Slivovitch”, “Vodka Finlandia” en anderen. Het genieten daarvan kende bij ons een merkwaardige frequentie: niet vaker dan eens in de zes tot acht weken ging het  deurtje open. Voor een matige consumptie. Toen broer en ik tieners waren, en in de avond moe van het studeren of spelen op straat met de buren in hartje Heverlee, vroegen we moeder wel eens meer naar “iets lekkers”. Patrick bracht daarbij de wijsvinger en duim naar de lippen en vormde die tot een kusmondje. Moeder schonk ons dan prompt een eierdopje boordevol advocaat, met daarop soms een bloedrode gekonfijte kers. Een paar keer per jaar mixten wij een “Bloody Mary”, waarbij de wodka verrijkt en verdund wordt met tomatensap.

Bij het degusteren merkte ik als kind reeds op dat ik eigenlijk even zeer in de wolken raakte van de zuivere smaak van verse vruchten- of groenten sappen, dan van de gedistilleerde broeders in het rijk van de vloeistoffen. Tot op vandaag kan ik een licht delirium van genot ervaren bij het nemen van een van de vier verse vruchtensappen die een stijlvol veggie restaurant als Noordoever, gelegen aan het haventje van de stad van Erasmus, Justus Lipsius, Keizer Karel V en rector Rik Torfs, aanbiedt. Sappen die gekoeld komen en waarin vier, vijf groentesoorten het beste van zichzelf geven. Rode biet-wortel-tomaat-kervel, of iets als spinazie-gember-appel-citroen. Een reden waarom ik met heel mijn hoofd aanvoel of een drankje gezond is voor mijn lijf, ligt in belevenissen die ik me kan herinneren uit die eerste tien levensjaren. Toen moeder ons de moedertaal aanleerde, tederheid leerde kennen, maar ons ook met plezier het proeven aanleerde tijdens het koken. Haar vader Constant, een gewezen hoofdboekhouder, was met zijn 75 jaar een zeer oud en zeer zwijgzaam man, maar een vriendelijk heerschap en bovendien een echte levensgenieter, op het mystieke af. In die mate dat moeder met sommige van zijn degustatieadviezen meteen speels de spot dreef. Ik herinner mij dat het weglachen van bepaalde adviezen om optimaal te genieten mij als vijf jarige overdreven kritisch overkwam: ik was er als gezond kind op uit te leren hoe je de zintuiglijke indrukken tot hemelse hoogtepunten kunt opvoeren.

Waarom ik niet snel warm ga lopen voor een grog, een Duvel of een whisky, ligt ook in een op het eerste gezicht doodeenvoudig raadsel dat vader mij voorschotelde op een dag toen ik  drie was. Vader die veruit de oudste was in ons gezin, geboren in 1916 midden in de eerste wereldoorlog, was in mijn ogen een fantastische figuur, een reus. Met zijn lengte van een meter vijfentachtig, met zijn diepe, warme stem, zijn gouden haren, licht blauwe ogen maar ook juist met zijn achtergrond van een aantal keren neergehaalde luchtmacht soldaat en van gewezen zeevaarder die alle grote havens had bezocht op de wereldbol. De man die door oorlogsomstandigheden door zijn grootmoeder en moeder was opgevoed, bezat een eigenschap die vandaag  bijna niemand meer lijkt te cultiveren: in eender welk gezelschap waar hij terecht kwam, ging hij over tot entertainen. Hij kende een batterij practical jokes, kon mensen tot verwondering en lachen brengen met trucjes waarbij hij simpele benodigdheden als een doosje lucifers, een aansteker, een pakje kaarten, een spiegeltje, een pen of een kam gebruikte, en ‘Peter’ was in staat urenlang raadsels en grappen te brengen. Zo vroeg hij mij, hoogbegaafde maar piepjonge zoon: “Zeg mij. Wat is de stérkste drank?...”. Mijn gedachten gingen naar de soorten edel vocht die in de bar hun stek hadden, maar ik kwam er niet uit. Het antwoord van papa was tot mijn verwondering: “Water!” En vervolgens gaf hij op licht superieure, speels docerende toon de volgende uitleg, die voor mijn oog even de meest legendarische oceaanstomers tevoorschijn bracht, schepen die hij had gezien of waarvan hij het dek onder de voeten had gevoeld, en waarover hij verhalen en legenden had verteld: de Lusitania en de Titanic, of schoonheden als het eerste cruise schip ooit gebouwd, waarop Heinz graag mocht werken, de Stella Polaris. Hij sprak: “Water. Dat is de ‘sterkste’ drank: het draagt immers de grootste schepen!”.

Ik was zeer onder de indruk van dat antwoord, ik lachte het niet meteen weg. Een van de lessen die ik distilleerde uit die paradox van het sterke water, gaat in de richting van wat mij toeschijnt als een mystieke waarheid. Dat er grote kracht schuilt in de meest basale dingen. Dat er bijgevolg niets schaamte verwekkend hoeft te zijn aan een voorliefde voor het gewone, aan een passie voor soberheid en de zuiverheid die haar eigen is. Die dag leerde ik een beetje “om het hoekje denken”. Paradoxen omarmen, schijn doorprikken. De waarde zien van wat sommigen gauw verveeld als cliché of melig zullen afdoen. Op dat moment, in het licht van de herfst avond, werd ik op het pad gezet van de wijsheid zoeker. Dat viel me toe, ik had er zelf geen verdienste aan.

Zo gaat het vaak. Omstandigheden die volledig contingent zijn worden de bronnen van je wezen. De inspanningen die ouders doen, zoals je op het schootje nemen en vaak voorlezen of nauwgezet al je kindervragen antwoorden, die blijken van groot belang. Onze persoonlijkheid raakt gevormd door puur toevallige omstandigheden, zoals de talen die thuis gesproken worden, of het tal van broertjes en zusjes. Bij ons werden in die eerste duizend dagen, drie talen gesproken: Nederlands, Engels en Duits. Dat werkt door. Vorige week nog passeerde een kranten artikel dat stelde “Kinderen die tijdens hun eerste jaren meerdere talen gebruiken, krijgen een IQ-bonus van 14 punten”. Onze kinderjaren met twee bijzonder bereisde ouders, hebben ons voorbereid op een multiculturele, steeds moeilijker te begrijpen wereld.

Je kiest zelf niet je bronnen, hoezeer je ook een onafhankelijke geest oefent van in de wieg. Hoezeer je ook werkt aan de persoonlijke opbouw van jouw identiteit. Je bent als nieuwkomer op aarde hulpeloos overgeleverd aan omstaanders, als een kind in een schamele ruif met hooi voor de os en de ezel, aan existentiële omstandigheden. Of je vader en mama een goed lopend liefdesleven hebben, of ze samen leven of gescheiden, of ze genoeg geld bezitten om zonder existentiële stress te leven, of ze een ontwikkelde geest hebben, of juist ongeïnteresseerd in het leven staan, of ze vaak ruzie maken, of in staat zijn de kalmte te bewaren en van Beethoven te genieten, Sinatra, Dvorak, Bach of Multatuli en Basho, of ze bang zijn van wie anders is, of juist geboeid met mensen die heel andere ankerpunten hebben, contact zullen zoeken…

Het is daarom een (comfortabele) leugen van bepaalde (liberale en rechts-nationalistische) denkers en beleidsmensen, dat iedereen in onze natie gelijke kansen heeft of krijgt. Sommigen verschijnen aan de startlijn van het leven met een rugzak vol zware keien, anderen niet. Het blijft daarom onverkort de roeping van elke mens in onze gemeenschap, oog te hebben voor sukkelaars en mensen die minder hebben meegekregen aan talenten en innerlijke vrede. Daadwerkelijk te delen met wie hulp nodig heeft. En het blijft onverkort de opdracht van overheden om die meegekregen handicaps lichter te maken, zodat bepaalde burgers niet als noodlijdenden door het dagelijks leven moeten. Herverdelingsmaatregelen, buurtwerkingen, informatie op maat, aangepaste taxatie, doeltreffende uitkeringen en tegemoetkomingen... het zijn absoluut noodzakelijke maatregelen. Al te lang is deze taak veronachtzaamd, maar de gevolgen blijven niet uit: er is een groot wantrouwen gegroeid naar overheden en autoriteiten, en de boosheid broeit. De maatschappelijke sfeer is verziekt; politici en (bedrijfs)leiders, puissant rijke families ook, ze mogen op deze manier niet doorgaan, want de rekening die zal gepresenteerd worden, zal beslist  onaangename gevolgen meebrengen. Haat is een bom.  Voor het bewaken van de goede geest en de lieve vrede, zijn wij allen verantwoordelijk, de mensen zonder blok aan het been echter het meest!

 

Leuven is in staat de wapenspreuk te voeren


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Arme mensen hebben een andere kop

Onze vier eerste levensjaren waren gelukkig. De jaren daarna verliepen vaak stormachtig, afwachtend, vol uitdagingen en zorgen en met weinig hoop. Nog voor ik tien werd had ik hemel en hel gezien en gevoeld. Peter Adriaenssens wens ik daarom alle succes toe met zijn actie opgezet in samenwerking met de Koning Boudewijnstichting, die met behulp van Bruggenbouwers de meest kansarme mensen beter wil inschakelen en een stem wil bieden. Dat is hard nodig “want arme mensen hebben een andere kop”, zo blokletterden de media honderd procent terecht een uitspraak van de geniale mensengenezer. Mij is de volgende bedenking die de prof daarbij maakt, een wondere vaststelling, een lang gezocht puzzelstuk om onze maatschappij te begrijpen en pogend te verbeteren:

“De stress hormonen die kinderen die opgroeien in “kinderarmoede” dagelijks gedurende jaren meemaken, werken in op de groei van het jonge brein als een gif! Die mensen zijn later niet als anderen in staat creatief te zijn en te onderhandelen! Die mannen en vrouwen verkeren in een toestand van latente angst.”

 Op sociale media zetten sommigen de bevindingen van de jeugdpsychiater dadelijk als onzin weg: “Frenologie revisited”, zo klonk het. Dat concept verwijst naar de leer die bijna honderd jaar terug beweerde de morele kwaliteiten van mensen te kunnen lezen en voorspellen door het meten van de kenmerken van het gezicht en de schedel. Voor mij betekent de nieuwe analyse echter the world. Je krijgt hier een sleutel, een venstertje om te zien hoe klassenverschillen werkelijk werken, waar ze vandaan komen. Zelfs de meest uitgespuwde term uit de christelijke leer, “de erfzonde”, krijgt weer een zinvolle betekenis in deze biopsychosociale context: de angsten en spanningen die ouders die in armoede leven doorgeven aan hun kids, dat is een erfelijke last die van generatie tot generatie wordt doorgegeven.

Op straat en aan de bushalte bekijk ik met de nieuwe inzichten in het achterhoofd de gezichten van de volkse, beperkt opgeleide mensen plots met nieuwe luciditeit en met meer mededogen. Een groepje van drie, een vader van in de vijftig, voorzien van een Dgengis Kahn snor, vergezeld van een uit de kluiten gewassen een zoon en een dochter van in de twintig, gehuld in een zwarte trainingsbroek, voelen meteen aan hoe ik (daardoor) uitzonderlijke vriendelijkheid naar ze ga opbrengen. Ze halen de hond aan, geven hem plagend de suggestie het familielid “te pakken”, gaan in gesprek, en leveren me zowaar meteen een mooie kleine dienst, in wederkerige dankbaarheid.

Laat ons kinderarmoede bestrijding adopteren als een red alert politieke, financiële en maatschappelijke prioriteit. We moeten de betrokken minister, Liesbeth Homans, inderdaad, zoals zij ieder daartoe uitnodigde bij het aanvaarden van haar ambtstermijn, afrekenen op het falen van haar beleid op dit vlak. De kinderarmoede blijkt totaal niet te zijn afgenomen in tussentijd, zelfs licht te stijgen.

Kinderarmoede gedogen, het is zoals kindermisbruik in het emotionele of seksuele veld, een adder onder het maatschappelijke gras, een hedendaags taboe, een gesel waar onze gemeenschap in stilte hard onder te lijden heeft. Een gesel die de vitaliteit van onze populatie danig ondermijnt. Maar wel een gesel waar we vanaf deze week woorden en concepten rond bezitten.

Stef Hublou Solfrian

Gepubliceerd en aan de bevoegde ministers bezorgd.

http://community.dewereldmorgen.be/blog/stefaanhublou/2018/12/23/de-slimste-mens-die-drinkt-gewoon-water-over-de-latente-angst-waarin-kansarme-kinderen-leven