about
Toon menu

Jezus! We hebben behoefte aan een update van ons beeld van de Schepper en van Jeshoea Jezus

maandag 26 november 2018
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.
  • Hier werkte en fotografeerde Maria.

Onlangs nam ik tijdens het schrijven in koffiehuis Swarte Hond een van hun indrukwekkende latte machiato’s toen er een groepje vijftigers en zestigers toekwam. Negen man sterk, allemaal vrouwen en één heer uit een Latijns-Amerikaans land. Hij vroeg mij wat ik consumeerde, en bestelde prompt hetzelfde. Na een kwartiertje waren de gesprekken goed op dreef. Met veel retorische nadruk verkondigde een vrouw met donkerbruin haar die de hele middag het gesprek zou aanvoeren: “Wat hebben ze ons vroeger toch allemaal wijsgemaakt!... Op het vlak van godsdienstig denken en normen.”  Het was een tijdje geleden, maar hier was die indringende uitspraak weer. Die doet vermoeden dat de priesters, theologen, pausen en bisschoppen van vorige generaties iets hemeltergends hebben mispeuterd. Dat lijkt mij eerlijk gezegd inderdaad het geval. Ook al las ik geregeld spitsvondige theologen een mooie draai geven aan dit volksverdriet. De betekenis is natuurlijk niet in de eerste plaats “Ze hebben ons iets voor wijsheid voorgehouden dat het niet helemaal was”, maar vooral “Men heeft ons iets op de mouw gespeld, iets onwaar voor waarheid verkocht, iets voorgelogen, en dat heeft ons als mens geschaad”. Neem nu de verdichting en mythevorming rond Jezus, de boodschapper van JHWH-God.

Leestijd zeven tot vijftien minuten

Bijgewerkt op 28 november (Besluit).

 

André Chouraqui is de man die erin is geslaagd een bijbel te vertalen die mijn vertrouwen niet meteen beschaamde of verijdelde. Die eerste persoonlijke editie van het Hebreeuws-christelijke en dus Oosters-Europese boek der boeken schafte ik mij aan in 2003, na een meerdaags bezoek aan het reservaat Veluwezoom. Op de casette van de prachtige Franse bijbelvertaling prijkte een vergelijkbaar inspirerend natuurlandschap:  de woestijn van Palestina. Ik kende de kwaliteit van de tekst en van de schrijver al goed, na het interview dat de religieuze reporter met de meest sexy uitstraling, Lucette Verboven, van hem had afgenomen voor het boek “Estafettegesprekken.” De ontmoetingen met een tiental grote figuren met diepe spirituele gevoeligheid en heldere, krachtige stem zoals Raimon Panikkar en Lytta Basset, werd ook in documentaire vorm uitgezonden op televisie. Dat discussieboek is een van de werken die mijn leven het meest gestuurd hebben.

Chouarqui is een profetische figuur en een bruggenbouwer geweest tussen de mensen en God, hij  stierf in 2015. Hij groeide als Joodse jongen op in Algerije, nabij Oran, en studeerde in christelijk Frankrijk. Hij had een diepe religieuze bezieling en -sensitiviteit. Hij liet zijn werk als rechter staan om zich aan zijn roeping te wijden: de vertaling van de hele Bijbel, ook het meer recente, christelijke gedeelde, niet alleen de Thora. En ook de Koran vertaalde hij. (Ik vind het een ongelofelijke uitschuiver dat van zijn Koran editie geen tastbaar exemplaar aanwezig was in 2014 toen ik navraag deed, in de Leuvense Maurits Sabbe Bibliotheek, die toch bij de wereldtop behoort in haar domein). Chouraqui, de naam betekent “De Oosterling”, was een ware bruggenbouwer. Alsof hij voorvoelde dat moslims en christenen nog wel eens in hoofde van extremisten met krijgersidealen (Salafieten, Wahabieten) op ramkoers konden komen te liggen, gebruikt hij uitdrukkingen in zijn taal die de Arabische visie op God en Nabije Oosten dichter brengen naar de Joodse en de west Europese. Zoals Jeshoea ben Joseph als naam voor Jezus.  Jezus de zoon van Jozef, zoals Joden en Arabieren al millennia aangeven. Christelijke bijbelvertalingen in vele landen hebben sinds het verschijnen in 1989 bij Desclée-De Brouwer van “La Bible, traduit et introduit par André Chouraqui” bepaalde mijlpalen en merktekens die hij heeft uitgezet, volop nagevolgd. Hij plaatste het christendom wijselijk grondig terug in zijn Joodse context. Zoals Loed Loosen sj. het later uitdrukte: “Het christendom is niet los verkrijgbaar. Je kan de evangelies niet begrijpen zonder de Hebreeuwse, Joodse context”. Als Chouraqui vandaag zou schrijven, zou hij ongetwijfeld aansturen op een meer ecologische lezing van de heilige Joodse en christelijke geschriften. Laat mij dat doen, nu hij het niet meer kan.

Een belangrijk punt is dat Chouraqui zich wist in te leven in de van het christendom afkerige mentaliteit van deze tijd. Juist omdat hij zo diepgelovig was, kon hij dat. “Vandaag is de figuur van Jeshoea zo zeer overladen met bijbetekenissen en pretenties, dat veel mensen zich afkeren van geloof in zijn heilbrengende boodschap, zoals de volwassen mens niet meer letterlijk kan geloven in Sinterklaas” schrijft hij in zijn inleiding bij de evangelies. Die radicale kritiek lijkt me volkomen terecht. En er wordt nog veel te weinig aan gedaan, in de teksten en uitspraken van wie vandaag het geloof mee vorm mag geven. We hadden als christelijke gemeenschap al lang afstand moeten nemen van de beeldentaal van de mensen uit de tijd van Julius Caesar, die nog niet van de wetenschappelijke kennis had geproefd, en die haar profetische held aanprijst met verhalen over vermenigvuldiging van twee broden en zes visjes tot een massa voedsel waarvan na het eten door de volgelingen, “twaalf korven brokken en kruimels  werden opgehaald”. Dat zijn metaforen, louter literaire stijlfiguren, hyperbolen die de schrijver inzet om zijn boodschap te laten aankomen en doordringen.  Vandaag staat zulke taal haaks op het aanvoelen van wat spreken en schrijven over het leven, eten, het verleden, ontmoetingen en God moet zijn. Dat vloekt.

In zijn vertaling van Genesis legt de wijze, diep spiritueel gevoelige Chouraqui eind jaren tachtig al sterk ecologische accenten. Zoals de woorden waarmee God JHWH de mens in zijn tuin plaatst, en opdracht geeft in Gen. 2,15, “Adonai JHWH Elohîm prends le glebeux et le pose au Jardin d’Edèn pour le servir et pour le garder”. Die interpretatie van de teksten sluit mooi aan bij de houding van de jongste generatie, die overal meeleeft met een meer en meer beschadigde Moeder Aarde. Die vertaling sluit tevens aan bij mijn eigen jeugdjaren die ik onder anderen vulde met natuurbeheerswerken en het oprichten van Wildbeheereenheden in het landschap waar ik geboren werd, leef en terugkeer na de reizen.

Een ander detail dat van grote wijsheid getuigt en van spirituele, profetische zin voor de richting van de geschiedenis, is dat Chouraqui de Godsnaam noteert in de vorm van het Tetragrammaton, de geheimzinnige Vier Joodse Letters. Dat is nadien, rond 2010, onder andere overgenomen door de grote studieversie van de NBV, de Nieuwe Bijbelvertaling in het Nederlands, die een oicumenische vertaling is. We lezen niet “De Heer liet het regenen” maar “JHWH-adonai Elohims liet het regenen”. Dat grootse woord komt natuurlijk ook tegemoet aan de diepe verlangens van theologisch onderlegde vrouwelijke mensen, die de Heer/Here in oude Bijbels al te veel man weten om stevige waarachtigheidsaanspraken  te kunnen maken.

Zoals ik al eerder heb betoogd, onder anderen tijdens een zomerse studiesessie voor leraren godsdienst in de promotiezaal in de Hallen van de KU Leuven tegenover de Nederlandse spreker prof Boersema, wat toen nogal wat stof deed opwaaien, moeten wij het Godsbeeld van onze eigen generatie durven boetseren naar eerbied en interesse voor de grote Natuur, en moet daarom “Jezus kleiner worden”.  Het christendom is door de focus op de Boodschapper van God al te zeer een antropocentrische godsdienst geworden. Het Oermysterie is uit het zicht vergleden, evenals de hele schepping die zij stuwt en draagt.

Doordat wij Jezus veel te veel op een sokkel hebben gezet, in een splendid isolation die hij zelf niet beoogde, en onze religie en cultuur eeuwenlang heel sterk hebben laten cirkelen rond de zinnen van de evangelies, en in mindere mate van de Joodse bijbel, zijn wij inderdaad, in tegenstelling tot de meeste inheemse volkeren, het grote wonder van de Schepping uit het oog gaan verliezen. De Sperwer, de olifant, de tijger, de Himalayabergtoppen, de Woestijn, het Woud, de zuivere lucht, de ochtendstilte... Nochtans was deze Natuur tot in de volle middeleeuwen, bijvoorbeeld voor Albertus de Grote de leermeester van Thomas, het eerste Boek waarin je de Schepper kon gaan vinden, naast de Bijbel. Op bepaalde vlakken zijn wij als cultuur en in het geestesleven dus achteruit gegaan sinds de middeleeuwen, het verdient aanstippen.

Het aanbidden van Jezus is na de eerste generatie christenen al te veel voorop komen te staan, ten koste van het navolgen. Eigenlijk is het logisch en “al te menselijk” hoe dit zo is kunnen geïnstalleerd raken: het is veel en veel gemakkelijker te bidden tot Jezus voor de armen en de daklozen en de zieken, dan je zoals hij tastbaar met hen bezig te houden! De mens zoekt meestal de weg van de minste weerstand, hij en zij zijn zelden vies van gemakkelijkheids-oplossingen. De Goede God wenst dat wij zijn “handen” zijn, dat wij goede daden doen, dat wij de zwakkere broertjes bijstaan. Dat is de essentie van Christendom en Judaisme. Zoals dat onder anderen zeer pregnant staat beschreven in de aanhef van Jesaja (Jes. 1, 15-17: JHWH is jullie talrijke dierenoffers beu! Reinig je! Hou op het kwade te doen! Argumenteer, verklaar fout wat fout is, slecht wat slecht is! Neem het op voor de moeder zonder man, en voor de wees! Doe de tirannen weer in de pas lopen!) en in de brief van Jacob (Jacob, 2: “Het ware geloof, de ware religiositeit bestaat hier in: je ver houden van de [drukke, ijdele en machtsgeile] wereld, en opkomen voor de moeder zonder man en de kinderen zonder vader [en de mens zonder thuis, de reiziger, de vluchteling]”).

Daarbij zijn doorheen de geschiedenis, zoals in de zeer relevante video reeks met een titel als “How did christianity become a world religion?” uitgebreid is geanalyseerd, een merkwaardige stoet omstandigheden waardoor de figuur van Jezus wel heel erg is absoluut genomen, vergoddelijkt, en het christelijk geloof zeg maar zijn Jezusiaans gehalte is verloren. Een van de bekendste en wellicht meest invloedrijke feiten is de proclamatie van het christelijk geloof tot staatsgodsdienst in het Romeinse rijk door de betreffende keizer. Dat had vooral politieke bedoelingen, en corrumpeerde het geloof navenant. Het verlangen macht en rijkdom te vergaren is sinds die tijd niet meer echt weg geweest, tot in de hedendaagse Curie, dat behoeft geen betoog. Een andere factor die de gelovige, de zoekende mens Jezus hoog heeft opgetild boven de vele andere wijze rondtrekkende rabbi’s en predikers, is de vurige missie die Paulus van Tarsus heeft ondernomen, en de doordringende kracht van zijn brieven en beschouwingen.  Terwijl vanuit ons perspectief, een heilige Franciscus allicht even groot is geweest, en evenveel studie en navolging verdient.

Op die manier zitten wij opgescheept met een Godsdienst die, om het wat scherp te stellen, niet alleen passief en devoot schouwen en bidden promoot boven de Bijbelse actie ten voordele van de gekwetsten en de Schepping, maar ook het eerbiedigen en gehoorzamen van de de figuur van de priester, de bisschop en bovenal de paus sterk heeft centraal geplaatst. Waartoe dat klerikalisme kan leiden, tot welk brutaal lijden, daar hoeft vandaag de dag, na het annus horribilis 2010, geen schets bij gegeven.

Daarom, uit liefde voor de alleenstaande moeder, voor het kind, de dakloze, de verslaafde, de arme, de vrouwelijke mens en voor Moeder Aarde, & ook uit liefde voor zuivere, bevrijdende Waarheid, zie ik het als een roeping mijn steen in  de rivier bij te dragen aan het ontmantelen van een al te sterk vergoddelijkte Jezus van Maria.

Het is in mijn ogen hoogst merkwaardig hoe massief en massaal de aanbidding en het ontzag voor Jezus van Jozef is geworden, en dit tot op vandaag, tot in de meest kritische en vooruitstrevende theologische middens ter wereld, zoals de groep professionele theologen van de KU Leuven. Speelt hier een diepmenselijk effect dat tot in de kindertijd wortels heeft? Durven clerici en theologen niet kritisch zijn naar wie zij diep in hun hart als een machtige vader  zien? Zoals zij als kleine kinderen leerden te gehoorzamen en in de passen van vader en moeder te lopen?

Het lijkt alsof bijna niemand de kleine kanten aan het karakter van de mensenzoon helder in beeld krijgt, of durft in woorden zetten. Roger Lenaers s.j. is een zoon van Vlaanderen, van Oostende bij de zee, die de grote uitzondering vormt, en wiens kritieken tot ver over de landsgrenzen gelezen worden in vele talen. De Kerk als gemeenschap en als hiërarchie gaat echter de directe, dialectische dialoog met zijn ideeëngoed uit de weg. Misschien is hij te groot om al tijdens zijn leven gevierd te worden.

Jeshoea was bijvoorbeeld zonder twijfel een arme man, die enkel door het equivalent van het ocmw  en de werkloosheidsuitkeringen van tegenwoordig op de been werd gehouden met bedragen van mensen die hem graag hadden, wellicht medelijden met hem ervoeren naast bewondering en sympathie. Een van de evangelies eindigt met een zin die gaat zo: “Toen hij in Galilea verbleef, waren deze vrouwen hem gevolgd en hadden ze voor hem gezorgd, net als vele andere vrouwen die met hem waren meegereisd naar Jeuzalem.” Dit is de tekst in het Marcusevangelie, dat historisch het kortst na de feiten is geschreven, een jaar of dertig na de dood van de messiaanse mens in kwestie (Mc. 15, 41) en waarvan experten aannemen dat het minste verdichting, fantasie bevat en de meest accurate feiten. De jonge man was zo gebeten door zijn religieuze roeping, dat hij zich daar volkomen door liet opslorpen en er niet toe kwam voor zichzelf materieel in te staan. Jezus verrichtte geen arbeid zoals meer burgerlijk ingestelde mensen. Hij zette zichzelf met die houding ook buiten het opkomende stedelijke en commerciële systeem, want hij leefde van solidaire giften van kennissen, volgelingen, of van wat hij kon vinden in de natuur. In zekere zin is dit de positie van de (medicijnman bij de) plukkers en jagers, de oervorm om aan de kost te komen.

Vaak wordt Jeshoea-Jezus, in de lijn van een bepaalde passage in de evangelies die schrijnend devoot en wervend lijkt, gezien als “de man die zonder enige zonde was”. De goede, helder denkende en sprekende heer zou een mens zonder karakterfouten zijn, als het ware. Daarom lijkt me interessant en belangrijk op enkele passages te wijzen waarin de kleine kantjes van zijn karakter en persoonlijkheid zichtbaar worden. Zodat we ons op termijn wat minder mogen gaan focussen op zijn wijzende hand, en meer op dat wonder en die idealen die hij aanwijst.

Jeshoea Jezus was niet zonder afgunst of kwaadheid. Zijn tirades tegen de gevestigde priesters en schriftgeleerde, de farizeeën, getuigen zoals de beperkte bronnen aangeven, al bij al toch van een beschuldigende geest. Van grote strengheid, van een zekere onverdraagzaamheid, wellicht gevoed door al te menselijke afgunst. “Huichelaars, kleingelovigen!” klinkt het. “U bent als mooi versierde graven, waar niets heiligs in ligt geborgen, maar het omgekeerde van het volle leven, de dood”.

In dezelfde lijn zien we dat er bij de jonge religieuze appassionado de sterke behoefte leefde dat zijn religieuze inzet en genezende kracht zou herkenning vinden bij  de gevestigde “prominenten”, de clerici, de notabelen van de dorpen en in de hoofdstad. Na menige genezing van verlamde mensen of hopeloos moedeloze dompelaars m/v, zo zeggen de evangelieteksten, verzocht hij de mens in kwestie: “Ga en toon u aan de (hoge)priesters”.

En dan hebben wij het nog niet gehad over de scène waarbij Jeshoea een (heilige) woede aanval krijgt, en met een zelfgemaakte zweep de uitbaters van de stalletjes met offerdiertjes en prullaria uit de tempel in Jeruzalem jaagt. Dat is wel zeer menselijk.

Mijn advies: laten wij onze pogingen toenemen om, geheel in een traditie die al decennia bestaat in Leuven en omstreken, en met vernieuwde groene motivatie, “Jezus volkomen mens laten zijn”. Daarnaast is er plaats voor een bepaalde vorm van heiligheid, van “bovenmenselijke” kwaliteit.

Bij deze gelegenheid wil het gezegd zijn, dat ik mij niet afvraag “wie ben ik om dat soort radicale kritiek te geven en die suggesties te formuleren”? Voor wie er behoefte aan heeft, geef ik graag een genealogische filiatie prik, een paar adelsbrieven die even authentiek zijn als zij wellicht verbazingwekkend zijn. Niet alleen ben ik geboren tijdens het grensverleggende Vaticaans concilie, maar ik werd bovendien tot leven gewekt rond 14 september 1961 door een heer die dezelfde naam droeg als de Engel die Maria bezocht met de bekende boodschap, bij een vrouw met haar naam. En wel in een dorpje tussen de cipressen en de olijfbomen aan de kust van de Middellandse Zee, nabij het stadje met de wel heel toepasselijke  naam Biograd. Mijn opvoeding mocht plaatsgrijpen in de stad die volgens de promotor van mijn licentiethesis, Erik Vanmingroot, verwijst naar het goede leven, het volle leven. Zoals het in  het logo op dienstvoertuigen, vuilzakken en trouwboekjes te lezen valt: “Leuven! Eeuwenoud, springlevend!”. Daar onder de torens van het mooiste stadhuis ter wereld  bleek de meest waardevolle universitaire theologische faculteit te huizen, die onder anderen via kardinaal Suenens en kardinaal Danneels belangrijke inspiratie mocht leveren voor het Concilie in het eerste derde van dat decennium. Daar onder de Sint Lambertus kerktoren en aan de Tweewaters is bij het moeder – kind gezin na een jaar een oude voedstervader geroepen, om de brave bejaarde grootvader Constant wat te ontlasten. Werd de oude Jozef niet eveneens bij de voortijdig moeder geworden Maria, dochter van Anna, uitgenodigd om een atypische familie, eentje met een hoek af, een heilige familie, sociaal meer aanvaardbaar en gewoon wat meer leefbaar te maken? Niet veel nieuws onder de zon.

Na een leven van ontelbaar veel wendingen dat inzicht verschafte in alle mogelijke facetten van de samenleving door zeer diverse taken en inzet op te nemen, (niet geheel verschillend van de duiding van Saramago wat de jeugd van Jezus betreft, van herder (jager) tot wijnbouwer (tuinman in PWA)), ben ik door een gelukkige wind beland op de heuvel waar Keizer Karel V van het Spaanse Wereldrijk  tussen de dieren zijn jeugd mocht doorbrengen. Aan de abt van de op de heuvel gelegen abdij heb ik eerst een stukje over mijn spiritualiteit bezorgd voor het tijdschrift dat hij vorm geeft (De Kovel), en laatst schreef ik hem een brief met een krachtig pleidooi om iets te doen aan de bedompte lucht in de kerk, om een frisse wind te laten waaien. Dat was vooral metaforisch bedoeld voor de Kerk.

 Besluit

“Onze Beschaving is zachter gemaakt, met meer compassie, maar ook in zekere zin behekst door Jezus. Met zijn overijverige ambitie  in denken, voelen en doen. Met zijn klemtoon op missioneren en moraliseren. Op den duur maakt die geest de grond zelf waarop wij staan, zitten en liggen kapot. En onszelf, en elkaar. De natuurlijke agressie die inherent is aan de mens, is wegens het odium onderhuids gegaan, subtieler geworden, maar nooit ver verdwenen. De boodschapper van de evangelies maakte de weg vrij voor meer ‘menselijkheid’, maar door zijn bevlogen stijl, strengheid en door zijn grote gestalte, ook voor een vergoddelijking van alle mensen. Voor ongebreideld handelen en streven. Is de balans positief?  De toekomst zal het uitwijzen. Het heden maakt bezorgd.

In tijden van zeven miljard menselijke wezens is in elk geval een update nodig van de geest die onze samenlevingen bezielt en kneedt, al tweeduizend jaar lang. Hoog tijd voor een andere God. En voor tijd, ruimte en stilte voor gewetensonderzoek. Voor loskomen van de strijd om het dagelijks brood, die zoals de geschiedenis bewijst, gemakkelijk onstpoort. Economie is geen economie meer. Soberheid is voor losers. Het succes van de (westerse, op christelijke leest geschoeide) mens, dreigt als een virus overgenomen te worden door andere culturen en beschavingen, en veel slachtoffers te maken bij mensen, dieren en ideeën.

Gewone, goede, wijze, en op aanvaardbare manieren onvolmaakte gewoonten, verlangens en praktijken sneuvelen bij de vleet. Is het leven wel uit te houden zonder dat we omringd worden door grote bomen en grote dieren? Door ruimte en stilte? Zonder elkaar dagelijks terug te vinden rond de maaltijd en het open vuur? Zonder de aanwezigheid van zeer oude mensen, die mee op de kinderen letten? En die onszelf met de voeten op de grond houden.

Het heden blijft precair. In de plaats van honger zijn overvoeding en zelfdoding gekomen, en veel angsten. De toekomst is daarom onzeker en het zicht op het goede leven danig belemmerd. Voor wellicht meer dan de komende twee millennia.

Laten we stilstaan. Stil zitten. Kritisch nadenken over de fundamentele geest die onze beschaving drijft.

 

 

Stef Hublou Solfrian