about
Toon menu

Tuinen en tanden, Hitler, Tito en Torfs, alles verandert.

dinsdag 6 november 2018
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.

Goede vrienden, ook schrijvers van bekende boeken in mijn vriendenkring, zeggen: “Blijven schrijven, Stef”. Ik denk dat ze gelijk hebben, dat ik dat schrijven nodig heb. Misschien is het een goed idee voor een oude vos, als maxime te nemen elke morgen een stukje te schrijven. Zeker nu het winterhalfjaar zich aandient.

 Bijgewerkt om 6 u PM.

Opinie artikels zijn lange tijd mijn favoriete medium geweest, mijn geliefkoosde genre, meteen vanaf het eerste stukje met als titel “Het belang van een werkelijkheidsadequaat wereldbeeld” dat verscheen in De Standaard, nauwelijks een jaar  na mijn afstuderen met onderscheiding tijdens de Tweede Zit in september van 1988. Mede onder invloed van aanmoedigende feedback van lezers, schrijf ik intussen ook graag columns, verslagjes van ontmoetingen met mensen van vlees en bloed, reflecties bij de sfeer van het moment. Een in beginsel lichter genre. Ik heb dat lange tijd niet begrepen, hoe schrijvers van grote allure eigenlijk groot waren door bedenkingen uit te geven, in heel mooie taal dat wel, over de allerkleinste gebeurtenissen en observaties. In de aard van wat Bernard Dewulf doet.

Intussen, ongetwijfeld door in het bezit te komen van een geest die al meer dan vijfenvijftig jaar mocht rijpen, merk ik dat ik zelf meer en meer op die manier in het leven sta. Niet alleen meer de grote politieke analyses boeien me. Zoals mijn vader ze bracht, die man die gediend had onder Hitler, en bij zijn dood in 1987 in Washington DC een foto bleek te koesteren van de Führer. Die glimlacht naar de pers die buiten beeld toekijkt, terwijl hij een groot huis met voortuintje verlaat, op weg naar de open limousine in de voorgrond, waar een reispartner met opvallend strak gekamd haar hem al voorgaat en zich  neerlaat,  wellicht de luchtmacht veteraan uit ’14-’18 die baas van de Luftwaffe was geworden, Hermann Göring. Ik ben ervan overtuigd dat vader deze foto meer dan veertig jaar later nog bij zich had, omdat... hij ze zelf gemaakt had. Als erkende gewetensbezwaarde was hij immers fotograaf bij de Luftwaffe toen Adolf Hitlers ster schitterde.

De gelukkige glimlach die deze laatste vertoont op het portret mag ik misschien zelfs in verband brengen met het feit dat vader Heinz Solfrian in de jaren vijftig van Genua en Sevilla tot Istanboel en Split, en van Antwerpen tot Leuven bekend stond als een grappenmaker en een goed entertainer, altijd vol verhalen, legenden, anekdotes en als gretig brenger van verrassende spelletjes en effecten met inzet van dagelijkse gebruiksvoorwerpen als een doosje lucifers.

                                   __ __ __ __ __ __ __ __ __

De passie voor het maken van wijdlopige filosofische analyses  deed ik wellicht van hem op, hij leverde toen ik drie was dagelijks commentaar op de wereld en haar figuren die in het frequent beluisterde nieuws (alleen op de radio nog, gebracht door de BRT), aan bod kwamen. En allicht houd ik ook van nadenken en formuleren door de invloed van mijn Leuvense moeder, hoewel zij over die dingen nooit in metataal uitleg gaf, zij had slechts tot haar zestiende school gelopen. Toen Maria Ida de centrale figuur in mijn jonge leven was,  had zij veel kopzorgen bij het trachten goed opvoeden van haar dubbele kroost, zeker nadat vader was uitgeweken in ’66 en haar eigen vader in 1968 was gestorven in tragische omstandigheden. Wanneer zij weer eens voor een langere babbel met kennissen op de gevogelte en eieren markt op de Oude Markt of bij het winkelen aan de Priba bij de Diestse straat bleef staan, verveelde ik mij. De inhoud van haar gesprekken ging, zo merkte ik na verloop van tijd op, bijna nooit over concrete, kleine, zintuiglijke of organisatorische dingen, zoals dat wel het geval is in de gesprekken van veel andere mensen. In zekere zin was haar geest daar te groot voor, vermoed ik. Niet onbegrijpelijk als je met enthousiasme de Noordpoolcirkel hebt overschreden in de jaren vijftig, helemaal alleen op reis om te werken en te leren, en je later hebt staan uitkijken met het plezier van een nieuwsgierig kind op de boeg van de overzetboot van het Italiaanse Brindisi naar de haven van de hoofdstad van Griekenland, op weg naar een aanstelling om kinderen van een elite familie opvoeding te  verstrekken. Toen midden de jaren zestig de zichtbare landschappen zich na het uit de hemel gevallen moederschap weer gingen beperken tot Leuvense straatbeelden die zij al van in de jaren dertig als meisje had gezien, neigde haar geest wellicht vanzelf meer tot bespiegelingen die het hier en nu overstegen. Allicht had ze het jarenlang ook nodig, na te denken, op verhaal te komen bij vrienden, om te begrijpen wat haar op existentieel vlak precies was overkomen in nauwelijks tien jaar tijd. Een steile afdaling zo lijkt het wel, van publiek gevierde ‘Reisgids van het Jaar’ in Joegoslavië naar moeder aan de haard onder de kerktoren van Heverlee.

Op een bepaald moment, ik moet een jaar of zeven zijn geweest, trof mij een onderstroom in haar wereldbeeld die ik bij de toegewijde, strenge maar ook tedere mama nog niet zo had bespeurd. Niet los van enige bitterheid las zij een in een vrouwenblad tegen gekomen quote voor, die zij ook ging kalligraferen en inkaderen:

“Kinderkak is de beste lijm voor vrouwentrouw”

Ik veronderstel, haar zorgen hielden haar af van speels opgaan in de kleur van de koffie bij het ontbijt in het zonlicht, of dromerig afdwalen naar de kleine geluiden van de tuinvogels, waar ik als ornitholoog intussen de verschillende seizoenen kan in terug horen.


Sinds enkele jaren merk ik tot mijn niet ontevreden verrassing inderdaad dat mijn geest is veranderd.  Meer het type van Bernard Dewulf of Benno Barnard. Ik kan met groot genoegen en kinderlijke verwondering bepaalde details opmerken en in taal omzetten, in teksten, maar ook in gesprekjes en ontmoetingen. Als kind had ik af en toe bij contact met ontwikkelde geesten, leraren, directeurs van scholen of politici als die op atypische wijze al eens mijn pad kruisten, gemerkt dat zij soms op die manier wakker, waakzaam en met grote aandacht in het leven stonden. Ik viel omver, hoe kan een grote figuur zo veel belang hechten aan het uiterst kleine en concrete? Die aandacht en belangstelling, zo merk ik nu, kan een van de geheimen van een waarlijk blij en boeiend leven vormen. Ondanks alles. En anderzijds ook dankzij al het kleine, tastbare én het grootse dat we meemaken.

Vorige week toen ik voor half negen  in de morgens reeds bij de Sint-Pieterskerk op de bus wachtte om naar huis terug te keren, had ik zulk gewoner gesprekje. De gesprekspartner was Monique (ik kies maar een naam om  haar uit de wind te zetten), een vrouw van gemengde centraal Afrikaanse & Vlaamse identiteit. Zij is altijd alleen op weg, zowat vijftig jaar oud, met de bril met ronde glazen op de neus, goed verzorgd en gedistingeerd van kledij en houding, op het eerste gezicht goed thuis in haar huid met de kleur van koffie met melk die hier en daar vlekkerig is. Zo zijn er niet veel, métissage mensen van die leeftijd, in Leuven, of zelfs in heel België of Europa. Ik praat graag met zulke personen. Zij hebben een andere kijk, en die is op doorleefde manier verworven.  

Monique suggereerde dat het niet alleen prettig is in de zomer in de tuin te dineren, zoals ik had opgemerkt, maar dat ook het ontbijt nemen in de tuin best leuk is. Sindsdien heb ik dat met verrast genoegen al een paar keer gedaan. Die ervaring spoort dan met die andere quote die ik bladerend in het kleurige en zware, kleine boek “Wijsheid uit Afrika 365 dagen” van Föllmi & Föllmi tegen kwam. Een Afrikaans gezegde gaat blijkbaar als volgt:

“In de ochtend na het opstaan, is het eerste wat je best doet, buiten gaan bij de anderen”

Als ik dat woord hier in Leuven citeer, begrijpen de mensen  dat vaak niet goed. Je moet je wellicht de context van het Afrikaanse dorp erbij kunnen verbeelden. Je gaat na de slaap en de droom de vrij donkere hut uit, en buiten in de zon kom je zangvogels, kippen, geiten en buren tegen. Je kan een eerste paar woorden wisselen. Want het zijn garanti geen gesloten, verlegen Vlamingen, je straatgenoten, haha. Je geest kan open gaan, zoals je longen bij het ademen in de frisse ochtendlucht. Je geeft je zo een kans uit jezelf te treden. Juist voor grote geesten is dat een mooi cadeau, evident.

Een paar dagen terug sprak ik op een plaats even verder dan deze van de vorige ontmoeting, aan de Dijleterrassen onder de platanen, even met een statig uitziende vrouw van in de zestig, die een kleine Shiba Inu uitliet. Ze was onrustig, dat kwam zo, legde ze al snel uit nadat haar diertje vrolijk contact maakte met Fellow, omdat ze het beestje niet goed kende. Het behoorde toe aan haar dochter, die met het gezin voor de herfstvakantie naar een ver oord was vertrokken met het vliegtuig. De dame was wellicht niet gewoon spontaan te spreken met voorbijgangers, maar ging toch gretig op deze kans in. Al snel sprak ze een paar bezorgdheden uit die haar danig kwelden. “Het hondje behoort tot een Japans ras dat zijn gekrulde staartje nooit beweegt, en dus kan ik de gevoelstoestand niet lezen” klonk het. Ik gaf als raad, naar het hele dier te kijken, naar de ogen, de oren, de hele body language. Haar man had van zijn kant thuis nog net de bezorgdheid uitgedrukt, zo rapporteerde zij, dat de hondenkorrels misschien te hard waren voor het dier! Hij was op weg naar de slager voor iets zachters. Ook op dat punt heb ik trachten olie te gieten op de golven van de onrust van de dame: nog afgezien van de vigerende wettelijke normen die uitsluiten dat een firma korrels zou op de markt brengen die schadelijk kunnen zijn, verwees ik met enige zin voor avontuur, romantiek en eruditie naar de afkomst van De Hond. “De voorouder is de wolf! Die hebben nog eens een sterk gebit! Tanden die het zelfs  nodig hebben om af en toe iets hards door te bijten!”

Naar mijn voormalige vrouw, geboren als kind van de Igbo etnie in Nigeria, die bij de maaltijd de beenderen van de kippen met haar eigen gebit onder luid gedruis gewoon brak en smakelijk op at,  heb ik maar niet verwezen. Zoals Rik Torfs een beetje droefgeestig de afgelopen week twee columns wijdde aan het feit dat mensen graag hebben dat hun “traditie en cultuur” een beetje blijven zoals zij ze (als kind) hebben gekend, geldt, zo bedenk ik, dat je medemensen niet mag overvoeden met teveel nieuwerwetse Feiten des Levens. De wereld verandert op zich al snel genoeg. Laat de kompaan het maar op haar eigen ritme ontdekken, de kenmerken van de onstuitbare golf van Tijd en Cultuur. Die zeegolf met al haar verwarring scheppende, lastige, komische én ook onverwachts verrukkelijke aspecten. Mijn eigen vader heeft wel ooit Adolf Hitler gefotografeerd, en moeder heeft wel ooit een handdruk en een knipoog gekregen van president Josip Broz Tito, maar wil dat daarom zeggen dat ik de rol van God moet spelen?


Stef Hublou

Post Scriptum.

Tijdens de ochtendwandeling deden we een uitzonderlijke waarneming op een steenworp van thuis. Een volwassen Buizerd vloog langs op nauwelijks een meter of drie hoog en twaalf meter afstand in het heldere najaarslicht van de laagstaande zon. Het was een erg bleke variant, met leuke zwarte driehoekige vlekjes en druppels in zijn witte borst en buikveren. In zijn oog onder zijn strenge roofvogel wenkbrauw meende ik zowel enige vrees te zien als duidelijk plezier over de onrust die zijn passage verwekte bij een groep Zwarte Kraaien die een meter of veertig hoger elkaar luid roepend alarmeerden. In de avond bij thuiskomst herkende ik in de muziek op radio Klara de licht heldhaftige klassiekers die papa Heinrich speelde in het tweede derde van de jaren zestig. Toen ik in de voortuin op het boomstronkje dat als zitplaats dienst doet een pijp opstak, zag ik in de buitengewoon breed uitgezakte, witte streep condensatielucht van een lange afstand jet een kudde Amerikaanse bizons over de prairie in het Verre Westen hollen.