about
Toon menu

Klasse hoor, die stijl van de mensen van de lagere klassen!

zaterdag 27 oktober 2018
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.
  • © S. Hublou S.

 Zaterdag middag. Na een aperitief thuis hebben we in de Parijsstraat een herfstmenu met wild gedegusteerd, mijn vriend de filosofieprofessor en ik, en na een toertje langs de gezellig drukke Leuvense lanen, waar ik mij gehuld in zuiver wollen pull thuis voel op deze eerste zaterdag die niet echt zacht meer van temperatuur is, neem ik met Fellow de bus naar huis, aan de halte bij het Justitiepaleis. Het is druk, de dubbele, gelede bus is bijna vol, dus stap ik op zes voetjes tot helemaal achteraan. Daar zitten op de beperkte achterbank met drie zitjes, twee jongens, beiden een jaar of zestien oud. De jonge stroblonde naast wie ik rechts plaats kan nemen, lijkt wat op de jongen van de Hillbilly familie in Kentucky die in het begin van de straffe kleine film “Deliverance” een banjo samenspel aangaat met een van de hoofdpersonages, sportieve, lichtzinnige bezoekers uit de stedelijke wereld, klaar voor hun dodelijk aflopende afvaart van de rivier. Dat nummer dat ze alternerend en naar de climax toe spelen, “The Duelling Banjo’s” is vanaf die film nog meer wereldberoemd, het lijkt goed op “The Foggy Mountain Breakdown” en de “Blue Grass Breakdown” die ik op dit moment weer thuisgekomen speel met de repeat toets op. De Blue Grass Banjo muziek heeft in mijn oren een onweerstaanbaar levendige en veerkrachtige, opmonterende dimensie. Hier op Lijn 4 ontstaat intussen een ont-moeting, de tweede in zes weken, die mensen van heel uiteenlopende klasse met elkaar in contact brengt, en wel op positieve wijze. De twee keren ligt de verdienste van het contact, de eerlijkheid gebiedt het te vermelden, minstens zoveel bij de warmhartige hond als bij het baasje. De menselijkheid van zowel de CEO in kwestie als van de jongens uit de armen woontorens, blijkt verbazend groot.

Acht tot elf minuten leestijd.

Fellow doet zijn naam eer aan en gaat meteen dicht bij de jongen met het korte, steile lichtblonde haar, de dikke jukbeenderen en de half gesloten ogen staan, en kijkt hem op directe, onbevangen manier aan. Nauwelijks een ogenblik later zit de hond op de schoot, waar de jongen, die een beetje lijkt op die andere held, ditmaal uit de Belgische film “Le huitième jour”, hem rustig en met de volle hand over de rug streelt alsof dat de normaalste zaak van de wereld is, alsof de twee elkaar al een leven lang kennen. Als ijsbreker had ik, nog voor ik mijn persoontje neer vleide, de jongens een begroeting toegeroepen. “Dag Jongens!”.


Even een excursie. Ik ben ervan overtuigd dat veel problemen met jongeren al in de kiem gesmoord zouden zijn als meer zichzelf respecterende volwassenen jongeren op dat soort manier zouden begroeten en be - noemen. Noem jongeren jongens, meisjes en kinderen. In dezelfde zin: al gedurende veertig jaar hoorde ik in Leuven bijna nooit nog een volwassene, in tegenstelling tot de jaren van mijn opgroeien, de decennia daarvoor, een kind begroeten met vernoemen van het geslacht: “Dag meisje!” of “Dag, Jongen!”. Voor mijn part ligt in dat totaal ontbreken van sociale aanmoediging van het vinden van je geslacht een van de meest radicale redenen voor het gestegen aantal jongeren die twijfels koesteren, soms tot op de operatietafel, over hun gender identiteit, hun geslacht. Dat meen ik. Als de feministen sinds Simone de Beauvoir gelijk hebben, ook maar half misschien, dat geslacht, gender, niet echt een biologisch fenomeen is, maar dat je een meisje kunt boetseren via je cultuur en mentaliteit, dan betekent dat meteen: Je Moet Je Dat in het Dagelijks Leven DOEN!

In deze context mag de wijsheid die de wereld rond gaat, maar uit warm Afrika komt, onderstreept worden:

“Het vraagt de medewerking van een heel dorp, om kinderen op te voeden, en als die er niet is, worden de ouders gek!”.

We rijden verder. Al snel gaat het gesprek over honden. De jongens blijken koelbloediger in de vriendelijke omgang dan ze eruit zien: ze vragen na enkele momenten rustig en op warme toon maar nadrukkelijk of Fellow een brave hond is. De ziel van de mens, ze is zelden sereen... Ik krijg na een bevestigend bericht een getuigenis over de diverse honden die de jongen naast mij en zijn vriend al hebben opgevoed en ten grave gedragen. De jongen mannen zijn zelfs zo tactvol na enkele honderden meters te rijden, te vermelden dat zij al snel zullen moeten afstappen. Ik ga mee in dat tactvol vermelden van concrete details in de context van de onmiddellijke menselijke ontmoeting, en bevestig dat ik ook boven op de berg eruit ga. De jongens wonen, dat heb ik zo geraden, in de woontorens van de sociale woningen maatschappij Dijledal, opgetrokken ten noordoosten van de Abdij Keizersberg; het zijn gebouwen die aan renovatie toe zijn, en die plannen zijn al heel concreet. Sociale Huisvesting Dijledal doet zijn best, hoewel ze best wel enkele tandjes mogen bijsteken, om in Verhofstadt-termen te spreken. Het nieuwe bestuur onder leiding van Mo Ridouani kan zich hier bewijzen. Tijdens het Kopstukken debat hebben we dat met duizend deelnemers in het publiek al onderstreept, twee dagen voor de verkiezingen.

Openhartig heeft de tweede jongen, die er in zijn donkerblauwe pull wat mondainer uit ziet dan mijn directe zetelgenoot, verteld over de laatste dag van zijn vrouwelijke hond die aan kanker is overleden; zij was het huis uit gegaan toen de jongen de poort had open gelaten, toen hij thuiskwam was de politie er. Het dier was merkbaar terminaal, en was intussen naar de dierenarts afgevoerd, en is nooit levend terug gekomen. Wellicht hoor ik wat schuld ervaring in dat eenvoudige relaas. De dood weegt op elke menselijke mens. De dood van de Naaste, als die deel uitmaakt van de mensengemeenschap, of stamt uit het dierenrijk.  


Deze jongens reageren dus bijzonder humaan en gastvrij op het gebaar van broederlijkheid, (nog altijd de derde van de drie grote Verlichtingswaarden!), die ik hen heb aangeboden door bij hen te gaan zitten en een gesprek aan te knopen en Fellow te laten lief zijn. Mijn indruk is volkomen positief, wat deze jongelui ondertussen misschien ook al aan ongewone, minder fatsoenlijke of niet geheel wettelijk perfecte zaken verricht hebben. Je mag het nooit vergeten, hoe er een paar oer-gebaren zijn die grote impact hebben op de zielen van de mensen om je heen. De etymologie van de Woorden-Schat van de stichtende Europese culturen, de Latijnse van de Romeinen en de Griekse, leert je ook in dit geval veel: wat ik deed was te benoemen als “consideratie opbrengen”. Voor die mensen uit de marge van de samenleving. In die uitdrukking schuilen de “woordjes” die wij in de klas als Latinisten in 1972 in het HDV college aan de Oude Markt uit het hoofd leerden, een tiental per avond: con – sédere: “samen gaan zitten”. Als je bij iemand gaat zitten, is dat een sterk signaal, een teken in “lichaamstaal” dat je “begrip opbrengt”. Consideratie.

Onze bus nadert de halte, de klein gebouwde jongen in zijn grijze, wijde, veredelde werkmansbroek en grijze jack vraagt, zo vriendelijk en zacht alsof ik al jaren zijn maatje ben, “Mag ik de  hond op de grond zetten?”. Als laatste blijk van vriendelijkheid en ernstig nemen van de persoon van de medereiziger vraag ik nog hun namen. En zie, wat merken we hier. De ene geeft de naam van de ander, en de andere zegt de naam van zijn vriend! Dat lijkt te behoren tot de subcultuur van die jongens. Zoals de Londenaars na WO II elkaar begroetten met een formeel uitgewisseld en onbeantwoord herhaald “How do you do?”, of zoals mensen uit de hogere klassen door een derde persoon aan elkaar worden geïntroduceerd op een receptie. Gino stelde niet zichzelf voor, en Gent (daar leek de naam op, ik ben de echte kwijt, we worden oud) benoemde niet zijn ego, maar stelde zijn maat voor aan me... Dat lijkt op een ware communio, een collectieve identiteit.


Met deze anekdote wil ik de recensie onderschrijven van Thomas Decreus, die schrijft voor de nieuwssite waar ik met mijn blogs thuis ben. Hij beschrijft deze week hoe de Franse intellectueel met wortels in het communistische arbeidersmilieu, Didier Eribon overtuigend heeft beschreven in zijn hoofdwerk, Retour à Reims, hoe “klasse” een geleefde realiteit is voor miljoenen mensen, die echter na het wegvallen van de marxistische denklijnen, vaak stomweg onder de mat wordt geveegd. En dat je zo mensen onrecht doet, en het lijden van de lagere klassen weer wat meer onzichtbaar maakt. Het valt niet zwaar te zien wat een van de hoofdreden is voor het ontstaan van het taboe rond dit k-woord dat in het leven van mensen vaak een graadmeter voor geluk of ongeluk betekent: de heersende, vaak ‘stilzwijgend’ beleden dominante ideologie vandaag is die van het consumeren, noem het neo-liberalisme, als je wil. Het beroep van handelaar, in producten of in diensten, het is waarschijnlijk nooit zo invloedrijk geweest doorheen de gehele menselijke geschiedenis. De handelaar, van de Board van Texaco tot de stoven verkoper, hij wil graag zijn spul kwijt, en het doet er hem niet toe of je arm en ongeletterd bent, of tot een of andere elite behoort: pecunia non olet – geld stinkt niet. De euro briefjes zijn welkom van iedereen die ze kan neertellen. Maar dat maakt niet ongedaan dat mensen sterk verschillen naar gelang de klasse waartoe ze behoren.

Intussen is er wel een onzichtbare muur tussen de mensen die leven in de onderklasse van de samenleving en die in de bovenklasse. Niet dat dit betekent dat de rijken altijd een zo veel makkelijker leven leiden of zoveel meer echt geluk kennen. Ik verwees onlangs al naar het fenomeen dat drank heel wat meer misbruikt wordt in de hogere klassen, en dat de heren die goed in de slappe was zitten, het blijkbaar ook “moeilijk hebben met het leven” en daarom aan de coke zitten, een raar fenomeen dat kort na mijn vermelding van het fenomeen uitgebreid in alle media is aan bod gekomen afgelopen zomer. Antwerpen is het zwart doorgeef gat van de cocaïne. Klassen bestaan volop. Maar vaak kennen de subculturen elkaar niet, en elkaars taal evenmin. Een voorbeeldje van dat laatste: eerder marginale, zogenaamd weinig ontwikkelde mensen zullen bij een begroeting op straat of in een feestzaal vaak luidruchtig en extra ruw uit de hoek komen, terwijl de fijnzinnige geesten van doorvoede mensen (naar buik en brein) dat soort toon op zulk moment doorgaans juist bijzonder slecht opnemen. Voor hen is het eerste woord dat de ander spreekt, een waarheid, een persoonlijke opinie, geen schouderklopje.

Gestudeerde mensen vinden vaak dat zij meer waard zijn, betere mensen zijn. Daar zijn wel argumenten voor, natuurlijk. De fijne geest van een architect die bruggen kan bouwen, of van een generaal die bruggen tussen zijn soldaten weet te bouwen, of van de top politicus die de vrede en de welvaart kan bewaren door mensen te laten samenwerken, die geest levert inspanningen die klaarblijkelijk veel meer mensen ten goede komen dan de staalarbeider die het staal smelt en maakt voor de eerstgenoemde soort bruggen, of die met wisselend succes zijn gezin en zijn club of parochie aan elkaar houdt, met ruwe grapjes en gebaren van solidariteit, die groepjes mensen die uit door het lot en het leven vaak zwaar beschadigde harten bestaat.

En toch zijn de marginale mensen vaak verrassend fijnmenselijk en zelfs wat ik zou noemen betoverend menselijk. Ik geef meteen voorbeelden. Naar de zeer zachtzinnige reactie van de twee passagiers die mij in mijn Camel reisjas en tweed kostuum met mijn brave hond heel vrijmoedig en openhartig hebben onthaald kan ik meteen verwijzen. En ik heb een sterkere illustratie achter de hand.

Toen ik werkte als Bezinningsbegeleider, eind jaren negentig, heb ik nog een voorbeeld van de unieke (sociale) kwaliteiten van de minder geletterde (jonge) mens meegemaakt dat het navertellen meer dan waard lijkt. Ik ga dat meteen beschrijven. Eerst wil ik opmerken dat de “armen” inderdaad vaak veel “socialer” zijn en omgaan. Dat merk ik als ik een paar keer per seizoen mee aanschuif in een Leuvens Buurthuis, waar warme maaltijden worden geboden in de avonden in de achterstandswijken. Hoewel één blik op de meeste gezichten boekdelen spreekt over de geleden trauma’s (dat hoeft niet altijd een half dichtzittend oog te zijn, zoals ik gisteren bemerkte bij de eter tegenover me, dat kan gaan over een zwaar verwaarloosd gebit, een paar zwarte ogen met blijvende, nagloeiende restanten van zware, langdurige angstgolven doorgemaakt in een vorig leven, of de bekende wallen onder de ogen, of de geur van ongewassen kleding...), heerst er een meer gezellige sfeer in zulk armenrestaurant dan in de beste restaurants in dezelfde stad, waar mensen zich veel meer gesloten opstellen, soms bijna ieder voor zich, of elk tafeltje voor zich. Ook hier is het betekenisvol en interessant naar de wortel van de betreffende woorden te kijken: “sociale” mensen die gezelligheid uitstralen, dat gaat terug op de Romeinse term “socius”, “gezel”. Wat is er ondertussen mooier dan enkele mensen die als ware “gezellen” het levenspad bewandelen? Dat mag onderstreept in deze tijden van chronische een-zaamheid en de bijhorende aandoeningen.

De jongens die ik aan het begin van het derde derde van de jaren negentig bezinningsbegeleiding gaf in het Sporta centrum, gelegen naast de abdij van Tongerlo in Westerlo, waren lid van een school afdeling met weinig intellectuele kenmerken. Het waren toekomstige tuinmannen of monteurs, ik weet het niet meer precies. Ik bood hen een spel aan, zoals Bezinningsbegeleiders dat tussendoor vaak doen, om de groepsgeest aan te wakkeren, waarbij een aantal witte kaartjes geschud werden. Ieder had een kaartje ontvangen, waar een  nummer op stond. De bedoeling was dat iemand van een ander stapeltje een na een een kaartje omdraaide, en dat dan door middel van bepaalde vragen, gaandeweg de medeleerlingen konden raden welke leerling het betreffende geheime nummer had gekregen. In klassen van het ASO nam zulke spelronde gewoonlijk een zes- tot tiental stadia met vragen in beslag, wat ongeveer zeven minuten duurde. Bij deze jongens van eenvoudige cultuur (ik wik mijn woorden) bleek echter de sociale dimensie tot in de magische, toverachtige zone door te lopen. Nadat het vraagkaartje was bekeken, en voorgelezen, en iedereen van de twintig of meer jongens wist welk nummer gezocht werd, viel in deze hechte groep telkens een sterke stilte, die vol spanning stak, maar niet onvriendelijk was, waarin de jongens, bijna zonder zich te verroeren, elkaar bespiedden. Na enkele luttele seconden, “voelden” de jongens dan allen zonder twijfel aan welke onder hen de gezochte kaart in bezit had, en wezen alle vingers in dezelfde richting, terwijl de spanning zich ontlaadde in lachen en proesten. “Zonder dat er enige naspeurbare vorm van communicatie was gebeurd!”


Cormac McCarthy, de immens gewaardeerde schrijver van onze generatie in het Western genre, bekend door onder anderen de trilogie die begint met “All the pretty horses” waarin twee vrienden uit Texas  naar Mexico afzakken om er op een paarden estancia te werken, en door de verfilmde Apocalyptische historie “The Road – De Weg”, waarbij een vader moederziel alleen met zijn zoontje door een geblakerd landschap trekt op zoek naar eten, en de schamele bezittingen in een supermarkt karretje voortduwt, spreekt in dit verband van “een collectieve identiteit”, bijvoorbeeld in een groep paarden.


Als zoon die in grote nabijheid en warmte werd opgevoed in het gezin, heb ik daar altijd voeling mee gehad. Mijn grens was osmotisch, diffuus, met bepaalde medemensen. Ik begreep daarom niet goed hoe de geleerde wetenschappers zo veel moeite hadden om fenomenen te begrijpen zoals de vlucht van grote groepen spreeuwen, die samen scherpe bochten maken, schijnbaar mysterieus, zonder dat er een commandant op een fluitje heeft geblazen, allemaal op  hetzelfde moment, duizenden vogeltjes tegelijk. Ornithologen hadden de komst van filmcamera’s met snelle vlinderopening en vertraagde beelden nodig om te zien dat die beestjes gewoon, vol plezier SAMEN vliegen, en Samen Bochten Maken. Er is op een bepaald moment gewoon een beestje dat de bocht zachtjes inzet, en omdat de duizend anderen zo fijn afgestemd zijn op elkaar, in een soort collectieve eenheid, verloopt dat als vanzelf in groep. Iets dat de individueel ingestelde ego’s van de ethologen dus niet konden vatten...


Uit belangstelling voor een minder individualistisch leef en denkmodel als het onze, ben ik al voor mijn achttiende Japans en Japanse cultuur gaan bestuderen. Ook daar leven de mensen veel meer vanuit en voor de groeps-identiteit. En dat is interessant, niet minder superieur, maar goed ter vergelijking en soms ook om iets van te leren en uit over te nemen. Ook in China en in sub Sahara Afrika plukken mens, cultuur en economie de vruchten van een leven dat veel meer door de Groep wordt gedragen. De gecultiveerde mens leeft vaak in vergelijking “lonely at the top”.


Rik Torfs heeft onlangs Olivia Rutazibwa de mantel uitgeveegd omdat haar bevrijdingsdiscours te veel naar een groepsidentiteit overhelt, “en je wordt toch verliefd op een ander individu”. Torfs weet echter naar mijn aanvoelen te weinig van de vruchten van dat soort denken, de voordelen voor maatschappij én individu. Ik kan het boekje “Wijsheid uit Afrika, 365 dagen” van Olivier Föllmi aanraden. Daarin geven wijze Afrikaanse mannen en vrouwen inderdaad smalend af op het romantische liefdesideaal dat wij zonder nadenken in ere houden. Een model dat intussen veel huiselijke schipbreuken heeft meegebracht, en lange wachtlijsten in de kinderpsychiatrie.


De wijsheid komt niet altijd uit het Westen!


Mensen die in de twee “werelden” thuis zijn, in de hogere klassen en de lagere, zijn overigens naar mijn aanvoelen vaak interessante figuren, die heel wat specifieke, waardevolle zaken gedaan krijgen voor de gemeenschap. Zo leerde ik zes weken terug Jos Vastmans kennen, de CEO van de Japanse multinational Terumo met vestiging in Haasrode. Ook deze man met imposante karakterkop kwam tot gesprek door de hond die  bij me hoorde. Hij bleek op die vrijdag de zevende september net zijn pensionneringsfeest achter de rug te hebben, en voor het eerst sinds vele decennia zonder die grote verantwoordelijkheden naar huis op weg te zijn met behulp van Lijn 4. Jos is zo een brugfiguur, die “gewone” mensen heel goed begrijpt, en dan ook vanwege de vakbonden een warm & dankbaar afscheid kreeg toebedeeld, maar die ook als denker met bijzondere kwaliteiten in de sociale communicatie, in Japan bij de bedrijfsbonzen veel krediet en respect genoot. “Men noemde mij ginder de Witte Beer”, vertrouwde de stevig gebouwde man me later tijdens een natuurwandeling door het Bertembos en de velden toe. Vastmans begrijpt de gewone arbeider goed, ook juist nadat hij zijn carrière begonnen was in de donkere lanen diep in de koolmijnen van Winterslag en omstreken. De speciale sfeer daar kon ik zelf vaststellen tijdens enkele uitgebreide bezoeken in de jaren tachtig, er heerste een groot gevoel van solidariteit. De mijnwerkers plaagden mekaar dagelijks, maar dat was goedaardig, en dat versterkte de vriendschap en de sociale cohesie. Elkaars materiaal verstoppen, de gamel leegmaken zodat de ander een maaltijd moest overslaan, je kan veel stoten bedenken. “Mijnheer”, zegde een mijnwerker mij tijdens een lange rondleiding toen: “De ingenieur draagt net als wij de helm, daarom respecteren wij hem, [ook al is hij van een andere klasse]”. De gids bedoelde dat elke menselijke wezen dat afdaalde en werkte in de zwarte diepte van de aarde, aan hetzelfde levensgevaar is blootgesteld.


Samen iets doormaken, iets dat echt, reëel gevaar voor de leden inhoudt, daar zou vandaag niet vaak voor gekozen worden, maar dat schept een waarachtige band. Dat is zeker een van de redenen dat jacht op wilde dieren en het leven, de life style van de jager weer interessant worden bevonden in een toenemend aantal kringen. Je kan dat bijvoorbeeld eenvoudig aflezen aan het aantal brasserieën en cafés waar herten geweiën en reeën geweien en opgezette roofdiertjes figureren. In de jaren negentig zouden klanten snel en fel protest hebben aangetekend.

Toen ik weer thuis was na de twee jongens te hebben uitgewuifd, waarbij de jongste een sigaret opstak, wellicht om zichzelf wat terug te vinden en de fijne ontmoeting met ons te vieren, en het plan groeide om dit stukje te schrijven, stapte ik bij het reiken naar een dossiermap per ongeluk het bundeltje omver dat  daar naast het bureau staat. Het bestaat uit zeven houten kegels en twee houten bollen, een fraai retor kegelspel. Ik neem mij al lang voor daar eens wat vaker mee te gaan spelen, en was er nog nooit zo onverhoeds mee in contact gekomen. Intussen heb ik de daad bij de gedachte gevoegd. Ik bedacht verder, nou, dat kan geen toeval zijn: door naast gewone jongens te gaan zitten, via “contact” neem je iets van hen over, ook juist dat jeugdige, dat speelse, dat onbezorgde. Die bedenking spoort met een opmerking die ik las bij de filosoof en theoloog van gemengde Spaans-Indische afkomst, Raimon Panikkar: voor hij als monnik ging leven, was hij actief als fysicus en chemicus in laboratoria, en dààr leerde hij die merkwaardige Wet: “Als je op iets wil gaan lijken, wil worden zoals een andere stof of figuur, dan moet je dat aanraken”. Ik stel me voor dat je door vaak een bepaalde chemische stof zoals zwavel of zuurstof aan te raken, een beetje haar eigenschappen overneemt, volgens Panikkar. Fysiek contact,  net als de ont-moeting, het blijft iets hebben van de mystieke, van de magische orde.


Historica en schrijfster Sophie Deschaepdrijver voorspelt tenslotte in de weekendkrant wel de komst van een nieuw groot militair conflict, een nieuwe grote oorlog, ze ziet duidelijke parallellen vandaag met de situaties van 1914. Of het op enige wijze mee kan helpen om dit rampscenario te vermijden, het benadrukken hoe mensen elkaar kunnen vinden en bruggen bouwen over de bestaande Kloven tussen culturen en klassen, hoe Ont-moeting een positieve dynamiek kan brengen, ook deze tussen mens en hond, hoe je gematigd gevaar kan opzoeken in vredestijd om je leven te verrijken, hoe paria’s interessant kunnen worden... ik weet het niet, maar ik wilde het toch even gezegd hebben.