about
Toon menu

Wat de medeburger met Marokkaanse wortels ons leert: waarom wij brillen... en alles willen.

dinsdag 3 april 2018
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.
  • De wereldburger van deze tijd, hij of zij draagt een bril, of draagt er geen. De redenen daarvoor zijn legio, en vaak slechts gedeeltelijk bewust.

Margot Vanderstraeten, die een hit scoorde met haar boek (memoir) over een orthodox-Joodse familie1, heeft een novelle geschreven2. Een pakkend verhaal waarbij wij de leefwereld van een Vlaamse met Marokkaanse wortels in kijken. En meteen de existentie zien door de ogen van een mens met een geestelijke stoornis,  i.c. magerzucht. De schrijfster verscheen op De Afspraak en deed een uitspraak over het zelden dragen van brillen bij de betrokken groep. Daarop schreef de jonge Belgische van Marokkaanse origine Yousra Benfquih een opinieartikel in De Morgen (wat een rijkdom voor het Debat, die nieuwe kleuren) . Vanderstraeten brengt een verduidelijking in een opiniestuk in De Morgen (3/4). Zij merkt op dat onze gezondheidszorg, en zeker de geestelijke gezondheidszorg, nog wit is. Er zijn zo goed als geen psychiaters noch patiënten van andere groepen. De opmerking over het niet dragen van brillen blijkt onderbouwd, met vele wetenschappelijke onderzoeken. In dit verband heb ik enige reflecties en observaties, die toelaten onszelf beter te leren kennen. Met dank aan de andere aard van de anderen.

Vijftal minuten leestijd

 

 

Er zijn dus sociaal-economische factoren die bepalend zijn voor de keuze een bril te dragen. Jazeker, en culturele en religieuze. Misschien nog essentiëler voor de kwestie “Ga ik een bril dragen of niet?”, is een bepaalde fysiologische factor. Een reactie van het lichaam en de geest, die voor de meeste brildragers toch onbekend blijft.

 

De bril is soms geen lust, maar een last. Een bron van (onbewuste) ergernis en onvrede. 

 

Reeds midden jaren zeventig, als dertienjarige, koos ik er geregeld voor de bril (beperkte dioptrie van 2,5) niét op te zetten. Gelukkig had ik daar totaal geen neveneffecten bij; voor sommige mensen brengt dat hoofdpijn. Ik debatteerde met een (brildragende) leraar scheikunde op college in de humaniora. “Je mist dan toch veel” zegde de man te goeder trouw. Daar plaatste ik tegenover:

“En toch, op deze manier, zonder de bril op de neus, is het rustiger voor mijn geest”. 

En ik haalde het voorbeeld aan van Thomas Edison, de multipele uitvinder (o.a. van de gloeilamp) uit de VSA. Die verklaarde aan reporters:

“Ik vind het niet erg dat ik doof ben geworden door een ontploffing in mijn lab; op deze manier wordt ik minder afgeleid bij mijn onderzoekingen!”


Die uitspraak fascineerde mij meteen. Ik zag er de wijsheid van. Vandaag komt dat aspect voor ieder van ons veel dichter.


“Sensory overload” is een toenemende kwaal. Overal zijn er lichten, flikkerende toestanden, biebtoontjes, grommende motoren, muziek en muzak, verkeerslichten, koplampen, toetergeluiden...


Elk tijdperk kent zijn voordelen. Er zullen vandaag wellicht minder krijsende wijven problemen veroorzaken in de (arme) stadswijken dan honderd jaar terug. Ook generaals en officieren horen wij niet meer roepen. Zelfs bij het Défilé Nationale blijft het stil, op wat handgeklap na, zo kon ik optekenen (zie blog van juli 2015).


Over enkele "filosofische aspecten" van het dragen van een bril en de onderliggende oorzaken heb ik  overleg gepleegd met mijn oogarts, mevrouw Macken. Zij had meteen haar eigen getuigenis:


“Ik krijg geregeld patiënten die na jaren een veel sterkere bril nodig hebben; ik schrijf die voor, en ze halen die; maar na een week staan ze hier terug: “Geef me mijn oude sterkte van glazen maar terug", hoor ik dan, "Ik zie veel te veel, het is een chaos!”".

 

Het wordt nog straffer: de oogarts bevestigde de werkhypothese die ik had ontwikkeld: "Misschien kiezen de ogen van sommige mensen ervoor om minder scherp te zien?"

“Zou het kunnen dat de natuur, ons lichaam zelf, zich verdedigt tegen de omgeving die zwanger is van indrukken en prikkels (en opdringerige mensen, toestanden, bazige bazen, dito ouders..)? Dat sommige mensen zélf een onscherp beeld ontwikkelen, reeds in de kindertijd...”

Het antwoord van de oftalmologe:

 

 

                 "Zeker. Wij verdedigen onszelf!"

Onscherp zien, het is dus soms een defensieve tactiek die onze geest in samenspraak met onze ogen ontwikkelt tegen een overlast vanuit de buitenwereld.

 

  • Helemaal zo gek nog niet, dus, dat idee je bril niet (altijd) op te zetten!

    De conclusie mag  dan ook alweer zijn: die “vreemdelingen”, zij brengen interessante leermomenten!

 

 Je leert jezelf vooral kennen door vergelijking met anderen.


 

Je mag niet alles willen

Er zijn dus sociaal-economische factoren in  het spel bij de keuze een bril te dragen. En ook religieuze? Zeker. En ik wil nog meer zeggen: dat is ook heel normaal en dat geldt ook op diverse andere terreinen. Deze diverse 'sferen', cultuur, biologie, religie, economie.. bepalen welke waarden wij laten domineren bij het maken van keuzes. Bij het bepalen van onze levensstijl en identiteit. Spontaan denk ik meteen aan het voorbeeld van de Tsjetsjenen dat ik tijdens de oorlog ginds vernam, van vluchtelingen in Leuven.  De heersende lokale cultuur brengt er blijkbaar een conflict tussen krijgeridealen aan de ene kant, en erotiek en genotsmiddelengebruik aan de andere. De Tchetchenen kennen veel waarde toe aan mannelijke strijdbaarheid, in de letterlijke zin dan, militair. Een van de gevolgen is dat zij veel tijd in de fitness doorbrengen, sit ups oefenen thuis, halve marathons lopen... en minder belang schijnen te hechten aan erotiek, verleiding, hofmakerij, liefde... en ook neerkijken op biergebruik of drugs!

Dat relateer ik dan graag aan een hoofdartikel vandaag in de kranten, waar de lofzang wordt gezongen van onze regering die het mogelijk maakt gameten in te vriezen, zonder zelf diep in de geldzak te moeten tasten. Zo kan iemand die kankertherapie moet ondergaan en onvruchtbaar wordt, later toch kinderen krijgen. Iemand schrijft:


"Je kinderwens moeten opgeven omdat je geen geld hebt: zo erg is dat!".


Maar is dat zo? Misschien moeten we hier toch even nuchter blijven. Waarom zouden wij als tijdgenoten meer rechten op kinderen hebben dan de mens van twee, drie generaties terug? Veel mannen en vrouwen die geen erfenis ontvingen, kozen destijds, eeuwenlang, voor beroepen die een veilige, comfortabele omkadering boden, maar geen kindertjes konden (ver)-dragen. Zoals het dienstpersoneel bij de elite (butlers, gouvernantes, dienstmeisjes, koetsiers, tuinmannen, concierges...). Velen kozen ook mede om die redenen het priesterschap, of zij werden moniale (vrouwelijke monnik) in abdij of klooster.


Kortom, ik heb het er wat lastig mee, met die spie van onze mentaliteit, die maakt dat wij vinden dat het normaal is "alles te willen". Niet alleen omdat dit getuigt van een veeleisende levenshouding. Het klinkt aanmatigend, geeft wellicht toch ook blijk van een bepaald gebrek aan gezonde nederigheid. Ik geef toe, ik zondig er ook nog tegen, onder anderen vanuit het dol zijn op de synesthesie-genieting. Als je tegelijk kan genieten van een goed glas, van gezellige warmte, en van krachtige klassieke muziek uit degelijke luidsprekers... dan is dat bijna letterlijk een eargasm, zoals de publiciteit van een Japans merk in de jaren tachtig opmerkte.

Aan de andere kant mag ik niet overdrijven: in vergelijking met de meeste mensen van hetzelfde opleidingsniveau en cultuur ga ik op bijna Spartaanse wijze door de dagen. Zonder automobielmachien, zonder frequente verre reizen, zonder huis in eigen bezit, zonder veel exclusieve siervoorwerpen in ons interieur, zonder houtkachel, zonder motorfiets (sinds de jaren negentig), wij eten zelfs sober op de meeste dagen... Aan de andere kant is het een hele rijkdom, je eigen agenda  in de hand te hebben, en tijd te kunnen maken voor ontmoetingen en gesprekken, al dan niet van mensen in nood. 

Het tegelijk als het ware alles willen, dat lijkt toch een houding die niet de beste is. En dat zelfs niet in de eerste plaats omdat demografische hoge aantallen mensen die allerlei zaken kopen en gebruiken ecologisch bijzonder belastend zijn. 


Maar vooral omdat zulke veelwillende houding een snelweg is naar een mislukt leven. Wie alles (tegelijk) wil, die eindigt versnipperd en ongelukkig.

Het lijkt zo te zijn dat de Werkelijkheid van de mens zo is opgebouwd...

 

... dat je des te meer van iets geniet, als je er een ernstig offer voor hebt gebracht. 


Als je iets anders hebt gelàten, om het meest begeerde te verwerven. 


Zoals in de man die in de evangelies aan bod komt, die in de tuin van een rijke vent arbeid verricht, en er in de aarde een schat vindt. Of diegene die een prachtig kunstwerk ontdekt in een antiekzaak, en meteen naar huis gaat, zijn gewone bezittingen te gelde maakt, en met die fondsen de fantastisch grote parel koopt. 


Besluit: als Vlamingen – van Marokkaanse oorsprong of  met inheemse stamboom die teruggaat tot de middeleeuwen – willen zonder bril door 't leven gaan: alle respect!

 

 

Stef Hublou

 

 

Creative Commons toepassen bij het delen (niet wijzigen, bron citeren). 

 

Noten

1“Mazzel-tov”.

2“Het zusje van de buurvrouw”. In opdracht van Te Gek!?