about
Toon menu

Twee Chinese bloemen, Leuven

zaterdag 25 november 2017
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.
  • © Jon Siegel, Flickr Photo Sharing


Tederheid bij de bushalte. Het kan, in mijn universum. Een King Size Column.

 

Het is vrijdag, naar goede gewoonte heb ik DS Letteren gelezen. In stripboekhandel Gobelijn was de uitbaatster content met mijn gouden tip dat er onder de 16 cadeausuggesties voor onder de kerstboom, heel wat tekenverhalen zijn besproken; van Luitenant Blueberry voor de mannen die van rokende colts en drinkende soldaten houden, tot De kat van de rabbijn voor fijner gestemde zielen. Met onze marktaankopen gaan we naar de halte aan de Dirk Boutslaan. Geen bus te bekennen, het oog reikt tot aan de Lange Trappen van de Sint Pieterskerk. Er staan al een vijftigtal personen te wachten. Ik merk mensen op uit vele windstreken. Uit Oost-Europa, zoals Melanissa, de dienster met Servische wortels van het Brouwershuis; op het venstertablet van Night Bites zitten twee jongens, een is duidelijk uit Arabische genen gesproten. Tussen de Afrikanen van bezuiden de grote Sahara voelen wij ons ook nog altijd dadelijk thuis; de drie jonge mannen van achteraan de twintig zijn geen studenten. Dat zie ik aan de wat al te casual kleding en ook aan de wat grovere fysionomie van de gezichten. Een geletterde mens, die gewoon is geconcentreerd na te denken, dat lees ik van de meeste gezichten dadelijk af. De lichaamshouding van de wellicht Ghanese of Togolese mannen is ook niet voldoende zelfzeker noch zelfbewust om de betreffende in Leuven vaak evidente categorisering toe te laten. Twee meiden van Vlaamse origine komen de groep onafhankelijk van elkaar vervoegen. De ongewoon kleine jonge vrouw van een jaar of drie en twintig heeft trekkingschoenen aan, die haar compacte gestalte nog meer kloekheid geven; oortjes met muziek bekleden de blonde golvende lokken, en sluiten het wezen veilig af van sociaal en oogcontact; ook al kijkt ze met de hare even in mijn ogen. Het valt mij op deze laatste werkdag op dat de meeste wachtenden er vrij vermoeid en in zichzelf gekeerd uitzien. Slechts een kleine minderheid is in gesprek.


Het medemensenduo dat meteen mijn grote aandacht en fascinatie opwekt, zijn twee jongedames afkomstig uit het Verre Oosten. Voorlopig weet ik niet of zij Japans zijn of Chinees. Hun kledij is een streling voor het oog. Rijkelijk van materialen en textuur en daarbij sober van stijl. Ik sta op een meter of drie en half van hen vandaan, op het trapje, schuin achter ze. Als snel moet ik aan de grappige observatie denken die de humoristische Amerikaanse reisschrijver met Britse roots, Bill Bryson in "Neither here nor there. Travels in Europe" maakt over de Belgen die hij ziet.


“These Belgians, they all seem clothed in coats and pants and pullovers that come direct out of the store”.


Het linkse ranke meisje is het grootste en beslist ook het oudste, ze zal een jaar of vierentwintig zijn. Haar hoofd is onbedekt, het haar is zwart, echter zonder het vaak opvallende ultra ravenzwarte van de mensen van China en Japan. Het haar van die Oost-Aziatische leden van onze soort is zoals u weet zeer sterk en taai; het kan een gewicht dragen dat ver superieur is aan wat het onze aankan, voor het knapt. Dat hoofd bekroont de slanke, rijzige gestalte die in een lange mantel in zachte herfstgerelateerde kleuren is gehuld. Een mantel in écru, vilt ogenschijnlijk of wol, met de kleur van geelachtig woestijnzand. Allicht van van Britse merk makelij, zoals de handschoenen van Dents die ik zelf draag, “Originals from 1777”. Haar handen zijn vrij, ik zie dat de vingers lang en slank en soepel zijn. En niet te blank. Een kleurtje lijkt mij altijd meteen warmer, vriendelijker dan blank, eerlijk gezegd. Die associatie is waarschijnlijk ook een bijzonder persoonlijke; exotische mensen zijn heel vaak vriendelijker, gezelliger omgegaan met mij en mijn nauwste familieleden dan de wat trotse, meer hooghartige autochtone medeburgers; dat is al zo gegaan sinds de eerste Congolese student bij ons een kamer huurde in 1973. Onder de jas zijn de benen van de vrouw, die wellicht doorstudeert, gehuld in een zwarte skibroek in rekstof. Die gelijkt sterk op wat mijn moeder droeg in de jaren zeventig-winters, de pikzwarte broek die zij meegebracht van haar jarenlange verblijf in de hoofdsteden in het Hoge Noorden. De verhoogde schoenen zijn gemaakt uit bijna zwart gekleurd leder, en zijlings voorzien van een groot afgerond stuk linnen dat doorweven is met rubber, om de instappen mogelijk te maken. Het meisje rechts van haar draagt exact hetzelfde type schoeisel, en de dunnen jeansbroek is eveneens van een kraaknieuw helder zwart. Daarboven draagt de jongste een lekker zacht uitziende, dikke jas van gebroken wit. Als sneeuw in de Gobiwoestijn waar iets overheen is gewaaid. Op de rug van het meisje zit een al even nagelnieuw uitziende rugzak, ook in het zwart, met een opvallend merk etiket met daarin een reeks woorden waarvan ik 'Travel' onthoud. Haar haar is nog iets bleker dan dat van haar gezellin, een heel donker soort bruin, en lekker lang en los, tot over de schouders. Even ga ik twijfelen, is zij ook een Oosterse? Zij staat meestentijds met de rug naar me. Heel af en toe zie ik iets van het gezicht. Ha, de neus is atypisch gevormd, hij lijkt wel Europees of Latijns Amerikaans, met indianeninvloed, een imposant condor-neusje is het.


Dat mijn blik zo graag rust op deze twee 'zusters' komt ook juist, zo merk ik na enig innerlijk navoelwerk op, omdat beide schepselen veruit de meeste vitaliteit en blijheid uitstralen van de uit tientallen personen bestaande groep. Die toestand van innerlijke rijkdom is hier echter op zo discrete wijze beleefd, dat het wellicht niemand anders is opgevallen. Zelf kan ik er niet naast kijken. Het leven is mijn eeuwige grootste studieobject, in al haar verschijningsvormen. Het rechtse meisje wipt soms sensueel een klein beetje op en neer in de schoenen, bijna als een schoolkind dat in Tokyo op de Shinkansen staat te wachten. Ook de linkse jonge dame laat haar enkels de vrijheid wat speels te kantelen nu en dan. De vrijheid van iemands geest, ik zie dat vaak onmiskenbaar in de manier waarop de ziel het lichaam bewoont en bestuurt. Dat beide mensen wel erg dicht bij elkaar staan, valt me op.

Intussen is er nog geen enkele bus langs geweest. De kraamhouders denderen in hun vrachtwagens langs, op weg naar huis. Met lichte maar intense sympathie en volwaardig ontzag zie ik met scherpe blik vanop mijn plek hoe de heer De Nul aan het stuur zit van een imposante lichtgrijze wagen die zijn naam voert op de flanken. John is een ware held. Een kleurenkopie van het ereteken, zijn decoratie ontvangen uit de handen van minister Jan Jambon, siert week na week een zijpaneel van het kraam van zeevruchten en vis. Ik heb na het opmerken van die affiche zijn verhaal opgevraagd en volledig met grote aandacht beluisterd, een paar weken terug. John De Nul heeft vijf buren, mannen, vrouwen en een kind, uit hun brandend huis gered. De eerste handelingen stelde hij, vanuit reflexen aangeleerd als vrijwillig brandweerman, in zijne pure, zijn dochter is hem een broek komen overhandigen... terwijl hij op blote voeten in de met glasscherven bezaaide straat met een ladder in de weer was. Zo een man heeft mijn diepe respect. Logisch misschien, nadat ik zelf een aantal mensen het leven heb gered. Zoals aan de algemene hulplijn “106”. Bellers met acute zelfmoordplannen. Of nog, omdat wij thuis ook een brand meemaakten, in 1980. Moeder lag een volle maand op de brandwondenafdeling, zweefde wekenlang tussen leven en dood.


De mooie vrouwen... als het Japanse mensenkinderen zijn, is het concept BIJIN voor hen op zijn plaats, dat is het woord dat je op het langgerekte eiland voor een Schoonheid gebruikt - zij hebben gemerkt dat ik interesse betoon. Maar omdat ik op voldoende afstand ben gebleven, niet sta te staren, en vast ook omwille van de charmante hond die ik bij me heb, heb ik hen niet verontrust. De linkse is het dapperst, haar hoofdje draait geregeld naar rechts, naar beneden, naar boven. Daarbij kijken haar kijkers af en toe gedurende een ondeelbaar moment in de mijne, maar dat is een actie die zij met grote aandacht en gezonde waakzaamheid uitvoert. Zoals ook onze vrouwen dat goed kunnen. De vrouwelijke mensen moeten wel meesters zijn in het  snel beoordelen van een mannelijke mens, dat is duidelijk in deze herfstweken met Weinstein echo's, die vaardigheid kan hen in bepaalde omstandigheden wellicht een verkrachting besparen... Beide grote meisjes glimlachen geregeld naar elkaar. Ze kijken soms op hun smartphones. De vingertjes glijden speels over de schermen. De generale indruk die ik krijg is er een van mensen boordevol vredige vreugde, vol leven; ontspannen hedendaagse meiden die goed in hun vel zitten. Het kleinere vrouwtje dat rechts staat, het dichtst tegen de straat, heeft op een gegeven moment bijna onmerkbaar, rustig maar vlot een volkomen cirkel beschreven, haar smartphone op navelhoogte in de hand. Even kijkt zij daarbij in mijn ogen, zij maakt met een glimlach een filmpje. Wellicht heeft Fellow haar daartoe aangezet, hij is charmant. Nog geen halfuur geleden, gezeten op het terras van het theehuisje met heerlijke dessertjes in de Mechelse wandelstraat, verkondigde de dame met Nederlandse tongval die met haar man iets nam, terwijl zij mijn hond uitgebreid warm aanhaalde, “Ik neem hem mee naar huis!”


Het is fijn, naar Engelen te kijken in dagen die naar Sinterklaas en Kerstmis glijden.


Wat ik had vermoed, drukt zich dan ineens onaangekondigd zeer duidelijk uit. Dit zijn zeer goede vriendinnen. Ook juist hun gewoon menselijke vriendschap voor elkaar maakt dat zij het goed stellen, en zo vol leven zijn. Op misschien dertigduizend kilometer van hun geboortegrond, in een gebied met leven dat door anderen talen en gewoonten en wetten wordt beperkt en aangestuurd. De rechterhand van de grootste, deze met haar vrouwenbrilletje voor de guitige ogen, gaat een volle minuut lang traag, behoedzaam, maar vol van fijn en voelend leven, over de rug van de andere vrouw. Tederheid. Lichaamstaal. Body language, yes. Stilte. Expressie. Zusterlijke genegenheid. Troost. Aanmoediging. Warmte. Bij negen graden Celsius. Kijk, daar gaat die zielstimulerende hand nog even naar de schouder, blijft daar op liggen, gaat even op en neer, als in een gestileerde schouderklop. Het kon een professioneel gebaar zijn van een topactrice uit het theater. Het Japanse Kabuki, bijvoorbeeld, met de actrices met wit gemaakte gezichten. Neen, ze zijn niet uit Nippon afkomstig; dankzij een gunstige wind heb ik tijdens een halve seconde een paar woorden opgevangen, en de Chinese taal herkend. Die is zangerig. Met een rijke waaier aan klinkende hoge klemtonen. Of ze samen vrijen weet ik niet met zekerheid. Dat lijkt tot de mogelijkheden te behoren. Who cares? Ook al weet ik uit ervaring dat de lichamen van meiden uit het Verre Oosten vaak op een verrassend onschuldige manier heel erotisch en seksueel mooi kunnen zijn. Warme, gloeiende vriendschap en sympathie van ziel tot ziel en van lijf tot lijf, dat neem ik hier en nu waar. Subtiel en sociaal volkomen aanvaardbaar vorm gegeven. Het is niet toevallig een zeer oude cultuur, de Chinese. Confucius stelde zoals je weet de Relatie voorop. Niet het gelijk krijgen in discussie, niet de winst in goederen. De Chinese, is van de vele werkelijk sociale culturen van de wereld.


De warme verhouding tussen de twee roept bij mij vanzelf het beeld op aan de stortvloed van fijne tederheid die de schone, eigenzinnige, intelligente Catherine Heathcliff neer laat komen op de ruwe boerenjongen van haar keuze, haar neefje Hareton, terwijl zij hem leert lezen en schrijven in het grote, oude landhuis dat desolaat op de weidse heidevlakte staat. Die scene, dat sublieme geschenk van schrijfster Emily Brontë aan haar lezer die met haar door een reeks van tientallen hoge brandingsgolven van familiale spanningen is gegaan, getrokken, bevindt zich in de slotpagina”s van haar enige roman “Wuthering Heights”. Kort na het schrijven van dit verhaal, wellicht de meest gelezen en meest becommentarieerde roman ooit & in alle landen, zal Emily overlijden, drieëndertig jaar jong, zonder de latere, zeer verdiende lof of erkenning te ontvangen. Geen wonder, de lezers en recensenten met gezag waren toen zonder uitzondering mannen... het verhaal staat bol van de scherpzinnige, doorlijfde vrouwenkracht.


We kunnen leren van heel andere mensen. Bart De Wever, misschien onze enige echte top politicus van de laatste zeven jaar, had vier jaar terug de moed zich luidop af te vragen, “Wat is de meerwaarde van immigranten”. Peter De Roover, fractieleider van de voormalige op China georiënteerde communisten partij in de kamer, schrijft in zijn opiniestuk deze vrijdag de 24ste, precies een maand voor kerstavond, naar aanleiding van de amok in de hoofdstad dat wij de regering niet mogen verantwoordelijk stellen voor gebrek aan respect bij jongeren voor de ordediensten. De Roover stelt dat "wij blijkbaar het meest gewone niet meer kunnen: samenleven". In mijn meest heldere momenten zie ik zelf het toch allemaal goed komen: Tederheid als onbetaalbaar importproduct. Voor ons, ja ons, door Osmose. De pure aanwezigheid van mensen en hun good practices gaat ons 'besmetten'. Goede Stijl werkt aanstekelijk. Tederheid treft. Voorbeelden wekken en trekken, toch? Of is de fout in mijn wiskundige bewijs het overschatten van het algemeen menselijk vermogen tot intense Aandacht en Waarnemen?


Diezelfde dag had ik in de kiosk op het De Somerplein enkele buitenlandse kranten bekeken. De Chinese krant stond vol van karakters zoals te verwachten was. Maar op de cover vielen mij ook een vijftal kleine foto' op die allemaal hetzelfde onderwerp hadden:... gevechtsvliegtuigen, grote en kleine, boven land en boven zee. We kunnen misschien, misschien, toch best goedschiks... …


– – –


De heldere zon schijnt onverminderd. De lijnbus naar Kraainem Metro neemt beide vrouwelijke medemensen mee. Kort daarop komt bus 5 waarin wij zelf, in goede stemming ondanks de koude, verdwijnen.