about
Toon menu

Waarom Arabische Strijders al eeuwen stoefen met hun slachtoffers. Antwoorden aan Maarten Boudry

vrijdag 25 augustus 2017
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.
  • Auda Abu Tayi, een kleurrijke aanvoerder van zijn krijgshaftige woestijnvolk, die niet zonder trots een 43 tal vijanden doodde in de strijd in het eerste derde van vorige eeuw.

De grote vraag die wij ons na nine eleven moeten stellen lijkt mij een dubbele: "Waarom die in scène gezette wreedheid"? Maar ook, "Waarom die boosheid op het Westen?" Vanuit  werkzaamheden en belezenheid wil ik met antwoorden komen die misschien wel op enige waarachtigheid kunnen bogen.

 
De eerste vraag, deze naar de ostentatieve wrede handelingen, heeft ook Maarten Boudry de laatste tijd flink bezig gehouden. Het essay van april dat naar antwoorden zoekt op de wel erg pronkerige houding van betrokken strijders wat hun gruweldaden betreft, bevat axioma's die bij velen vragen opriepen en soms bevreemding wekten. Hij stelde dat de haat en agressie van de jihadi's wreder en gevaarlijker is dan die van de Nazis. De jonge filosoof werd over zijn bevindingen op de rooster gelegd in De Morgen. Deze dialoog vind u terug op de blog van betrokkene, https://maartenboudry.blogspot.be/. Boudry heeft bij sommigen de indruk gewekt het Nazi geweld, en dus het onbeschrijfelijk zware lijden van de miljoenen slachtoffers, te minimaliseren. Ik las dat interview, en het intellectuele spel wekte inspiratie op.
 
 
Vooreerst moet ik opmerken dat Maarten Boudry toch wel beschikt over een interessant en zeldzaam denkvermogen. En tevens over de moed om met dat hoofd heel grote gehelen tegenover elkaar af te wegen, een soort eindbalansen over beschaving op te maken, én met de gevonden conclusies fluks naar buiten te komen en zo het Maatschappelijk Debat te voeden. Kwesties zoals de evolutie van het niveau van geluk in de mensheid doorheen de tijden, of vergelijkingen van de vormen die wreedheid aanneemt in de ene beschaving en de andere. Toch wel grote en (dus) interessante dingen, die een Rutger Bregman, de jonge visionaire Nederlandse historicus ook boeien, of een Yuval Noah Harari, de jonge Israëlische filosoof. Niet iedereen loopt graag mee met hun redeneringen. De laatstgenoemde slaat zelfs niet aan bij de redacteurs van The Guardian, maar een solide figuur als Barack Obama merkte in elk geval op dat deze boeken en denkbeelden de geest uitdagen ("they are provocative") en aan het denken zetten. 
 
Persoonlijk meen ik dat we als samenleving meer dan ooit nood hebben aan denkers die de “Sweeping Questions” aanpakken. Aan de Amerikaanse universiteiten leren studenten, alvast voor mijn vakdiscipline van de geschiedenis, veel meer zulke Grote Vragen op jonge leeftijd te behandelen. Bij ons gaan de typische thesissen over veel meer beperkte fenomenen, zoals het leven van een ridderfamilie of de voedselsituatie in een dorp, en hebben maar een spanwijdte in de tijd van hooguit enkele decennia. Vlaamse historici blijken meestal minder gepassioneerd door filosofische grote vragen. Of zij menen in alle nederigheid dat zij deze vragen best aan anderen overlaten. Nochtans, de grote synthese & de grote samenhang zien en (trachten) verklaren, dat lijkt vandaag belangrijker en relevanter dan ooit. Wereldnieuws bereikt ons als nooit voorheen in de geschiedenis, grote groepen mensen zijn over van alles goed geïnformeerd, en daarnaast spelen wereldcrisissen en wereldwijd werkende gevaren. 
Anderzijds valt mij ook deze keer op dat Maartens redeneringen wel heel zuiver zijn, maar toch wat eenzijdig uitvallen, nog veel vlees aan het skelet ontberen. Misschien ligt dat aan de leeftijd van betrokkene. Of aan een vorm van haast om dingen te zien, te doorzien en de gevonden waarheid door te geven. In dit geval, in het debat over het gewapende jihadisme, merk ik bijvoorbeeld dat het bouwsel dat Boudry optrekt om naar eigen zeggen in de hoofden van betrokkenen te komen en te kijken, een vrij smalle toren is, om het met een metafoor te zeggen. 
 
Er zijn, zo weet de historicus, in het goed verklaren van de werkelijkheid van het verleden altijd “multicausale verklaringen” nodig. Er zijn bij grote gebeurtenissen of diepe vragen altijd meerdere factoren in het spel. De kolonisatie van Noord Amerika door West Europeanen, bijvoorbeeld, ging maar van start en kreeg maar envergure, door toedoen van factoren in de sfeer van zowel de demografie (overbevolking, armoede, honger), de psychologie (zin in avontuur, goesting naar weelde en rijkdom, kansen om persoonlijke macht te vestigen...), de godsdienst (zielen gaan winnen voor het Rijk Gods en de Hemel, opvoeden, moraal opkrikken, een vruchtbaar mensbeeld verspreiden...), de economie (gunstiger vaarroutes verkennen, handelswaar toevoegen aan de stroom van de wereldhandel, nieuwe landbouwgronden in gebruik nemen), het militaire domein (het karveel was een zeewaardig nieuw type schip, het kompas kwam in gebruik, onze mensen beschikten over gevaarlijke, doeltreffende kanonnen...), politieke etcetera. Boudry wijdt geen enkele aandacht aan evidente motivaties bij de jihadi strijders als de wrok van de Arabische wereld naar de Amerikaans-westerse cultuur. De misnoegdheid met onze leidende en soms op dwingende manier leidende beschaving, onze opvattingen over het goede leven en de ons maar al te goed bekende levenswijze. Die nevralgieke houding, die afkeer van diverse stromingen in de Arabische Wereld voor de onze, is onder meer te wijten aan een lethargie, een slabakken van de cultuur rond de Arabische taal en de Koran, en dit sinds meerdere eeuwen. Een soort van Cultuurschok gevoed door jaloezie, door afgunst. Die stilstand, of schijnbare stilstand, die armoede, of schijnbare armoede, dat brengt pijn bij vergelijking met de op het eerste gezicht vaak fantastische (maar vaak ook holle) successen bij "de andere groep", waar wij toe behoren. 
 
Dominique Moïsi, Fransman geboren in 1946 uit een vader én een moeder die de Nazi kampen hadden overleefd, eminent hoogleraar internationale Betrekkingen, belicht die kwestie van culturele schaamte bij de moslims goed in het baanbrekende werk “De geopolitiek van emotie” (2012). Wij hebben in eigen kring met Emilio Platti, geboren in een gezin van een ingeweken Italiaanse steenslijper, Jezuïet met jarenlange deeltijdse woonplaats in Caïro,  een wereld autoriteit in huis op het vlak van kennis van de Arabische wereld. In zijn essay “Islamisme”, waarvan de verschijning werd aangekondigd in het christelijke weekblad Tertio op de woensdag van de aanslagen tegen Charlie Hebdo, legt de arabist haarfijn uit hoe die haat en afkeer van de wetenschappelijk-industriële annex consumptiemaatschappij bij de Arabische gemeenschappen in het nabije Oosten al letterlijk honderdjarige wortels kent. Van de Moslimbroderschap in Egyptische context, tot de Salafisten en Wahabieten onder de spartaanse strijders in de woestijn van Saoudi-Arabië en Islamitische Staat (IS/Daesh). 
 
De grote vragen over internationale wrok, agressie en geweld houden mij ook al enige tijd bezig. Dadelijk na de aanvallen op de Twin Towers in Manhattan op 9/11, eminente symbolen van een gehate multinationale economische macht,  schetste ik in De Standaard vanuit het buitenland een empathisch beeld van de mogelijke motieven van de aanslagplegers, deze gewiekste en goed georganiseerde zelfmoordpiloten. Het gaat in hun hoofde om evident veel meer en om een veel breder ongenoegen en rancune, dan om louter ziekelijk sadisme, en om veel meer dan toewerken naar een imaginaire hemel na dit leven met maagden als seksuele partners à volonté. Boudry focust al te veel op het religieuze aspect, om welke reden dan ook. Het onbekende fascineert de mens, dat is al vaker vertoond. Mensen in zijn kringen missen vaak de gewone voelsprieten voor het spirituele, voor Godsaanvoelen, gebed, religieus ritueel, lectio divina et cetera. 
 
Boudry schreef, "de islamitische (sic) jihadi's zijn gevaarlijker en wreder dan de Nazi's geweest zijn". Persoonlijk vind ik een Adolf Hitler op het vlak van gedrag naar mensen niet bepaald sympathieker dan een Osama Bin Laden. Dat koelbloedige, dat systematische in de mensenvernietiging, dat lijkt mij juist nog onmenselijker. In het strafrecht is er ook traditioneel meer clementie voor passionele moorden dan voor met voorbedachtheid uitgekiende en secuur uitgevoerde wandaden.
 
 
 
Een ander belangrijk punt dat de filosoof die school liep bij Etienne Vermeersch niet betrekt in zijn analyse en poging tot begrip van de geweldenaren, is juist het universele fenomeen van de openheid naar wrede behandeling van gevangenen en tegenstanders. Dat is iets, zo weet de antropoloog en de militair historicus, dat bij vele niet westerse culturen voorkomt. Gevangenen werden op creatieve wijze gemarteld, zonder schroom. Dat gebeurde zo bijvoorbeeld bij de Mohawk aan de Grote Meren in het grensgebied tussen de VS en Canada, en die vaststelling was voor de hedendaagse schrijfster met indianenroots Diane Glancy een reden om toch de komst van het christendom als positief te beoordelen, ondanks alle landroof, alle vernederingen, alle genocides die de westerlingen haar trotse volk gebracht hebben en vandaag nog aandoen. Lees er het fascinerende, mooie maar rauwe “The reason for Crows. A story of Kateri Tekakwitha” op na, een verhalende biografie van de eerste Indiaanse vrouw die in de familie van de katholieke heiligen is opgenomen, enkele jaren geleden, door Paus Benedictus. 
 
Vandaag veroorzaken Arabieren trammelant wereldwijd. Terwijl hun cultuur ook schatten bevat, en de meeste mensen met die achtergrond ook maar gewone mensen zijn, met relatief eenvoudige en moreel verantwoorde menselijke doelstellingen. Zoals alle dagen couscous (en lam) op tafel brengen voor de hele familie, kansen om met een lief van start te gaan in het bestaan en dus ergens een geldloon te bemachtigen, het lichaam goed kunnen verzorgen, en de geest wat voeden, met lectuur, verhalen en foto's. Maar er is wel permanent enig trammelant. Daarom is het voor observatoren een goed idee te rade te gaan bij figuren die in het verleden de Arabieren en de Arabische ziel het dichtst hebben benaderd en leren kennen. Lawrence of Arabia is zo iemand, die is volgens mij incontournable geworden. Zijn diepgaande analyses doorstaan bijna altijd de tand des tijds, en ik hoor ze vandaag nog veel te weinig benut worden.  Naar aanleiding van zijn geboortedag vorige week, schreef ik een beknopte belichting van zijn levenswerken, uitgangspunten en biografie als blog. http://community.dewereldmorgen.be/blog/stefaanhublou/2017/08/16/bij-de-verjaardag-van-t-e-lawrence-of-arabia-1888--1935-een-held.
 
 
Welnu, de Arabische stammen zoals de Howeitat, de Abu Tayi, de Argyle, de Beni Sakhr, de Tallal enzovoort, die waren heldhaftige woestijnstrijders, die ook toen al geregeld niet beschroomd waren om hun overwinningen op vijanden nadrukkelijk te etaleren. “Seven Pillars of Wisdom. A triumph”,  het briljante verslag van de daden, visies en expedities van Lawrence of Arabia verdient absoluut het (her)lezen. 
 
Het zou best kunnen dat in de westerse traditie gaandeweg de tribale zin tot wreedheid naar vijanden is gemilderd door de invloed van eeuwen van christendom. Hitler was bijzonder moorddadig, maar kon op zijn gedrag niet meer trots zijn, of toch niet openlijk. Jezus had de tijdsgeest een andere kant op gejaagd. Immanuel Kant heeft vervolgens de bekende gulden basisregel van de menselijke moraal die Jezus al had verwoord, en ook in vele andere religies centraal staat, 

"Doe de medemens nooit aan wat je zelf niet wil ondergaan" 

al indrukwekkende geformuleerd in zijn categorische imperatief in drie gedaanten."Gebruik de mens nooit louter als middel, maar steeds ook als doel (door hem te bevorderen, groeikansen te geven)". Je zou het niet zeggen, als je de cultuur bij de bankiers van dichtbij bekijkt, maar onze cultuur kent die principes dus al meer dan 200 jaar. Dat denkwerk en dat moraliseren bleef echter ook niet geheel zonder gevolgen. Lawrence beschrijft hoe het in de kringen van de woestijnvolkeren de bedoeïenen, niet echt afgekeurd werd, als er figuren prat gingen op hun krachtige identiteit, hun strategisch genie, hun moed in de strijd, ook niet als dat vergezeld ging van een zekere moordlust, zoals bij de stamleider Auda Abu Tayi. Die kende tot in detail alle legenden en verhalen van zijn volk uit het hoofd, wat meebracht dat hij elke  nieuwe gebeurtenis gemakkelijk kon plaatsen, hij was oud en wijs, vaak in opperbest humeur, reed te zingen dat het galmde bovenop zijn kameel... De fenomenale man had echter ook geregeld last van grote existentiële onrust, van innerlijke tweespalt en pijn. Dat hij die bestreed door (op het slagveld) een man te doden, wekte niet veel verbazing of afkeer in zijn milieu. Het was een algemeen bekend en geroemd feit, hoe veel gedode vijanden Auda op zijn teller staan had, op elk willekeurig moment in zijn levenstraject.
 
 

Als voorlaatste een bedenking die de vertrouwdheid met de werken en visie van Lytta Basset mij doet maken. Lytta is Zwitserse pastoraaltheologe, goed gevormd in de psychologie, en talentrijk schrijfster. In haar eerste en bijzonder baanbrekende werk, “De l'abîme du mal au pouvoir de pardonner” maakt zij zeer diepgravende conclusies over spreken over het kwaad en het lijden. Daarmee zijn we bij het hart aanbeland van de excursie die Maarten Boudry heeft ondernomen én bij de weerstanden en verontwaardiging die ze opriep bij velen. Basset maakt gebruik van de dubbele betekenis van het woordje mal in het Frans en zij stelt: “Le mal (het kwade) est ce qui fait mal” – dat is wat mensen doet lijden. Dat is een revitaliserende correctie op een verouderd discours in de kerk, dat daders centraal stelde, in de biecht bijvoorbeeld, en in bestrijding van ketterij. Basset stelt het slachtoffer weer centraal, de mens die (psychisch) lijdt, helemaal in de lijn van wat Jesjoea Jezus heeft gedaan. Daarbij gaat haar begrip van lijden zo diep, dat zij de grootsten der groten kan aanvullen en corrigeren zoals Kant en Nietzsche. Zij merkt op dat (mannelijke, niet toevallig) denkers in het verleden altijd vastliepen in hun trachten denken van het lijden. En zij toont aan dat dit niet zozeer volgt uit onvermogen van de betreffende filosofen, maar een gevolg is “van de structuur van de werkelijkheid en van het lijden zelf”. Die bestaat op zulke manier, dat er een soort absoluut appel van de lijdende mens uitgaat, je kan daar niet louter en afstandelijk over nadenken. Je moet je filosofen stoel verlaten, en de hand reiken. Basset merkt ook op dat in de limiet lijden van de ene mens of groep mensen echt niet kan “vergeleken” worden, na “meting”, met het lijden van andere mensen. Dat is natuurlijk net wat boude Boudry wilde ondernemen. Met alle voorspelbare uitschuivers van dien. Het lijden is goed te beschouwen als een Afgrondelijk iets, “un abîme”. Daar denk ik vaak aan, als ik bij de honderd meter diepe, eeuwenoude waterputten naar binnen kijk, in de tuin van de abdij waar ik bij woon.


 
Tot slot verwijs ik graag even naar een feit in verband met pochen in het publiek, met de zin voor theatraliteit, iets waar IS vandaag in uitblinkt en opvalt. Ik las daar getuigenissen van in “De groote oorlog”, het rijkgevulde essay van mijn collega historica Sophie De Schaepdrijver, actief van in de VSA, dat verscheen naar aanleiding van de herdenking van de Eerste Wereldoorlog. De schrijfster wijst erop dat honderd jaar geleden, tijdens WO I, ook wijzelf, Vlamingen, nog veel meer zin voor theatraliteit cultiveerden. De mensen op straat voerden spontaan rondedansjes uit, en gingen over tot plechtige declamaties, beloften, het zingen van liederen... wanneer hen belangrijk nieuws uit de hoofdstad Brussel of van aan het front bereikte. 
 
Hoe komt dat? Is dat misschien niet gevolg van een ingebakken menselijke houding?  De tv en andere massa media kanalen en misschien ook 'burgerlijke factoren' zoals de lange conditionering tijdens jaren schoolbanken zitten (wij denken aan "Another Brick in the Wall" van Pink Floyd) én daarna de levenshoofdstukken in het veeleisende, dwingende arbeidssysteem, hebben ons misschien toch wel makkere, getemde, passievere mensen gemaakt dan wij van nature zijn. Die Vlaamse cultuur maakte ons nog meer “binnenvetters” dan wij al waren. Het tegendeel van fiere, vaardige strijders in traditionele, tribale volken, zoals aanvoerder Auda Abu Tayi van de Howeitat, Winnetou de legendarische indiaan bij Karl May, of Red Coud, Sitting Bull en Crazy horse, en bij ons Richard Leeuwenhart en Godfried van Bouillon onder de historisch goed gedocumenteerde figuren. . 
 
En of het vandaag invloedrijke model van de mens die door de Verlichting is gegaan helemaal winst betekent? Het blijft toch een vraag. Bij ons sterven dagelijks mensen door wat psychologen beschrijven als "geweld tegen het zelf". Geweld zal er altijd zijn, en het zoekt in onze cultuur vaak zijn weg naar binnen, zoals dit tot uiting komt in de wijdverspreide depressies, allerlei schadelijke verslavingen, (van alcohol, lijntjes duur poeder, tot gokken en seksuele zuchten),  en last but not least in de vele gevallen van burn out, dat loopt intussen in eigen land in de honderdduizenden. Wie zijn baas een mep zou verkopen, en weglopen, zou niet op die wijze ziek worden, dat is duidelijk. Dat soort probleem behandel ik in de blog over de werkbaarheid van Arbeid op 11 oogst. http://community.dewereldmorgen.be/blog/stefaanhublou/2017/07/23/onwerkbaar-werk-is-de-regel-en-dat-ontregelt-ons-maakt-een-mens-balorig. Misschien moet Boudry mij eens meer lezen. En ik kan mij niet van de indruk ontdoen dat hij sneller goede antwoorden op zijn grote vragen zou vinden, als hij zijn negatieve vooringenomenheid over religie en zijn afwijzende houding naar (al het goede dat is gekomen vanwege) de kerk wat zou kunnen laten varen. In die zin hebben de velen die op de sociale media stelden, Boudry zou eens wat geschiedenis monografieën moeten lezen, het bijna zeker bij het rechte eind. Maar dan niet zozeer oorlogsgeschiedenis, maar geschiedenis van geloof, mystiek en Kerk. Een paar heiligenlevens zou ik eveneens niet versmaden. In tussentijd geeft de filosoof mij wel mooie kansen tot het leveren van intellectuele bijstand. Altruïsme en religieuze broederlijkheid, ze kruipen nu eenmaal waar ze niet gaan kunnen.
 
 
Stef Hublou Solfrian 
25 augustus 2017 
Delen toegestaan volgens Creative Commons. 
 
 
T. E. LAWRENCE, "Seven Pillars of Wisdom. A Triumph", diverse edities. 
Sophie DESCHAEPDRIJVER. "De Groote Oorlog. Het koninkrijk België tijdens de eerste wereldoorlog", Olympus, 2011. 
Michael KORDA, "Hero. The Life and Legend of Lawrence of Arabia", Harper, New York, London, 2010. 
Diane GLANCY, "The reason for Crows. A story of Katheri Tekakwitha", Excelsior Editions, State University of New York Press, Albany, New York, 2009. 
Lytta BASSET, "Le pardon originel. De l'abîme du mal au pouvoir de pardonner", Labor et Fides, 1996, verscheidene vervolg edities.