about
Toon menu

De weke ruggengraat in de mens- en godsvisie van Maarten Boudry

vrijdag 11 augustus 2017
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.

Filosoof Maarten Boudry wordt voorgedragen voor een prijs die uitgaat van het gerenommeerde blad The New Scientist. Het live interview met de man dat na het nieuws van Radio Eén vorig weekend volgde, leverde mij een paar beslissende inzichten op. De UGent-telg vertelde o.a. hoe hij meer en meer aan activisme doet, deelneemt aan het Maatschappelijk debat. Het zal u niet ontgaan zijn dat hij zich laat opvallen met redeneringen en inzichten die geregeld tegen het idée reçu ingaan. Zijn pleidooien voor het ernstig nemen van het begrip Waarheid, tegen de toonaangevende trend van het postmodernisme in, kan ik wel smaken. Toch ervaarde ik al jaren een teleurstelling en zekere ergernis bij een deel van het discours van betrokken “filosoof met het mes”. Die inschatting bleef altijd wat onbestemd. (2040 w)


Een van de terugkerende thema's van de jonge Gentse denker is, in de lijn van wat de Nederlandse historicus en visionaire filosoof Rutger Bregman stelt, is dat de wereld er serieus op vooruit gaat. Dat soort bedenkingen zijn moeilijk, maar interessant en belangrijk. Die visies vereisen denkers en wetenschappers met speciaal talent, om de zaken te zien en de grote vragen te beantwoorden. Beide jonge wetenschappers hebben een punt over het positieve dat aan de gang is, vaak in stilte, in die zin dat media vaak focussen op negatief nieuws, omdat dit sensationeel is van nature, en dat wij lezers en kijkers daardoor volkomen dreigen te missen wat er allemaal aan welbevinden is binnen bereik gekomen, en aan lijden is overwonnen, de laatste zeventig tot honderd jaar. Yuval Noah Harari, een andere jonge historicus met visionair talent, merkt in die zin in zijn nieuwe boek “Homo Deus” terecht op dat de drie grote problemen waar de mens traditioneel een zwaar gevecht mee had aan te gaan, te weten, oorlog, ziekte en honger, inmiddels grotendeels overwonnen zijn. (Interview in Knack van 2 augustus). In die optiek merkt ook Boudry tijdens het recente publieke ochtendlijke vraaggesprek op dat “... er toch minder geweld is, dan in historische tijden...”


Het aandachtig beluisteren van dit ene interview laat mij toe een paar cracks in typerende denkstijl van Boudry te ontdekken en te begrijpen. Die kronkels en gebreken komen geregeld terug, en zijn voor mij structuurfouten eigen aan het denken van de jonge geleerde. Ik wil onderstrepen dat het bij betrokkene heel vaak om boeiende en eerder maatschappelijk relevante gedachtegangen gaat, waar heel wat kennis in diverse (andere) disciplines voor nodig is. De gedachtegangen en analyses over wat de mens is, wat ons overkomt, en wat de mens op ultieme manier appelleert, lijden echter vaak aan... een gebrekkige vertrouwdheid met de Waarheid van de Antropologen. Zelf heb ik die leren kennen tijdens studies in die richting aan de KU Leuven in 1995, bij professoren Deboeck, Devisch, Roosens en anderen. Neem nu het geluk van ons, westerlingen, dat vermeend groter zou geworden zijn. Vele mensen in tijden en gebieden die heel wat minder materiële welvaart kennen of kenden, zijn waarschijnlijk gewoon gelukkiger. Zo gaan de (voor)oordelen al vaak meteen de fout in, als men aanneemt dat enkel onze eigen beschaving mensen toelaat heel oud te worden. Ook de jagende !Kung San in het huidige Namibië worden heel vaak zeventig en meer. Doordat zij veel tijd met elkaar doorbrengen, en de kinderen veel affectie krijgen, is er een aangename sfeer, ver van de huidige vervreemding in Belgenland. Een ander recent straf voorbeeld dat nog onlangs de wereld rond ging, zijn de Tsimane, een Indianengemeenschap in Bolivia. Zij leven eenvoudig maar heel gezond in hun afgelegen dorpen in het Amazonewoud. Deze mensen zijn een van de laatste niet door onze cultuur, beschaving, gewoonten en visies 'besmette' volken. Toch komt sinds enkele jaren hun manier van leven in de wereldpers, onder anderen in De Standaard van 20 maart met een artikel dat als titel kreeg ”Gevonden: 's werelds sterkste harten”. De Primitieven vervellen tot modelmensen.


Deze stam leeft sociaal, in kleine gemeenschappen, en kent bijna geen gevallen van wat bij ons intussen de grote doders zijn, hart- en herseninfarcten. Het is in hun omgeving groen en stil. Zij stappen gemiddeld 16.000 passen en meer per dag. Zij zijn zes uur fysiek actief, en slechts een tiende van hun wakkere uren zitten zij stil. Terwijl de westerse mens meer dan 54 procent van zijn dag neerzit. De levenswijze van de Tsimane wordt nu wereldwijd door antropologen, diëtisten en andere menswetenschappers als inspiratiebron aangeprezen. En men zegt erbij, als model kunnen wij ze niet direct aanbevelen... omdat wij zelf intussen zo ver de andere kant zijn opgegaan! Wij die een leven leiden dat zich grotendeels afspeelt in fabrieken, op kantoren en scholen, in straten en vervoerstuigen, en nogal eens volgens een redelijk duivels ritme. Ook het dieet maakt deze Amazone indianen gezond en (dus) gelukkig. Zij nemen bijna geen verzadigde vetzuren, het weinige vlees dat zij eten, komt van dieren als tapirs en wilde zwijnen die zij eerst zelf (moeten) jagen. Het gros van hun voedsel komt van eenvoudige landbouw. Mais, noten en granen brengen de nodige koolhydraten aan. Antropoloog Hillard Kaplan merkt op dat hier een les in schuilt voor ons: “Aderverkalking is te voorkomen, als wij het voedingsmodel van deze oermensen overnemen". Onderzoeker Gregory Thomas, die met de teams twee vliegtuigreizen en dagenlange kanotochten maakte om bij de indianen te komen, (zoals Kuifje op de cover van het bekende verhaal “Het gebroken oor”), wijst erop:


“Onze moderne samenleving houdt ons dan wel comfortabel in leven, de verstedelijking en steeds meer gesofisticeerde jobvereisten kunnen een nieuwe reeks risicofactoren vormen. Het is tijd deze niet langer als neveneffecten te beschouwen”


Conclusie: het statement over de mens van hier en nu die (veel) gelukkiger is dan in het verleden, kan hij die over expertise in antropologie beschikt, niet maken.


Ten tweede kent Boudry blijkbaar te weinig van de menselijke geest, ook al neemt hij vaak het concept brein in de mond. Laat mij het punt meteen hard maken: hoe kan je als filosoof met goed recht stellingen lanceren over “de onmiskenbare vooruitgang”, als om je heen het aantal zelfdodingen zo hoog ligt, maar ook automutilatie, verslavingen, depressies, burn out, rugklachten, oorsuizingen, magerzucht (anorexia), constante uitputting (CVS) enzovoort veel voorkomen en veelal in stijgende lijn gaan?...


Ten derde, en dit houdt verband met mijn punt twee, kan Boudry maar zijn boude stellingen aan de wereld aanbieden, nadat hij geregeld een wat ik zou willen noemen 'goedkoop' of gemakkelijk gebruik maakt van bepaalde aspecten van onze taal. Concreet, is het fijn en gemakkelijk inhakken op de "God" van onze autochtone traditie, als je niet ziet dat er vele af-goden zijn die vandaag volop mensen in hun doen en laten leiden. Zoals daar zijn, de auto, macht, gezondheid en geld.


Door de simpele invulling die Boudry aan bepaalde concepten geeft is hij vooralsnog in die zin te veel een hokjesdenker. Een andere kritiek betreft het concept Geweld. Ook hier hanteert hij dat zo eng, dat het gemakkelijk boude beweringen doen is, maar het gehalte aan waarheid en wijsheid van de uitspraken, daalt navenant. Het is immers al te mooi te besluiten, 'Het geweld niveau is stevig gedaald', nadat jouw definitie van het concept geweld niet het geweld insluit van mensen naar zichzelf!


Zoals die vormen van geweld voorkomen in gedrag dat de hele tijd aan de orde is in deze tijd: zelfdoding, depressie, burn out, verslavingen, huishoudelijk geweld en gezinsdrama's enzovoort. Denk in dit verband echter ook aan het vaak onopgemerkte maar voortdurend en breedschalig optredende geweld, vaak op zeer indringende wijze, dat wij westerse mensen de grote Natuur aandoen door aspecten van onze gewone dagelijkse levenswijze en door de veelsoortige destructieve nevenwerkingen van veel gebruikte technologie. Dat beeld hoeven we hier niet verder uit te werken. De ramp van de versmalling van de soortenrijkdom, de biodiversiteit, alleen al, zou genoeg moeten zijn om iedereen die zonder oogkleppen denkt, 's nachts wakker te houden. Een wereld zonder tijgers, olifanten, gorilla's, bonobo's of kangoeroes, dat wenst niemand onze kinderen toch toe? Om van het belang van de soorten voor de medische wereld, de filosofie, de verhalen, en voor het begrip van onze eigen identiteit dankzij de werken van de dichters, filosofen en mystici nog te zwijgen.


Illustratief voor heel de persona van betrokken denker is het, te weten dat de jonge man kampt met een gezondheidsprobleem: chronische, snerpende rugpijn is het lot van Maarten Boudry. Vanuit het standpunt van de gevormde psycholoog is zulke klacht geen mysterie, maar inzichtelijk. Pijn, zo weet elk diensthoofd van een pijnkliniek, is een signaal. Het lichaam tracht daarmee de geest, de persoon iets te zeggen, een boodschap over te maken. Het lijkt mij heel logisch dat juist een man die constant aan brave mensen die rust vinden in hun godsgeloof de nadrukkelijke, striemende boodschap meegeeft,


“Je zit fout, je houdt vast aan grote “Illusies voor gevorderden”, je hebt geen plaats om te staan als je denkt dat je dat allemaal kan denken!”...


..zelf na verloop van tijd zo zeer door rugpijnen gekweld gaat dat hij letterlijk niet meer kan zitten noch staan. De meedogenloze boodschap komt hier zoals wel vaker is vertoond, als een boemerang in het eigen gelaat terug. Daar hebben wij het beeld van een wrekende God niet meteen voor nodig, de psychologie verklaart meer dan genoeg.


Overigens is het soort beperkingen waaraan Boudrys denken lijdt, geen unicum. De fylogenese lijkt nog maar eens op de ontogenese. Het was al een fenomeen bij de oude Grieken, dat filosofen bij hun reflectie aanvankelijk ver weg gingen kijken; naar de sterren, de wiskunde, de lucht, de objecten, de nacht en de aarde (Pythagoras, Archimedes...). Pas generaties later zijn zij ertoe gekomen na te denken over het zelf, over de mens en zijn psyche. Zoals in de onovertroffen tragedies van Sophocles en in het denken van Socrates, Plato en Aristoteles, of in de analyse van de macht bij geschiedschrijver Thucydides.


Ook in de recente tijd zijn beroemde illustraties te vinden van het fenomeen van “de zwakke plek in het vege lijf van de grote denker”. Charles Darwin, die de mensheid bewust flink tegen de kar reed met zijn waarachtige, nieuwe mens- en wereldbeeld (dat hij zelf met “een vadermoord” vergeleek), lag in de loop van zijn leven in bepaalde periodes letterlijk maandenlang bijna elke dag met een gamma aan fysisch-geestelijke klachten te bed. Hij kon niets meer doen, was een brok ellende. (De toonaangevende biografe Janet Browne toont dit helder aan in haar tweedelige biografie, met name in deel II, “The power of place”). Aanvankelijk dacht men aan een besmetting door een exotische wants, opgelopen in de Andes. Hedendaagse biografen wijzen op de stress die gepaard ging met het titanenwerk van zijn geest. Persoonlijk zou ik nog verder gaan, en de link leggen tussen die “mysterieuze ziekte” van de grote man, en de klacht die een van Darwins zonen na zijn begrafenis uitte: “We were like cold fish, in the family”. Daarmee gaf de jonge man uiting aan het gebrek aan tederheid en warm, affectief contact dat er heerste in Down House.


Holistisch denken is nog niet voorbijgestreefd, lichaam en geest zijn fel verweven, het moet onderstreept worden. Een mens leeft niet van brood alleen, maar hij kan ook niet leven van denken alleen. Jezelf gezond houden of helen met inzet van je denken is geen sinecure, ook niet voor de groten onder de groten. De wereld van de literatuur geeft hier troost en inzicht. Het personage van Baron von Munchausen toont al aan, hoe lastig en uniek het is, jezelf bij je haren uit de zuigende greep van de aarde, uit je interne verstrikkingen te trekken.



Epiloog: ruimte voor het onvolmaakte & verdraagzaamheid

Als u na deze schets meent betrokkene als een loser te mogen afschrijven, hebt u het niet begrepen. Ieder van ons, ook juist de allergrootsten, van een Bart De Wever over een Etienne Vermeersch tot een Rik Torfs, of als wij de blik iets verder laten dwalen, Darwin, Einstein, Augustinus, Mohamed, Jezus of de schrijver Georges Simenon (die 300 bejubelde romans schreef, maar met twaalfhonderd vrouwen naar bed ging, zo las ik gisteren nog) kennen bepaalde barsten in de persoon, en bijgevolg in de Boodschap die wij brengen. Het siert deze grote mensen dat zij toch leiding nemen, de stem verheffen, en aan de open debat cultuur deelnemen. Dat laatste houdt een strijd in, maar biedt ook kansen tot vergroting van de Zelfkennis, en op die manier tot gezonder leven en verder verbeterd denkwerk.


Stef Hublou Solfrian

Historicus, publicist-activist

 

Janet BROWNE, Charles Darwin. I Voyaging. & II The Power of Place, Pimlico, 2003. 

Mason CURREY, met bijdragen van Eva HOEKE, Dagelijkse rituelen. Hoe bekende kunstenaars, schrijvers, filmmakers en andere creatieven werken, Maven Publishing, 2015