about
Toon menu

Leven, dat moet ik met gretigheid doen, of: Een Valentijnswandeling

woensdag 15 februari 2017
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.
  • Fellow ( © S. Hublou Solfrian)


Zondagmorgen ga ik een cramique kopen bij de bakker. Aan de toog opzij bestelt een veertiger “ontbijtspek”. Meteen besloot ik dat ingrediënt ook als ontbijt te nemen. Ik spreek zo enthousiast over dat voornemen tegen de bakker, een blonde man van achteraan de twintig, dat hij na een pakje gezouten en een pakje gerookt te snijden, uitroept: “Ik ben blij dat ik u kan blijmaken!”. Helaas reageren mensen niet altijd zo opgetogen als je enthousiasme, interesse of vriendelijke sympathie betoont. (3180 woorden)

Valentijnsdag was een eerste zomerse dag. Toen ik merkte hoe Fellow en ikzelf zin hadden nog eens echt lang te stappen langs groene paden in de zon, iets dat we sinds de herfst niet meer gedaan hadden, besloot ik tijdens de ochtendwandeling meteen te gaan voor een toer van West Leuven naar de groene desolate en auto-vrije plekken van Kessel-Lo. De zon was heerlijk. Bij de haven van Leuven merkten wij dat er een reuzegrote voetgangersbrug in aanbouw is, het hameren van staal op staal klonk interessant, eenzaam en veelbelovend in de ochtendlucht boven het water. Langs de Vuurkruisenlaan was in opdracht van Stella Artois een lasser in de weer aan zijn werktafel in zijn eentje. Tussen de grote graffiti die vijfhonderd meter lang het Brugpergpad opfleuren, merkte ik enkele interessante nieuwe schilderijen sinds ik in de zomer daar passeerde. En de kunstenaars ondertekenen nu met hun volle naam en soms met hun website erbij. De stennis die de grootse werken met naakte en dode mensen op gevels in Brussel recent veroorzaakten, na de troonsbestijging van Trump in de VSA, draagt vruchten, zo maakte ik de hypothese. Aan het einde van de Een meilaan hadden wij al vrouwen en koppeltjes gepasseerd en fietsers, die soms vriendelijk glimlachten, met stralende ogen, of die een groet uitspraken, wat ik altijd beantwoordde. Een Chinese man van vooraan de zestig nam zijn vrouw aan de arm mee het voetpad af, om plaats te maken voor de autochtone heer in lange grijze wollen jas met zijn middelgrote hond. Ik keek hem aan bij het passeren en sprak een groet, hij keek reuze ernstig en plechtig. Voor ik aan de Noordwesthoek om het Provinciepark naar rechts draaide, belde ik even Joke, een verwante ziel die in die buurt woont. De herinnering aan de heerlijke bio-soep van een vorig bezoek deed me watertanden. Geen gehoor. Na honderd meter langs de oever van de grote vijver van het Leopoldspark te wandelen, waar kokmeeuwen boven vliegen en meerkoeten zachtjes zwemmen, duikt een paar met kinderwagen op voor ons, van Arabische origine. Ze zijn luid aan het praten. Ik besluit niet speciaal uit de weg te gaan, en toen deze mensen dat merkten, splitsten zij, ernstig, zwijgend, de vrouw glimlacht, ik spreek een joviale ochtendgroet uit om de spanning te breken en de zwaargebouwde man beantwoordt mij in het Nederlands en giechelt even. Langs een klein verbindingspad langs het Noordelijke hekwerk, zie ik een volwassen Zwarte Kraai op een meter of vier mooi blijven zitten tegen de stam van een kalende spar. Nadat wij onder hem door zijn gegaan, draai ik mij om en kijk wegstappend het slimme dier aan, benieuwd wat de reactie wordt. Hij kijkt mij rustig maar ernstig aan, hipt naar een andere tak, en vlieg traag, soepel, waardig en met statige vleugelslag naar een andere boom, en krast.


Ik steek de Gemeentestraat over en ga recht door op het pad naar de Abdij van Vlierbeek. Een blond meisje met een grote zwart-met-gele hond aan de lijn, loopt te praten met een man met baard en bril van haar leeftijd, dertigers. Ik zeg tegen Fellow: “Die overmacht is al te duidelijk. Dat vraagt om een lesje...”. Inwendig citeerde ik het stimulerende militaire kernspreuk van maarschalk Foch, die tijdens WO I honderdduizenden jongens en mannen aanvoerde, en velen liet sneuvelen in de modder:


“Mon centre cède, ma droite recule;

situation excellente. J'attaque!”


Het koppel wordt dadelijk stil, op een twintigtal meter, als ik naar de linkerkant van het drie meter brede pad uitwijk, recht in hun lijn. Tot mijn lichte verrassing neemt de vrouw de hond kort, en wijkt met een lichte glimlach op het gezicht uit, maar stapt ook de man opzij op het gras om ons door te laten; ik zeg “Goedemorgen” op een lijzige toon, alsof ik teleurgesteld ben dat er niet meer uit de aangeboden confrontatie is gekomen, en de jongen beantwoordt de groet met een licht lachend toontje. We stappen door de oude brouwerij- en bakkerijgebouwen van de Abdij en ik beslis even halt te houden voor een drankje, hoewel het doorstappen, kilometer na kilometer ongeremd, ons deugd doet. Op het bord staat met krijt naast de 'Ice Tea van het huis 2,40 Euro' een biersoort die mijn aandacht trekt, en allerlei fascinerende verhalen van jagers met geweren met extra lange lopen wachtend van voor het eerste zonlicht in modderputten in Labrador oproept, “Goose Island”. Ik zet mij aan het eerste taboeretje aan de toog dicht bij de deur. De waardin is rond gebouwd, met halflange blonde haren, een jaar of vijfenveertig. Nadat ik een vijftal minuten bescheiden stil heb gewacht, klinkt het plots vanop drie meter “En wat mag het voor u zijn?”. Ik bestel mijn ganzentoverdrankje. “Teveel schuim!” zucht de vrouw verontschuldigend wanneer een pilsglas overlopend van wit schuim amper anderhalve cm bier bevat... Bijna dadelijk doet zij een nieuwe poging, dit keer in een rond glas, en zij zet het grauw-amberkleurig vocht voor mij neer op de toog, “Een beter glas is het hele verschil!”. “Hmm. Lekker, zeg ik. “Ja, nogal bitter, als ge daar voor zijt is dat lekker”. Ja, bitter, zeg ik. “Maar ik proef vooral de smaak van biergist. Toen ik zowat dertien jaar was”, vervolg ik, “ging mijn moeder soms helemaal de ijzeren trappen op met mij en broer, in een kaal fabrieksgebouw van Stella Artois bij de Vaart, wel vijfentwintig meter hoog, en daar kreeg zij op haar bede dan van de brouwersgast een volle liter pure, zachtbruine, dik-vloeibare biergist. Dat is heel gezond, vol vitamine B. En dat smaakt heer-lijk, onvergetelijk”. “Ah, zo kan u nog eens terugdenken aan uw jeugd”, waarop ik knik, “Dat is prettig”. “Ik heb hier vandaag een nieuw favoriet bier ontdekt!” roep ik even later. Even verder zitten drie heren al die tijd te praten. Vooraan de zestig. De ene aan de hoek voert het hoge woord, klinkt verstandig, vertelt goed en met gezag. Zijn gezicht is al rood aangelopen, ze tappen hier goed bier. Hij haalt dan zijn geld boven, betaald de tournée, waarop de waardin iets zegt in de trant van “Dat is goéd!...”. Waarop de man: “Hela, waarom zegt ge dat nu op zulke gretige toon?”. “Omdat ik graag ontvang!” antwoordt zij plagerig. “Ha, ze is commercieel!” spreekt een tweede man. “Ja, voeg ik toe, omdat zij zo mooi is zou je dat gaan vergeten!”, en ik kijk de middelste man ondertussen in het gezicht, en wij wisselen een knipoog uit. Fellow heeft met geen van de vijf honden die intussen zijn gepasseerd aan de deuropening ruzie gezocht. Het wandelen geeft hem blijkbaar innerlijke rust.

Tijdens het bezoek aan de kroeg las ik in De Morgen een paar van de vele bladzijden die op deze Valentijnsdag aan tederheid, erotiek en seksualiteit zijn gewijd. Het pleidooi van seksuologe Goedele Liekens treft mij aangenaam: we hebben nood aan het concept "Seksuele Gezondheid". Je kinderen kan je best zo vroeg als de gelegenheden zich voordoen, uitleg geven. "Kijk die twee mensen voor ons op het wandelpad zoenen. Waarom zouden zij dat doen? Wat voelen zij daarbij?..."


Wij stappen op langs de Borstelstraat en langs het Heuvelhofpark gaan wij de Diestsesteenweg over. Ik hoor van ver al de kindjes van “De School” speels roepen. Daar aangekomen vertraag ik mijn pas. Dit is nu echt een mooi geval van “de Kindertuin”, bedenk ik. Een veertigtal meisjes en jongens van een jaar of zes tot negen spelen op een terrein van een meter of zestig bij twintig langs de Rerum Novarumlaan. Vier juffen of kleuterleidsters zitten op vier stoelen langs het lage gebouw toe te kijken en te praten, parallel aan de straat. De zon schijnt zacht, het is ongeveer tien graden. Windstil, of toch bijna. Ik blijf staan, ik ben gewoon dat kindjes op speelplaatsen gretig komen kijken naar de hond, en een praatje slaan. Het eerste jongetje is nog maar net bij ons gekomen, bij het draadhek (twee meter twintig hoog, met gaten van vier op twee centimeter, een beetje zoals de hekken rond de schapen en varkens tijdens de Jaarmarkt op het Sint-Jacobsplein.), of ik zie de meest linkse van de juffen, een meter vijfenzestig, lang blond haar, een omvangrijke derrière gehuld in zwart kleed, een grijze golf daarover, zeer grote kaplaarzen, recht op mij af stevenen met trage maar gedecideerde pas. Zij houdt haar donkere zonnebril aan. Ik heb de mijne afgezet toen ik bij het hek stilhield, om op vriendelijke, open, niet bedreigende manier contact te kunnen maken. Er verschijnt een tweetal kinderen, waarbij een jongetje dat vrolijk op mijn hond afstapt, opgewonden geluidjes makend. Zijn tong is licht gezwollen en steekt bijna helemaal uit zijn mond, permanent. Ik herinner mij dat ik vorige herfst voor het eerst een kind met die aandoening heb ontmoet, tijdens een treinreis, geloof ik dat dit was. Het is een merkwaardig zicht, wat verbijsterend. Een ziekte die, zoals allergieën allerhande, niet voorkwam toen ik kind was. Wellicht een onderbewuste reactie van de kinderen op bepaalde mentale ziektebeelden of vormen van geestelijke armoede of eenzijdigheid bij de ouders. Die dingen zijn tijdsgebonden. Zoals de arc érotique en de lamme arm die Sigmund Freud waarnam bij de 'hysterische vrouwen”, seksueel gefrustreerd in de Victoriaanse tijdsgeest, toen hij zijn carrière als psycholoog en therapeut begon, eind negentiende eeuw. De vrouw merkt dat haar komst op mij niet veel indruk maakt, en buigt haar pad af om met een kringetje kinderen te praten, op een meter of vijf. Ze krijst een paar keer: Kinderen, de hond niet aanraken!”, als die joelend reageren op de wakkere Fellow. Wanneer ik rustig maar met besliste stem antwoord “Niet bang zijn! Het is een brave hond!”, dwaalt zij traag terug naar de zitbank tegen de gevel.

“There is safety in numbers”.

Het straffe is wel dat zij intussen, omhoogkijkend en gekeerd naar de collega's op de stoelen, een paar keer ostentatief de beide beneden slippen van haar lange golf met een plotse beweging wijd heeft geopend ter hoogte van haar heupen, alsof zij een exhibitionist met zijn mantel in actie uitbeeldt...


Ik schuif een tiental meter verder door langs het hek. Daar staan meteen vijf-zes kinderen bij ons. Mijn hond blaft verstoord en draait een rondje. “Waw! Waarom blaft hij? Vraagt een verstandig en sensitief uitziend meisjeskind meteen”. Zij heeft opgestoken lichtbruin haar, en een donkerblauw opbollend gevoerd regenjasje. “Omdat hij zin heeft om verder te wandelen” zeg ik, en omdat hij gefrustreerd is dat hij niet bij jullie kan”. “Ho!” klinkt het verrast en lichtjes ongelovig. “Ja, jullie zijn een echte 'Kindertuin'”. “Neen”, wij zijn een Kleuterklas! En het hek is er omdat wij niet op de straat zouden lopen!” “Een mooi woord, een Kindertuin”, herhaal ik. Op de achtergrond zie ik plots een nieuwe grote schim op ons afkomen. Dit keer is het een juffrouw in een blauwe korte jas, met zwarte bloes, en kort zwart kapsel, eveneens met de obligate zwarte zonnebril op de kop. Ook zij komt recht op ons af met flinke stap. Op een meter of twaalf blijft de vrouw plots staan, ze maakt met haar armen een beweging omhoog. “Kom maar dichter, zeg ik, (en ik houdt mijn hand met gespreide vingers met de duim tegen mijn neus recht voor mij uit, terwijl ik haar aankijk. Het spottende handgebaar dat al minstens van in de tijd van Tijl Uilenspiegel in gebruik is in onze regio). De vrouw had een mobieltje op mij richt en neemt gespannen de tijd om een portret te maken... “Het is de Tijd!” zegt zij. “Het lijkt mij meer een uiting van hysterie, zeg ik. En na een pauze, “Maar ik begrijp het, het is de Tijdsgeest”. Zij knikt. Weer een stilte. Ik zeg, terwijl de vrouw op afstand blijft, “Dutroux is nochtans al lang geleden...”. “Ja, maar er zijn er ondertussen al andere geweest!..”. De beelden van de monsterlijke man, van de meisjes zoals Laetitia Delhez en de andere slachtoffertjes gaan door mijn geest. De kelder. De tafel. De wrede, bloederige taferelen. Het tragische feit dat speurende rijkswachters de kelder over het hoofd zagen bij een eerste, vroeg controlebezoek. De moed van onze goede kennis Kristien Hemmerechts die een boek schreef vanuit het standpunt van de echtgenote van Marc Dutroux, De vrouw die de honden voerde, en die daar bakken spot en kritiek voor mocht ontvangen...


“Ik behoor niet tot die reeks” zeg ik rustig en ferm na vier seconden en een reis in de tijd en het hart. De kleuterjuf is intussen tot zichzelf gekomen, als wij dat zo mogen zeggen, en draait zich om, en ze maakt terwijl zij wegstapt een afwerend, half vriendelijk en begripvol gebaar met haar linkerhand, met de vingers in een soepele waaier gespreid naar boven. Ik decodeer als betekenis: “Ik weet het niet, het zal wel, we zien wel”. Ik stap verder.


Nadat wij door parkbegraafplaats Diestseveld zijn gegaan, altijd mooi om te contempleren, roept een man mij van op een afstand van wel zestig meter aan op het wandel, fiets- en ruiterpad bij het Boerenkrijg speelpleintje. Het blijkt een kennis te zijn van twee levens geleden, Paul Coosemans. Een bekende uit de tijd dat ik in vanaf het eerste derde van de jaren tachtig tot aan mijn succesvolle solo optreden als “Verdedigende partij” in een parlementaire ad hoc commissie over het bestaansrecht van de Jacht in ons land in 1994 tegendraadse activist, debat-inspirator en publicist was bij Agalev. Paul was een trouwe studax en secretaris van de Leuvense afdeling, samen met Jan Mertens. Beiden vonden met hun denken en werken ook Nationale weerklank, naast figuren als Johan Malcorps. Van deze laatste heb ik sinds de jaren tachtig niets meer vernomen. Het laatste dat ik van hem vernam, was zijn spottende kritiek in een tijdschrift, gericht tegen het geloof in de familiale warme leefwereld die striptekenaar Derib als scenarist, tekenaar en inkleurder meegaf aan de doorlopende saga van twintig albums, “Buddy Longway”, een van mijn all time favorites wat de negende Kunst betreft. Paul zegt dat hij blij is “Op dit pad, u hier nog eens te zien...”. Hij heeft kennelijk vernomen dat ik uit Kessel-Lo weggegaan ben. Hij kijkt mij rustig recht aan, ik herken zijn mooi gevormde neus en de dikke, viriele donkerbruine wenkbrauwen boven de altijd ernstige, kalme ogen. “Op deze plek ben ik door een jonge man aangeroepen”. “Bent u Paul Coosemans!?”. Ja. “Magda Aelvoet is omvergelopen door een vrouw die aan het joggen was! Zij kan zich niet meer bewegen. Magda lag wat verder in het gras.” Paul heeft zich dan ontfermd over de vrouw die wij beiden met veel ontzag bejegenen en die wij al ruim een half mensenleven lang een warm hart toedragen. Aelvoet was tot 2002 vice premier en minister van gezondheid. Zij was op dat moment al jarenlang volksvertegenwoordiger, senator en later Europarlementslid en voorzitter voor de Groene Fractie in dat internationale orgaan geweest. Zij richtte het FAVV, het internationaal gerespecteerde Federale Agentschap voor de Voedselveiligheid op na de dioxinecrisis. Ik druk mijn erkentelijkheid uit voor het hulpvaardige optreden van Paul, en mijn verwondering en verbijstering bij het slechte nieuws dat onze vriendin een bekkenbreuk opliep. De veroorzaakster van al dat leed is, na zich bekend te maken, verder gaan lopen... Ik ben opgelucht te horen dat het herstel voorspoedig verloopt.


In enkele seconden tijd ziet mijn geestesoog een aantal ontmoetingen passeren die zijn geschied gespreid over ongeveer twintig jaar. Hoe Magda voor haar waardige, bemiddelende rol tijdens het sluiten van de Sint-Michielsakkoorden tot Minister van Staat werd verheven. “Ja, Minister in alle staten!” grapte zij wel eens als wij haar daar tijdens de samenkomsten met de Leuvense groenen voor feliciteerden. Ik herinner mij hoe Magda mij persoonlijk relaas deed van de vreemde, kortzichtige reactie van de ziekenhuisdirecties toen zij als bevoegde minister voorstelde, op basis van internationaal onderzoek, in de ouderlingentehuizen huis- en gezelschapsdieren te introduceren. Omdat die de eenzaamheid goed verdrijven en de dementie krachtig tegen gaan. “Mevrouw de Minister, wij hebben al zoveel te stellen met onze oudjes, wat zouden wij er nog dieren gaan bij nemen!?”. Ik vond dat van de pot gerukt, en ik was misschien nog meer ontgoocheld dan de minister. Ik ben een dierenvriend waarbij die overtuiging zo diep gaat als de waterputten uit de middeleeuwen die boven op de Keizersberg prijken. Nooit vergeet ik ons laatste grote gesprek: hoe in september 2002, Aelvoet mij contacteerde nadat ik een tekst had gepubliceerd die indruiste tegen het partijstandpunt wat het gedoogbeleid in verband met soft drugs betrof. Agalev trok toen de aandacht door te pleiten voor het toelaten van cannabis, terwijl Mieke Vogels een verbod op chocolade sigaretjes voor kinderen had bepleit, omdat dit zou aanzetten tot roken op volwassen leeftijd. Ik had mijn mosterd bij prof. Piet Nijs gehaald, die uit ervaring met depressieve jongeren en zwakzinnigen had gemerkt dat “Niemand die verslaafd is zijn kansen niet onderuit haalt om met discipline te werken aan een studie of aan creatieve projecten en dus zijn kansen trefzeker torpedeert om iets te bereiken in het leven”. Zij luisterde aandachtig naar mijn gedreven betoog en mijn citaten van de meest wijze mensenkenner van het moment. Maar toen ik klaar was, zweeg zij, met een nauw merkbaar droevig lachje, daar aan het Zoete Water, waar zij met haar sportfiets en helm naartoe was gekomen. Zij had een paar dagen voordien haar ministeriële verantwoordelijkheid afgelegd, na een door de oppositie opgeklopte situatie over wapenleveringen door onze Luikse fabrieken aan vreemde landen. Mijn tekst was een paar maanden te laat geschreven...


Magda Aelvoet. Een nobel mens, een edele vrouw, een grote en menselijke, welmenende geest. Een van de mensen waar ik altijd met grote aandacht naar keek en luisterde, waarvan ik met verwondering en geduld geprobeerd heb de oriëntatie van de persoonlijkheid te lezen. Nadat wij al pratend vijfhonderd meter samen hebben gewandeld over het Jan Vrankxpad en het bosje bij de Coosemansstraat bereiken, neem ik afscheid. Ik omhels Paul, en zeg dat ik blij ben dat ik hem heb kunnen spreken. Bij de koffie in het Buurthuis van Casablanca even later, waar de gezelligheid en menselijke warmte de voormalige buurtwerker Johan ertoe brengt zijn pullover uit te treken, bedenk ik hoe het komt dat de ontmoeting met Paul mij zo intens genoegen deed. In de jaren tachtig hebben wij nooit zo fijn van mens tot mens, zo broederlijk met elkaar kunnen spreken. Vandaag zijn wij als veteranen die elkaar terugzien. Een langer kralensnoer van jaren verenigt ons, brengt onze zielen nader. Toen vorige zondag Jan Mertens, de toenmalige secretaris en ideoloog in Leuven, zijn verjaardag vierde, heb ik hem op Facebook “Ne gelukkige” gewenst, en ik heb toegevoegd: “Op onze leeftijd zijn wij zelfs blij dat onze oude vijanden er nog zijn. Zoals je weet, Stalin voelde zich verlaten en eenzaam, nadat hij Trotski had laten vermoorden in de VSA.” Betrokkene vinkte al snel die groet aan als fijn. Paul heeft die diepzinnige bedenking wellicht gelezen. Wanneer je je ziel blootlegt, kan dat kwade geesten kansen geven je persoon te trachten beschadigen. Maar evengoed laat het mensen die je graag zien toe je heel precies te geven wat je hart nodig heeft.


Stefaan Solfrian Hublou