about
Toon menu

Een parabel over de voordelen van beperkte vrijhandel

woensdag 20 april 2011
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.

In ‘The globalization paradox: why global markets, states and democracy can’t coexist legt Dani Rodrik uit hoe we ons vandaag in een onhoudbare situatie bevinden waar hyperglobalisering de mogelijkheid van nationale staten beperkt om tegemoet te komen aan de democratische verzuchtingen van hun burgers op het vlak van onder andere sociale rechtvaardigheid, milieu- en gezondheidsbescherming. Aangezien ‘global governance’, democratie op globale schaal, nog voor decennia een utopie zal blijven, is de enige oplossing om terug naar een duurzaam politiek en economisch internationaal systeem te gaan het beperken van globalisering, waarbij de rijke landen hun burgers kunnen beschermen tegen de ‘bedreigende’ gevolgen van globalisering, en de opkomende en ontwikkelende landen ontwikkelingsstrategieën kunnen volgen die zo succesvol zijn gebleken voor bijvoorbeeld China, India en Brazilië, maar niet voldoen aan de voorschriften van de profeten van hyperglobalisering. 

In zijn uitleiding heeft hij z’n hele pleidooi voor slimme, beperkte globalisering in een parabel gegoten.


"Er was eens een klein vissersdorp aan de rand van een meer. De bewoners waren arm en voedden zich met vis die ze uit het meer visten, en hielden zich warm met kleren die ze zelf naaiden. Ze hadden geen contact met andere dorpen, waarvan het dichtstbijzijnde zich tientallen kilometers ver bevond, op een afstand van enkele dagen stappen door dichtbebost gebied.
Het leven van de dorpsbewoners nam een slechte wending toen de visvoorraad in het meer een serieuze duik nam. De bewoners reageerden door nog harder te werken, maar in plaats van meer vis vingen ze zichzelf in een vicieuze cirkel. Hoe meer de visvoorraad slonk, hoe langer ze aan de rand van het meer bleven hengelen, waardoor de vis nog schaarser werd.
Wanhopig trokken de dorpsbewoners naar de sjamaan om hem om hulp te vragen. Die haalde bij het aanhoren van het probleem zijn schouders op en zei ‘ Waar is onze raad van wijzen voor? Ze doen de hele dag niets dan roddelen. Zij moeten dit probleem oplossen.’ ‘Hoe dan?’, vroegen de dorpsbewoners. ‘Simpel,’ zei de sjamaan, ‘de raad moet beslissen hoeveel vis elke visser per maand mag vangen. Op die manier zal de visvoorraad zich herstellen en zullen we dit probleem in de toekomst niet meer tegenkomen.’
De raad van wijzen deed zoals de sjamaan hen had opgedragen. De vissers waren er niet echt mee opgezet dat de wijzen hen kwamen vertellen hoe ze hun werk moesten doen, maar ze begrepen de noodzaak van de beperking. In geen tijd was er weer overvloedig vis aanwezig in het meer.
De dorpsbewoners keerden terug naar de sjamaan. Ze maakten een diepe buiging voor hem en bedankten hem voor zijn wijsheid. Net wanneer ze op het punt stonden naar hun huizen terug te keren zei de sjamaan: ‘Aangezien jullie wel geïnteresseerd lijken in mijn hulp, willen jullie niet dat ik jullie nog een raad geef?.’ ‘Natuurlijk!’, riepen de dorpsbewoners unisono.
‘Wel,’ zei de sjamaan, ‘is het niet gek dat jullie zoveel tijd spenderen aan het naaien van jullie kleren terwijl jullie zoveel gemakkelijker kleren –die trouwens van betere kwaliteit zijn– zouden kunnen kopen in de dorpen aan de andere kant van het bos? Die zijn niet gemakkelijk bereikbaar, maar als jullie per kar gaan zouden jullie maar één of twee keer per jaar de trip moeten maken.’
‘Oh, maar wat zouden we hen dan in ruil kunnen verkopen?’, vroegen de dorpsbewoners. ‘Ik heb opgevangen dat ze daar verzot zijn op gedroogde vis’, antwoordde de sjamaan.
En dus deden de dorpsbewoners wat de sjamaan hen had aangeraden. Ze droogden een deel van de vis die ze vingen en begonnen handel te drijven met de dorpen aan de andere kant van het bos. De vissers waren dubbel blij aangezien de prijs voor hun vis steeg terwijl de prijs van kleren aanzienlijk daalde.
Maar daar waren niet alle dorpsbewoners tevreden mee. Diegenen die geen boot of zelfs geen hengel bezaten en wiens inkomen volledig afhankelijk was van het verkopen van de kleren die ze naaiden, wisten niet wat hen overkwam. Ze moesten plots concurreren met goedkopere kleren van een hogere kwaliteit vanuit de naburige dorpen en moesten meer betalen voor de vis die ze aten. Kwaad gingen ze naar de sjamaan en vroegen hem wat te doen.
‘Wel, dit is een nieuw probleem dat de raad van wijzen moet oplossen’, zei de sjamaan. ‘Jullie weten dat elk gezin een bijdrage moet betalen tijdens ons maandelijks banket?’ ‘Ja, natuurlijk’, antwoordden de dorpsbewoners. ‘Wel, aangezien de vissers nu zoveel rijker geworden zijn, moeten zij een hogere bijdrage betalen en jullie minder’.
De raad van wijzen vond dit een rechtvaardige oplossing en vroeg de vissers om een hogere maandelijkse bijdrage. Dezen waren niet ontzettend gelukkig met de beslissing maar ze begrepen dat dit nodig was om de harmonie in het dorp te herstellen. En inderdaad, al gauw was iedereen in het dorp meer tevreden dan ooit.
Ondertussen had de sjamaan alweer een nieuw idee gekregen. Hij zei tegen de dorpsbewoners: ‘Beeld jullie in hoeveel rijker ons dorp zou zijn als onze handelaars er geen dagen over zouden doen om door het hinderlijke bos te reizen. Beeld jullie in hoeveel meer handel we zouden kunnen drijven als er een goede weg door het bos zou leiden.’ ‘Maar hoe dan?’, vroegen de dorpsbewoners. ‘Simpel,’ antwoordde de sjamaan opnieuw, ‘de raad van wijzen moet een werkbrigade samenstellen die een strook bomen doorheen het bos omhakt en vervolgens een weg aanlegt.’
Gauw was het dorp verbonden met de omringende dorpen via een geplaveide weg die de kosten en tijd om met hen handel te drijven enorm verminderde. De handel breidde dan ook uit en de vissers werden opnieuw rijker, maar ze lieten niet na hun rijkdom te delen met de andere dorpsbewoners.
Maar na verloop van tijd veranderde de gang van zaken in ongelukkige zin. De weg gaf mensen van buiten het dorp eenvoudig de mogelijkheid om in het meer te komen vissen, en die deden dat in drommen. Aangezien de raad van wijzen niet over de mogelijkheid beschikte om de visbeperkingen ook aan vissers van buiten het dorp op te leggen, slonk de visvoorraad in het meer opnieuw drastisch.
De concurrentie van vissers van buiten het dorp sneed ook in de inkomsten van de vissers uit het dorp. Dezen begonnen te klagen over de bijdragen die ze maandelijks tijdens het banket moesten betalen. ‘Hoe kunnen we nu concurreren met vissers van buiten het dorp die zulke lasten niet moeten dragen?’, vroegen ze wanhopig. Sommige lokale vissers lieten zich zelfs niet meer zien tijdens het banket –de weg had het mogelijk gemaakt het dorp gemakkelijk te verlaten en terug te betreden– en dit maakte dan weer andere bewoners furieus.
Het was dus weer tijd geworden voor een bezoek aan de sjamaan. In zijn aanwezigheid hield het dorp een lang en rumoerig beraad waarin ieder zijn standpunt met overgave verdedigde. Iedereen was het er over eens dat de situatie onhoudbaar was, maar men verschilde van mening over de juiste oplossing. De vissers wilden een wijziging van de regels die hun maandelijkse bijdrage zou verlagen. Anderen wilden dat de handel met de naburige dorpen werd stopgezet. Nog anderen verdedigden een volledige terugkeer naar vroeger en wilden de toegang tot het dorp via de weg met rotsblokken blokkeren.
De sjamaan luisterde naar alle betogen. ‘Jullie moeten redelijk zijn en tot een compromis komen’, zei hij na lange tijd nadenken. ‘Ik stel het volgende voor: de raad van wijzen moet een tolhuis installeren langs de weg aan de ingang van het dorp. Iedereen die in en uit het dorp wil, zal een vergoeding moeten betalen.’ ‘Maar dat zal het kostelijker maken voor ons om handel te drijven’, zeiden de vissers. ‘Ja, inderdaad,’ antwoordde de sjamaan, ‘maar het zal ook het probleem van overbevissing weer reduceren en een oplossing bieden voor de verminderde bijdragen tijdens het maandelijkse banket waar jullie om vragen. En tenminste zal de handel niet helemaal worden afgesneden’, zei hij met een wenk naar de dorpsbewoners die al klaar stonden om de weg te versperren met rotsblokken.
De dorpsbewoners waren het er over eens dat dit een verstandige oplossing was. Ze verlieten het dorpsberaad tevreden. De harmonie in het dorp was hersteld.
En iedereen leefde nog lang en gelukkig."

Nawoord uit Dani Rodrik’s (2011) The Globalization Paradox: Why Global Markets, States, and Democracy Can’t Coexist (pp. 281-284). Oxford: Oxford University Press. Vertaald met de toestemming van de auteur.

Ferdi De Ville