about
Toon menu

1302, klassenstrijd in Vlaanderen (1, economie)

woensdag 5 juli 2017
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.
  • Cover van het boek '1302. Opstand in Vlaanderen' van Verbruggen en Falter

In 1302 versloeg een leger van ambachtslui, ridders, poorters en boeren voor het eerst in de geschiedenis een ridderleger. Het was een belangrijke etappe in de duizendjarige strijd van het volk tegen onderdrukking, voor meer democratie. Een strijd waar we vandaag nog de vruchten van plukken maar die ook vandaag nog niet definitief gestreden is.
Dr. Marc Vermeersch

Economie

Tegen het einde van het Romeinse rijk en later

Tijdens het Romeinse Rijk was de landbouw economie een dubbel spoor. Er waren de goed georganiseerde boerderijen naar Romeins model met Romeinse technieken en daarnaast de boerderijen het volk, van de mensen die afstamden van Germaanse of Gallische voorouders die een veel lagere productiviteit hadden. Na het uiteen vallen van het Romeinse rijk in het Westen verdwenen die Romeinse villa’s. Een lange periode van invallen en chaos werd onderbroken door de Karolingische renaissance maar die werd afgebroken door de invallen van de Vikingen die het economisch leven weer onderuit haalden. Vanaf de negende eeuw zou het economisch leven snel hernemen. De handel herleefde ook snel. In Londen werden in de periode 991-1002 tolrechten betaald door kooplui uit Vlaanderen, Hoei en Luik. Aan het einde van de 11e eeuw trokken Italiaanse handelaars door Frankrijk ook tot in Londen.

De opkomst van de steden

De opleving van de steden begon ook voor het jaar 1000 en zou in de 11e eeuw een snelle groei kennen. In Vlaanderen verwierven ze privileges van de graaf, de bisschop of kloosters, kochten zich vrij en gingen zichzelf besturen al had de vorst vaak nog zijn vertegenwoordigers in het bestuur. Soms werden ze geheel onafhankelijk, vormden ze een gemeente. De oudst bekende in onze streken was Kamerrijk/Cambrai dat zich in 1077, na een lange strijd, vrij maakte van zijn heer, de bisschop. Van in het begin bestond in de steden een groep burgers (of poorters, ook patriciërs genaamd )die leefden van handel en andere ondernemingen die men rijk kan noemen en het bestuur in de steden in handen hadden. Zij kochten b.v. wol op en verkochten het afgewerkte laken. Het zou niet lang duren vooraleer kooplui de wol in eigendom hadden en die eigendom behielden tot het laken klaar was. Weefstoelen bleven meestal eigendom van de wevers die thuis werkten. Een zuivere verhouding kapitalist-arbeider was dit niet maar het stond er niet ver van.

De grote massa bestond uit ambachtslui. Het grootste aantal werkte in de lakenindustrie zoals de wevers en de volders[1]. Vanaf de twaalfde eeuw verengden ze zich in gilden. “Vanaf de 13e eeuw verzetten deze verenigingen zich heftig tegen de patriciërs, die hun administratieve macht gebruikten om lonen en regels voor te schrijven welke even voordelig voor de werkgevers als nadelig voor de arbeiders waren, of om hun eigen straffeloosheid te waarborgen. Het verzet van de handwerklieden werd onderdrukt met de sterke arm en toch waren er in de tweede helft van de 13e eeuw voortdurend stakingen en ongeregeldheden en het patricische regime verloor ten slotte, maar het verrijkte wel het artistiek erfgoed van de westerse beschaving met de hallen en belforten in Ieper, Brugge en andere steden, die blijven bestaan als herinnering aan de economische macht van deze steden die in de 13e eeuw een hoofdrol vervulden in handel en nijverheid.†(p. 33)

Laken

Na het verdwijnen van de Romeinse staat in onze landen gingen de meeste van de gevorderde technieken verloren. Al tijdens de derde eeuw schreven de Romeinen over de goede kwaliteit van mantels, gemaakt van laken, dat werd gemaakt van wol, uit Doornik Atrecht/Arras. Na het jaar 1000, tijdens de 11e eeuw, was Atrecht een van de belangrijkste steden van de productie van laken ten noorden van Parijs. In Vlaanderen kende de lakenindustrie een steile opgang in Gent, Ieper, Brugge maar ook in veel kleinere steden. Er is ook altijd vlas geteeld waarvan linnen gemaakt werd maar dat was slechts een fractie van de lakennijverheid. De oudste vermelding van de import van Engelse wol komt uit 1113. Een teken dat laken toen een zeer hoge vlucht nam want wol kwam al lang niet meer van eigen schapen, ondanks de uitbreiding van de gronden, maar ook uit Zeeland, de Kempen en de Ardennen.

Dat laken was van een hoge kwaliteit zodat het ook in het buitenland gegeerd was en internationaal verhandeld werd. Er was een zekere specialisatie van de verschillende steden. De kruistochten (1099, de verovering van Jeruzalem onder leiding van Godfried van Bouillon) zorgden voor een grote internationale bekendheid van Vlaams laken in heel Europa, tot Novgorod in Rusland, zelfs tot in Azerbeidjan. Het Vlaamse laken was in het buitenland in de eerste plaats bekend bij koningen en adel. Door de inkomsten uit laken konden steden als Ieper een zeer grote lakenhalle bouwen waar laken verhandeld werd.

Zie tweede deel: wol en landwiinning
http://community.dewereldmorgen.be/blog/marcvermeersch/2017/07/07/1302-klassenstrijd-in-vlaanderen-2-wol-en-landwinning

[1] De taak van de volder is het vollen ('laten vervilten') van een wollen weefsel. Dit is een bewerking om de vezels dichter ineen te werken, waardoor een stevige, waterdichte stof ontstaat die minder vatbaar is voor krimp. Volgens de traditionele methode wordt het weefsel gedompeld in een grote bak met heet water, urine en vollersaarde: een vettige klei die het vuil uit de vezels opneemt. Door het weefsel met de voeten aan te stampen zal de stof vervilten en krimpen. Het vollen was zwaar en vuil werk. https://nl.wikipedia.org/wiki/Volder