about
Toon menu

Maarten Colette

Niet-geregistreerde auteur

Afscheid van Catalonië?

In De Standaard van donderdag 30 november 2017 nagelt Professor Steven Van Hecke de voorstanders van Catalaanse onafhankelijkheid zonder differentiatie aan het kruis. De onafhankelijkheidsverklaring ‘sloot onmiddellijk en automatisch EU-lidmaatschap uit,’ zo vernemen we. De ombekommerdheid waarmee dit wordt beweerd is tergend.
maandag 4 december 2017
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.

De (representatieve) democratie, zo leert menig handboek Constitutioneel recht van de Europese Unie, is de subdiscipline van recht en politiek die ‘het mogelijke’ en ‘het bereikbare’ over de grenzen van ‘het statische’ heen tilt. In deze bijdrage wil ik enkele vragen opwerpen over het statuut van de democratie in Europa en over het EU-lidmaatschap van Catalonië.

Een eerste vraag: stel dat je vanaf de Maan een frisse blik op Europa en de Europese Unie werpt, wat zie je dan? Het antwoord: wat je ziet is dat in Europa bepaalde ‘fundamentele’ waarden worden beleden, waaronder eerbied voor de menselijke waardigheid, democratie en de rechtsstaat. Het zijn deze waarden die de lidstaten van de EU tot ideologisch kroonjuweel van hun werkingssfeer hebben gemunt (in artikel 2 van het Verdrag).

Nu is daarmee iets aan de hand. En dat is eigenlijk al minstens twee eeuwen zo. In het roemruchte Du Contrat Social (1762) schrijft Rousseau er welsprekend over: ‘Stel dat een struikrover mij verrast op een eenzame plek in het bos, moet ik dan niet alleen onder dwang mijn beurs afgeven, maar ben ik daartoe ook nog in geweten verplicht?’

Waar Rousseau het over heeft, is het welbekende schisma tussen de rechtsstaat (de wet) enerzijds, en de democratie anderzijds. Nu is het met de verhouding tussen beide paradepaardjes kwaad gesteld. Men dient te bedenken dat de overredingskracht van de rechtsstaat als inclusief ordeningsprincipe dient voort te komen uit twee aspecten: dat het niet mogelijk is om het recht uitsluitend te construeren op een zo smalle basis als de wet, en dat het alle burgers (met inbegrip van minderheden) onder gelijke omstandigheden gelijk bevoordeelt.

De ware betekenis van de rechtsstaat kan om die reden niet uitsluitend gezocht worden in staatsdwang, in een wrokkige interpretatie en desnoods gewelddadige uitvoering van de constitutie (de rule by law). Haar betekenis ligt elders: in het wervende potentieel van de rule of law, begrepen als optreden dat te verrechtvaardigen valt in het aanschijn van een liberaal-democratische samenleving en de haar toekomende rechten en vrijheden, waaronder de vergadering en de mening – en, hier komt het: het referendum.

Een tweede vraag: kan nationalisme en secessie de Europese Unie redden? Die vraag is in het verleden herhaaldelijk gesteld. Het is een stille wenk die Vincent Stuer, theatermaker, academicus, en voormalig speechwriter van Commissievoorzitter José Manuel Barroso, tot inzet van zijn meest recente boek Kleinstaterij: De terugkeer van de natie en de afkeer van Europa, heeft verklaard. Het antwoord: alles welbeschouwd is het Europese samenwerkingsverband een vangnet dat ook ‘de kneusjes’ met een werelds en welvarend wereldbeeld bedenkt. Heel anders dan wordt aangenomen, en met gebruikmaking van de door euroscepticisten gewraakte rationele grond, hangen separatistische bewegingen in Europa hun discours veelal op aan het lidmaatschap van de EU. Het is met Catalonië niet anders.

Dat wereldse wereldbeeld werpt echter een kwalijk probleem op. Probeert men het statuut van Catalonië te achterhalen, dan stelt men vast dat de EU-verdragen zwijgen over de overlevingskansen van separatisme op haar territorium, en over het lot van een door secessie onafhankelijk geworden regio van een lidstaat.

De controverse tussen voor- en tegenstanders van zelfbeschikking wordt in deze niet dwingend beslecht op basis van de in officiële verklaringen door vertegenwoordigers van de EU aangehouden lijn (Prodi, Barroso, Van Rompuy, Juncker): ‘(…) een onafhankelijk geworden regio zou ten gevolge van haar onafhankelijkheid voor de Unie een derde land worden, en de verdragen zouden vanaf de datum van haar onafhankelijkheid niet meer van toepassing zijn op haar grondgebied.’

Deze aangehouden lijn is beslist een bijzondere, want ‘derde land ten overstaan van de EU’ wil onder zulke omstandigheden zeggen dat de onafhankelijke regio het lidmaatschap moet vragen. Catalonië moet zich schikken naar de blauwdruk van artikel 49 van het Verdrag, dat de inhoudelijke criteria en procedurele voorwaarden omschrijft die een kandidaat-lidstaat gestand moet doen wil zij het lidmaatschap van de EU kunnen verkrijgen. We moeten op dit punt blijkens artikel 49 rekening houden met de in artikel 2 van het Verdrag omschreven Uniewaarden (waaronder de rechtsstaat en de democratie), en met de zogeheten Kopenhagencriteria (1993) die deze waarden met institutionele aannames omringen.

Tegenstanders van secessie zullen tevergeefs ontkennen dat Catalonië zonder meer aan deze criteria voldoet, en dat de Catalaanse rechtsstaat niet wezenlijk verschilt van de Spaanse of Italiaanse. Maar lezen we verder, dan stuiten we op de procedurele schaduwzijde van de inhoudelijke basisprincipes waaronder toetreding kan worden vastgesteld: in onze eeuw van de 28 lidstaten kijken we met argusogen naar het vereiste van unanimiteit onder de leden van de Raad waarmee de toetreding moet worden bekrachtigd. In dit geval is het probleem dat deze toelating ook door lidstaat Spanje moet worden verleend. Nu moet men geen intellectueel zwaargewicht zijn om aannemelijk te maken dat de kans dat zulks ooit gebeurt heel klein is, zoals ook het treurige voorbeeld van Kosovo aantoont.

Deze onttoverende houding tegenover en met secessie bedreigde Unie heeft echter iets paradoxaals. Zij wijst erop dat overal waar alternatieve versies van het zelfbeschikkingsrecht van volkeren op officiële instanties stuiten, er onweer dreigt. De veronderstelling is hier dat een vijand van de (lidstaten van de) Unie een vriend van liberaal-democratische waarden kan zijn. Gaan we ervan uit dat de lidstaten Catalonië onder de vrienden van deze waarden rekent, dan zouden zij een toetreding onder artikel 49 van het Verdrag moeten toestaan.

Ik wil hier daarom twee vragen opwerpen, zij het meer gebaseerd op pragmatische dan strikt juridische gronden: 1) Moeten wij als historische lotsgemeenschap niet nadenken over de sprong van unanimiteit naar meerderheid, en geeft dat niet ten teken van volwassenheid? 2) Als wij als politiek lichaam een roof plegen op de fundamentele status van Unieburgerschap van een deel van die gemeenschap, veroordelen wij onszelf dan niet tot ressentiment en rancune?

Een afsluitende vraag zou daarom deze kunnen zijn: van wie is de volgende uitspraak, Juncker, Rajoy of Puigdemont? ‘Het is een erg nare zaak in de details te moeten treden van onderlinge partijtwisten; het is of je in een beerput duikt. Maar het is noodzakelijk te proberen de waarheid vast te stellen, voor zover dat mogelijk is. Deze onverkwikkelijke ruzie in een verre stad is belangrijker dan men op het eerste gezicht zou kunnen denken.’

Het antwoord: geen van de drie. Aan het woord is George Orwell. Zijn vroege werk is een stille getuigenis van de keerpunten van politieke geschiedschrijving, en een aanklacht van de verovering van de rancune op de solidariteit. Saluut aan Catalonië (1938) is een reflectie op een continent dat ernstig was verdeeld, en geeft een stem aan degenen die zich niet of onvoldoende vertegenwoordigd achtten. Is dat niet precies de situatie waar we anno nu bij aanbeland zijn?

Over de auteur

Maarten Colette is assistent aan de faculteit recht & criminologie van de Vrije Universiteit Brussel en directeur van De Debatten/VUB (www.dedebatten.be)