about
Toon menu

Over onze "door kinderen geobsedeerde samenleving"

dinsdag 20 oktober 2015
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.

Nu de discussie rond de uitspraken van Siska Schoeters is gaan liggen (en Maja Vande Velde een bijdrage heeft geleverd die ik alleen maar volmondig kan ondersteunen), nog even iets over een ander artikel dat intussen òòk de revue is gepasseerd. Knack publiceerde een interview met de antropoloog David Lancy met als titel “het Westen is geobsedeerd door kinderen.” “We dragen onze kinderen op handen”, stelt Lancy, misschien wel te veel, is zijn boodschap. Het artikel werd maar liefst 2162 keer gedeeld. Als pedagoge/antropologe/mama en opvoedingsconsulte schrijf ik toch graag enkele kritische kanttekeningen bij dit verhaal.


Dank je meneer Lancy

Eerst en vooral een welgemeende dankjewel aan meneer Lancy. Hij slaat de nagel op de kop wanneer hij vertelt dat kinderen in onze samenleving te veel onzinnig speelgoed opgedrongen wordt. Ik gebruik bewust het woord “opgedrongen” want een kind stofzuigt inderdaad liever met een echte stofzuiger dan met een speelgoedstofzuiger. Het zijn vaak wij als ouders die willen dat het werk netjes en snel verloopt en dus liever hebben dat ons kind ons “niet voor de voeten loopt”. Voor een kind komt dit vaak zo over dat zijn of haar bijdrage niet gewaardeerd wordt; niet uitmaakt. En dus zal, zoals Lancy het stelt, “de motivatie opdrogen”.

We gaan kinderen wat later zien als “lui”; worden boos omdat ze niet “willen helpen”. Het is één van die situaties waarbij een kind ervaart dat het nooit goed kan doen. Wil hij of zij helpen is het niet goed, geeft het kind de zin om te helpen op dan is het ook niet goed.


Moeten werken?

“Zelfs kinderen die in het huishouden moeten werken, stoppen spelelementen in hun werk”, aldus Lancy. Hetgeen hij over het hoofd ziet is dat een kind dat zijn of haar natuurlijke drang kan volgen om deel uit te maken van hetgeen zijn of haar groep (aanvankelijk zijn dat de primaire hechtingsfiguren) bezig houdt – een kind dat in de groep “kan worden” en tot de groep kan bijdragen volgens zijn of haar capaciteit - werken niet als “moeten” ervaart. Werken is samen zijn, is samen doen. En dat is leuk.

Wanneer een kind uitdrukt graag bezig te zijn in het huishouden, dan komt algauw de “nota” aan mama of papa: “geniet er maar van hoor, dat stadium is zo voorbij!” of “ja ja, mijn dochter vond dat ook leuk toen ze twee was.” Zelden staan we stil bij hoe negatief onze verwachtingen zijn ten aanzien van onze kinderen. En hoe ook dit onze kinderen beïnvloedt.

Lancy vermeldt ook dat we “onze kinderen sneller aan het werk moeten zetten.” Alweer raakt hij hier zo'n weinig erkend pijnpunt van de opvoeding in onze “Westerse” samenleving. Als ouders moeten we onze kinderen aan het werk zetten, moeten we ervoor zorgen dat ze dit of dat. Het punt is net dat we kinderen niet moeten dwingen om mee te werken. Reageren we op hun “zin” om deel uit te maken van het leven, dan helpen ze van zodra ze dat kunnen gewoon graag mee. Het is dan een evidentie. We staan er zelden bij stil hoe onze continue drang onze kinderen dingen te laten "moeten" of "mogen" aan de basis ligt van een impliciete machtsstrijd die constant onze relatie met onze kinderen mee bepaalt (en soms overheerst). Die “niet-Westerse” samenlevingen waar Lancy het over heeft, waarin volgens hem het leven van kinderen weinig waarde heeft, slagen er vaak in om kinderen in hun autonomie te respecteren. Kinderen zijn zelden tot nooit het middelpunt van de aandacht, en tòch wordt op hun ontwikkelingsbehoeften responsief gereageerd. Zijn ze klaar om mee te borstelen, laat hen dan borstelen. Daar komt helemaal geen “moeten of mogen” aan te pas.


Kinderen in het middelpunt van de aandacht

En hier gaat mijn voornaamste kritiek dan ook om. Ja in het “Westen” staan kinderen vaak in het middelpunt van de aandacht. We staan er helaas niet bij stil hoezeer dit een overcompensatie is voor de manier waarop we onze kinderen verdringen uit het publieke leven. Van vroeg 's ochtends tot laat 's avonds wordt de zorg overgenomen door één of andere geïnstitutionaliseerde oppas. Ouders en kinderen gaan door de bocht om die ongunstige scheiding “recht te trekken”. Ouders voelen zich vaak schuldig dat de band met hun kinderen maar beperkt in de tijd gevoed kan worden. Kinderen voelen zich vaak niet welkom in de publieke ruimte en in het leven an sich. Ze gaan aandacht opeisen: “Hé, mag ik er ook zijn? Of pas wanneer ik 18 ben?” “Zie je mij wel graag? Ik voel het niet, maar kan je het tonen door me die themadoos van “Cars” te kopen? Wanneer ik die heb voel ik tenminste dat ik ergens bij hoor.” Of, hoe je het voorbeeld van de kindvrije restaurants ook vanuit een ander perspectief kan bekijken. Want, eerlijk, waar (en vooral ook wanneer) kunnen kinderen nog rondlopen en lawaai maken, of euh... kind zijn in onze “door kinderen geobsedeerde samenleving”?

"Niet-Westerse samenlevingen" slagen er vaak in om een vorm van nabijheid te genereren voor hun kinderen waarbij het kind toch niet het middelpunt van de aandacht is. Er is altijd een figuur aanwezig die het kind geborgenheid kan bieden en kan inspelen op de noden van het kind. Heeft een kind er nood aan, dan worden de taken vanzelfsprekend (zonder morren of zuchten van de verzorger) even onderbroken om de borst te geven, om het kind te troosten, te masseren. In de “Westerse samenlevingen”, waarvan Lancy beweert dat ze 'betuttelen' is het helaas vaak zo dat kinderen die boos zijn, angstig zijn of droevig, genegeerd worden. Opvoedingsadvies doet al decennia lang dienst aan de drogreden dat we “onze kinderen niet mogen verwennen”. Kinderen in onze samenleving voelen zich structureel en systematisch niet gezien, noch erkend. De houding van volwassenen naar de emotionele leefwereld van kinderen is afwijzend. “Ga maar niet bij haar wanneer ze huilt, of ze gaat het nog tegen je gebruiken.” Of tegen het kind: “Stop nu eens met zagen.” “Kijk dat meisje is wél flink” (en dus, “zie eens hoe onnozel jìj doet”). Het zijn net de "niet-Westerse samenlevingen" die ons heel wat kunnen leren over hoe we onze kinderen eerst en vooral open en zonder oordeel kunnen ontvangen in hun ervaring, daar responsief op kunnen reageren, en dit in het midst van het leven.


Wat dan wel?

“Als je nu niet stopt met zagen, dan gaan we naar huis.” Deze slagzin van de “Westerse samenleving” toont alleen maar aan hoezeer we als ouders ons natuurlijk en respectvol leiderschap over kinderen hebben verloren. We trachten dus dat leiderschap af te dwingen: “dat mag niet” en “dat moet” en dan nog eens gewoon “omdat ik het zeg”. Of we gaan dreigen. Leiderschap kan je echter niet afdwingen, je kan het alleen maar verdienen. Hoe? Door een vertrouwensband op te bouwen met je kind. Het kindcentrisme van de Westerse samenleving compenseert voor het feit dat die vertrouwensband tussen ouders en kinderen meer en meer tekort schiet. En dat doet niemand goed. Een vertrouwensband opbouwen is oog hebben voor je kind, zonder dat je kind daarbij je leven gaat reguleren. Het is de gevoelens van je kind erkennen en je kind – dat nooit tevoren zo gebombardeerd werd door een cultuur van lust, consumptie en concurrentiedrang – te begeleiden wanneer het gevoelens ervaart van onmacht, pijn, teleurstelling, frustratie, ook in relatie tot die “bastions” van “het kan nu eenmaal niet anders” die we telkens uithalen in relatie tot onze kinderen die vaak niet meer willen dan wat meer aan onze zijde het leven te mogen leven, en te mogen leren van ons voorbeeld als ouders. Maken we ruimte voor de beleving van onze kinderen dan geven we hen de optie om ook op een constructieve manier met hun eigen emoties om te gaan. Je hoort het wel eens: "hoe je tegen je kinderen spreekt, wordt hun innerlijke stem."


Attachment parenting in a nutshell

Attachment parenting gaat nu net over dat responsief reageren op je kind. Dit betekent net dat er niet één goede manier is om kinderen groot te brengen. Het betekent wel dat je als ouder jouw relatie met je kind stelselmatig voedt, niet door je kind centraal te zetten bij alles wat je doet of je dag rond je kind te plannen, maar ook niet door je kind hele dagen “weg te stoppen”, emoties af te snijden, of elke aandrang van je kind te negeren omdat hij of zij anders “verwend zou worden”. Je doet het door tijd te maken om aanwezig te zijn bij je kind, terwijl je iets anders doet, én terwijl je responsief kan reageren op je kind. Je doet het door je kind in zijn of haar autonomie te laten. Je laat je kind zijn - en welk kind zou zich niet depressief gaan voelen wanneer het dàt niet kan ervaren, zichzelf te mogen zijn?

Zit je relatie op een goed spoor, dan is er geen nood voor overcompensatie. Het vertrouwen tussen ouder en kind is bovendien van die aard dat negeren zinloos blijkt. En dan kan je al eens merken dat kinderen tot veel meer in staat zijn dan we (hen over zichzelf doen) geloven.


Meer nuance

Hebben we het erover hoe de opvoeding verloopt in andere culturen, dan mag er wat meer ruimte zijn om de dagelijkse opvoedingspraktijken meer in de diepte te bestuderen, en niet telkens alleen dramatische voorbeelden uit de kast te halen. Hoe we denken over kinderen heeft dringend nood aan meer nuance. Er zijn beslist andere boeken die culturele wijsheden aan ouders brengen op een manier die het Wij/Zij discours van het "Westen"/"niet-Westen" doorbreekt en op een manier die courante stereotypes aan de kaak stelt. Alleen dan kunnen we écht luisteren naar de boodschap van andere ouders wereldwijd.