about
Toon menu

Weer dodelijke ongevallen met vluchtmisdrijf: over verantwoordelijkheid nemen

woensdag 2 september 2015
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.

Maandag berichtte Het Laatste Nieuws: “Weer dodelijke ongevallen met vluchtmisdrijf.” Een suggestieve titel allicht, al moet ik toegeven dat de gedachte me ook wel eens overvalt: alweer?


Er valt heel wat te zeggen over de ongelukken die gebeuren en hoe ze gebeuren. In dit opiniestuk wil ik echter even inzoemen op het luik “vluchtmisdrijf”. En hoewel ik besef dat opvoeding maar een deel van het plaatje is, wil ik aanhalen hoe we in onze samenleving omgaan met verantwoordelijkheid. En daarmee samengaand: welk beeld we rond dit thema schetsen ten aanzien van onze kinderen.


Ik zie twee bewegingen die me in deze context relevant lijken:


1) Hoe we als ouders/verzorgers verantwoordelijkheid modelleren ten aanzien van onze kinderen.


Ik heb het dan over het “Waarom? Daarom!”-gehalte in de opvoeding. Is een kind schoolmoe, dan is onze reactie vaak “je moet nu éénmaal naar school.” Toch zijn er alternatieven – niet zo veel, toegegeven, maar thuisonderwijs kàn, bijvoorbeeld. Of de ouders zouden ervoor kunnen kiezen van school te veranderen. Vaak houden we het erg lang bij bovenstaande slagzin "Je moet naar school." Hierbij voelen we ons vaak onzeker om werkelijk de emoties van schoolmoeheid van onze kinderen te ontvangen. Bovendien vertellen we ons kind niet waarom we onderwijs zo belangrijk achten in het leven van een kind, hetgeen ons zou helpen om het "moeten" te herformuleren naar een bewuste keuze. Het zou bijvoorbeeld kunnen klinken: "Jij gaat echt niet graag naar school hè." En na een poos, bijvoorbeeld, "Ik kies ervoor om je toch naar school te laten gaan elke dag omdat ik het belangrijk vind dat je andere kinderen ziet." Evenmin geeft de uitspraak "het moet nu éénmaal" het kind de boodschap dat hij/zij de capaciteit heeft om de samenleving actief mee vorm te geven. “Het moet nu éénmaal” verlost ons als ouders en verzorgers van de taak om een meer gepaste situatie te vinden voor een kind dat hevig gepest wordt op school, dat geen aansluiting vindt bij het schoolse systeem. Met alle begrip voor de ouders: vaak vinden we zelf dat we nu eenmaal “moeten” werken in die 9 tot 5 job die ons ook nog eens uren in de file kost. Vaak zien we zelf niet dat er alternatieven zijn: zo zouden we met onze werkgever kunnen praten over thuiswerk, of zijn er andere oplossingen. Met andere woorden, we voelen onszelf slachtoffer van een groot systeem. En hoewel er – gelukkig maar! - systemische veranderingen komendie kinderen op de juiste plaats trachten te krijgen en dit met uitermate veel zorg en er ook steeds meer ouders zijn die wél zoeken naar een gepaste oplossing, blijft “dat moet nu éénmaal” in persoonlijke relaties tot onze kinderen een veel gebruikt excuus.


Een ander voorbeeld. “Je bent stout!” roepen we onze kinderen wel eens toe wanneer we in een sociale omgeving zijn en een kind niet stil genoeg praat. Vaak wordt gedreigd met een time-out.Een kind past zich niet helemaal aan aan de agenda van de ouder en ze is niet alleen “stout” maar moe, tegendraads, een peuterpuber, wat nog.Zelden spreken we vanuit onszelf: “Ik voel me onzeker wanneer je zo roept. Kan je misschien wat stiller praten? Ik ben bang dat de anderen last hebben van het lawaai.” Maar wat een verschil. In de laatste manier van uitdrukken geven we aan het kind niet de boodschap dat het “stout” is of “slecht” en toch maken we een duideijk verzoek. Deze formulering laat ons als ouders ook toe om andere factoren in vraag te stellen: is de omgeving wel gepast voor het kind, bijvoorbeeld is langdurige stilte eisen wel mogelijk gezien het ontwikkelingsstadium waarin het kind zich bevindt? 


In relatie tot mijn dochter tracht ik ten stelligste het werkwoord “moeten” te vermijden. Ik ervaar dat er altijd wel een keuze is die ik maak die ik verdoezel wanneer ik “moeten” gebruik. Bij conflicten tracht ik zo veel mogelijk vanuit mezelf te spreken en haar in haar autonomie te laten, haar integriteit als persoon te eren en haar toe te laten zelf een wereldbeeld op te bouwen. Ik tracht dus niet verveeld te roepen dat ze wel érg lastig doet, maar kan bijvoorbeeld wel zeggen “Ik wil echt deze tekst af hebben, dan kan hij nog de deur uit voor mijn collega's naar huis gaan. Ik ben binnen twintig minuten klaar en speel dan graag met je. Kan je me de ruimte geven om nog even rustig door te schrijven?” Kinderen hebben een ongelooflijk vermogen om op eerlijke boodschappen met een immense zin voor verantwoordelijkheid te reageren. Immers, je geeft hen de boodschap “Ik vertrouw je met mijn nood. Wil je dit voor me doen?” Geen dreigementen, geen manipulaties. Een heldere ruimte heeft een positief effect in heel het gezin.


Jammer genoeg geven we zelden het voorbeeld voor jongeren om verantwoordelijkheid te nemen voor hun gevoelens, gedrag, daden en de resultaten daarvan en verantwoordelijkheid te dragen in relatie tot een helder verzoek dat een ander doet. Na jaren training die vooral aanleert het niet te doen vergt het veel persoonlijk werk, energie en moed om het tij te keren.



2) De aversie die we zélf creëren onder jongeren om ons in vertrouwen te nemen wanneer er iets fout gaat.


Een tweede gebied waar ik zie dat we zaden planten die het nemen van verantwoordelijkheid niet ondersteunen in onze samenleving, is dat de opvoeding die we aan kinderen schenken zeer voorwaardelijk is. We belonen (“wat ben jij flink”!) en straffen (negeren ons kind, geven een time-out, enzovoort). Doordat we over de persoon als geheel spreken (jij bent "dit of dat", "braaf of stout"), geven we aan kinderen de boodschap “Je bent ok als dit doet, dan beloon ik je. Dan ben jij als persoon de moeite waard voor mij” of “Als je dit doet ben jij als persoon niet ok, dan wil ik zelfs niet in relatie met je zijn.” Hoe anders zou het zijn mochten we onze kinderen aanspreken op hun gedrag en toch onze relatie met hen eren. “Ik genoot ervan om met jou naar de winkel te gaan. Alles verliep zo vlot. Ik voel me helemaal relaxt” geeft een heel andere boodschap dan “wat ben jij flink!” Of nog “Wanneer je zo roept kan ik me moeilijk concentreren. Ik hou van jou én ik ga me even in het bureau zetten zodat ik wat rust heb.” Ik geef alweer een voorbeeld. Wat in de voorbeelden centraal staat is dat we de verbinding met ons kind behouden terwijl we empathisch gedrag coachen, niet louter gedragspyschologisch, maar met inzicht in de innerlijke leefwereld van het kind.


In onze samenleving zijn we het gewend dat tieners hun ouders maar liefst niet in vertrouwen nemen wanneer er iets “mis loopt.” Vaak zijn het vrienden en vriendinnen die als vertrouwenspersonen dienst doen terwijl de ouders vrij weinig weten over het reilen en zeilen van zoon- of dochterlief. We vinden dit “normaal adolescentengedrag” en zijn ons er vaak niet van bewust hoezeer we zelf zo'n situaties in de hand werken. Zoon- of dochterlief voelt zich als persoon afgewezen wanneer hij of zij iets fout doet en zal het moeilijk vinden om naar ons toe te komen wanneer er iets is misgegaan (straffen). Of, hij of zij heeft het gevoel dat de ouders “niet echt luisteren” maar enkel blij zijn als ze horen wat ze willen horen (belonen). Na verloop van tijd kan een kind schaamte hebben opgebouwd – door onze standaard opvoedkundige “gebruiken” - in die mate dat ze liever niet toegeven dat er iets is fout gegaan. Er is angst ontstaan dat de hele persoon met het toegeven van zo'n fout helemaal verstoten zal worden.

 

Nogmaals, niet dat ik het hele gebeuren van vluchtmisdrijf uitgelegd zie aan de hand van deze twee factoren. Ze zijn een belangrijk onderdeel van een “mindset” die in onze samenleving groeit. Voor we de bekende slagzin weer uitspreken - “de jeugd van tegenwoordig” - laat ons dan dit keer...

Verantwoordelijkheid nemen. Voor hoe ook wij aan de basis liggen van hun in-de-wereld-zijn.

Ik pleit dan ook voor een onvoorwaardelijke opvoeding, waar we vanuit een eigen verantwoordelijkheid én empathisch communiceren naar onze kinderen toe. We hebben nog een hele weg af te leggen.