about
Toon menu

Leve de Rode Duivels (en de multiculturele samenleving)

'Ik ben Batshuayi!' 'En ik ben Kompany!' 'Dan ben ik Fellaini.' Drie jongetjes spelen voetbal en kiezen als vanouds een naam. Wij wilden vroeger Paul Van Himst zijn, of Wilfried Puis. Ik het liefst nog Juan Lozano, maar dat durfde ik niet te zeggen, en het zou ook een belediging geweest voor mijn favoriete voetballer. 'Nieuwe Belgen' had je toen nog niet in ons voetbal. Allochtonen bestonden niet, of zo werden ze toch niet genoemd.
dinsdag 22 april 2014

(Uit Wereldbekerdromen - De WK's van België 1930-2014, Houtekiet Uitgeverij 2014)

Pas toen ik die drie oervlaamse jongetjes zag spelen, in de herfst van 2013, enkele dagen na de WK-kwalificatie, en hoorde wie ze wilden zijn, drong het ten volle tot me door hoezeer de tijden veranderd zijn, ook in het voetbal. En toch: als ik mij ooit met de nationale ploeg heb kunnen identificeren, dan wel nu, in 2014. Hoezo? Jij bent een blanke Kempenzoon!

Ja, maar ik verkeer ook al heel mijn volwassen leven in het gezelschap van Marokkanen, Afrikanen, Hollandse Antillianen en andere exoten. Dat is nooit een bewuste, laat staan geëngageerde keuze geweest. Ik hou toevallig van reggaemuziek en dan kom je vanzelf in contact met andere bevolkingsgroepen. Dat was al zo in Leuven, waar ik als student en radiomaker mijn eerste Afrikanen leerde kennen. In de Antwerpse wijk Zurenborg woonden verschillende Marokkanen, onder wie enkele met dreadlocks, toen nog een spiritueel en geen fashion statement. Mijn vrouw was vroeger getrouwd met een Ghanees, in hun gezelschap leerde ik weer een heel andere gemeenschap kennen. (Als Afrikanen scheiden, gebeurt dat zonder wrok en drama.) Op Couleur Café, Reggae Geel, de Antilliaanse Feesten en andere festivals heb ik mij altijd thuis gevoeld, verlost van de voor anderen zo vanzelfsprekende blanke dominantie in de culturele sector. Iedere zomer vragen experts en journalisten zich af waarom er toch zo weinig allochtonen/jongeren van vreemde origine/kleurlingen/nieuwe Belgen (schrap wat u tegen de borst stoot) naar de festivals komen. Waarom kunnen we die mensen zo moeilijk bereiken en overtuigen om zich te 'integreren'? Ik ben zelf nog nooit naar Rock Werchter geweest. Eén keer naar Werchter Classic, dat wel. Een traumatische ervaring was dat, omdat ik daar geconfronteerd werd met de doorsnee leefwereld van mijn generatie. Ik bespaar u de details maar het zuip-, vreet- en feestgedrag van het publiek stond heel ver van mijn ervaringen op de festivals die ik bij voorkeur bezoek. In Werchter voelde ik mij in het geheel nièt thuis, terwijl er toch enkele van mijn favoriete popgroepen op het podium stonden. Ik ben blijkbaar ook niet goed geïntegreerd. Geldt dat mutatis mutandis dan ook voor de muziek? Zijn genres als hiphop en reggae slecht geïntegreerd omdat er minder 'eigen volk' op afkomt? Of vinden ze gewoon minder gehoor bij mensen van hier? Bij journalisten alleszins, anders zou ik na al die jaren niet de enige zijn en blijven die over reggae schrijft. Voor hiphop heeft dat ook heel lang gegolden. 'Gedaan met de speeltijd' titelde de vaste popredacteur van De Morgen eind jaren 80 toen hij een slecht hiphopconcert gezien had, voor hem reden genoeg om het hele genre maar meteen dood te verklaren. Maar de ene zijn dood was in dit geval mijn brood. Een decennium lang mocht ik zowat alle hiphopconcerten verslaan, van Ice-T tot Wu-Tang Clan. Prince: ook een zwarte. Doe jij maar. Wereldmuziek: weet jij daar iets van? Goed, ga dan ook maar naar Sfinks. Anderen waren volstrekt niet geïnteresseerd, ik voelde mij consequent bevoorrecht. Ik schreef intussen ook over sport. Door mijn verbondenheid met Afrikanen en Marokkanen via de muziek voelde ik mij als vanzelfsprekend aangetrokken tot Afrikaanse en Marokkaanse voetballers. Afrikanen, dat waren toen nog huurlingen, meestal voor een habbekrats getransfereerd van Ghanese, Senegalese en Nigeriaanse clubs, verblind door de ijdele beloftes van kleine zelfstandigen, hier ondergebracht in armoedige studio's en zelden in staat om door te breken op het hoogste niveau, laat staan om een transfer te versieren naar een grote buitenlandse club. Die jongens werden in de eerste plaats beschouwd als goedkope investeringen, en even makkelijk weer afgeschreven. Alleen toppers als Stephen Keshi en Charly Musonda ontsnapten aan die wetmatigheid, en werden door het establishment in de armen gesloten. De Marokkanen waren meestal tweede generatie, hier geboren of van kindsbeen opgegroeid. De eerste van wie ik destijds, zo rond 1990, een interview afnam, was Mohammed Lashaf van Antwerp, die later nog vier jaar voor Standard zou spelen. Ik heb hem zelfs eens samengebracht met Filip De Winter, sterke man van het (toen nog) Vlaams Blok. Ontroerend gesprek was dat, omdat beide mannen hun vooroordelen moesten herzien, zo oog in oog met elkaar, en op het einde zelfs hartelijk afscheid namen van elkaar. Over discriminatie en racisme liet Lashaf die dag niet het achterste van zijn tong zien. Hij had geleerd om te zwijgen, om de mensen 'van hier' niet te confronteren met hun tekortkomingen. Maar onderhuids broeide er wel iets, een zekere somberte en gelatenheid, gevoed door de altijd weerkerende weigeringen, beledigingen, hatelijke spreekkoren en politiecontroles. Mijn Marokkaanse vrienden hadden er al vaak over verteld, hadden ermee leren leven, maar zouden het nooit volledig accepteren. Nordin Jbari bevestigde mijn vermoedens. Ik heb met hem gepraat bij Anderlecht, AA Gent en Club Brugge, drie clubs even ambitieus als hijzelf, maar in hun hall of fame zul je Jbari niet tegenkomen. Hij viel ook twee keer in als Rode Duivel, de eerste Marokkaan in de nationale ploeg. We hadden het vaak over de vele honderden Marokkaanse jongetjes in het Belgische jeugdvoetbal, en waarom die rond hun vijftiende, zestiende plots massaal moesten afhaken. Gebrek aan discipline en teamspirit, zoals je vaak hoorde fluisteren? Of toch verhuld racisme, discriminatie op basis van naam en afkomst, zoals algemeen aanvaard op de Belgische arbeidsmarkt?

Jbari nam ook geen blad voor de mond als het over zijn collega's ging, zij het niet altijd on the record. Wanneer het bandje niet meer draaide, vertelde hij over de beledigingen die hij op het veld en in de kleedkamer te verduren kreeg, de moeizame verhoudingen met trainers en besturen, het gebrek aan respect en erkenning. Ik weet niet of hij echt de top had kunnen bereiken maar zijn volle potentieel heeft Nordin Jbari nooit kunnen verwezenlijken. Daarvoor waren de Belgische geesten nog niet rijp. Liever een Kroaat of een Braziliaan naturaliseren dan een Marokkaan van hier laten doorstoten. Onder voorbehoud, want misschien was dien Jbari achter de schermen een ettertje, en heb ik daar nooit het fijne van geweten. Het is een lastig thema om over te schrijven. Je wordt algauw politieke correctheid verweten (wat ik op zich geen slechte kwaliteit vind) en misplaatste solidariteit. Alsof ik de Belgen met buitenlandse roots (altijd een hekel gehad aan het woord 'vreemdelingen') bewust zou verheerlijken, vanuit een soort links plichtsbesef, en blind zou zijn voor hun gebreken en tekortkomingen. Niets van dat alles. Het is de muziek die ons bij elkaar heeft gebracht. Ik heb zo een hoop Afrikanen en Marokkanen leren kennen, en sindsdien weet ik dat ze geviseerd en gediscrimineerd worden. Dat was al zo in de jaren 80, en daar is (getuige tal van nationale en internationale rapporten) nog maar weinig aan veranderd. Niet eigen aan de Vlamingen of de Belgen maar bij ons zitten racisme en etnische vooroordelen blijkbaar wel erg sterk ingebakken.Tot diep in de jaren 2000 weerklonken op de voetbaltribunes regelmatig oerwoudgeluiden, telkens als een donkere speler de bal raakte. Ik heb dat altijd een schandelijke gebruik gevonden maar het heeft lang geduurd voor de clubs en de bond actie ondernamen. Waar maken we ons druk over? Die mensen menen dat toch niet? Laat ze zich toch uitleven! Zulke reacties zijn het verderfelijke restant van 400 jaar westers superioriteitsgevoel. Veel bange blanke mannen willen of durven nog niet toegeven dat de gouden jaren van Europa achter ons liggen, dat we niet langer straffeloos andere continenten kunnen leegroven en hele volkeren knechten. Ze begrijpen ook niet dat al die mensen nu gewoon hier hun deel van de koek komen opeisen, de koek die wij gebakken hebben met hùn grondstoffen en in het zweet van hùn aanschijn. Voetballers, alla, maar toch niet al die andere leeglopers en fortuinzoekers? Het is de boemerang die keihard terugkeert, recht in ons gezicht, na van vier eeuwen van koloniale onderdrukking en rooftochten. Laat u vooral niet wijsmaken dat onze voorouders keihard gewerkt hebben om de huidige welvaart op te bouwen en dat wij al onze bezittingen rechtmatig verworven hebben. En dan amper een halve procent van het bruto nationaal product besteden aan ontwikkelingssamenwerking, niet eens de 0,70% die begin jaren 60 (!)  al beloofd werd. Gelukkig vloeit er nu via de voetbalmiljonairs toch al iets meer geld terug naar Afrika en andere minder welstellende streken.

Om al die redenen zijn de Rode Duivels meer dan ooit mijn ploeg. En omdat ze zo goed spelen natuurlijk, eindelijk weer het mooie, soepele voetbal van de Mondiale in Italië (1990), het laatste grote toernooi waar het Belgische elftal mij in vervoering wist te brengen. Toen Enzo Scifo nog een volbloed Belg was en geen 'Siciliaan', zoals hij later, in slechtere dagen, wel eens genoemd werd. Zo dun is die grens van beschaving. Het hoeft maar even wat minder te gaan of door het laagje vernis gloort al het primitieve denken van weleer. Jammer dat we al die supertalenten zo weinig aan het werk hebben gezien in de Belgische competitie. Daar zijn ongetwijfeld onweerlegbare economische redenen voor. In mijn tijd, toen de dieren nog spraken, was het anders. Toen kwamen de beste voetballers van Europa nog naar hier, zoals ze nu naar Spanje of Engeland trekken. Lothar Emmerich, Rob Rensenbrink, Wlodek Lubanski, Karl Kodat: ik besefte in die tijd, de jaren 70, nauwelijks dat hier zoveel internationale toppers rondliepen. En al helemaal niet dat ze hier in de eerste plaats meer zwart geld konden verdienen dan elders. Eens dat circuit in 1984 was blootgelegd (en en passant ook de omkoopaffaire Waterschei-Standard) bleken plots veel minder buitenlandse sterren de weg naar onze velden te vinden. In diezelfde periode zetten steeds meer Belgische voetballers hun eerste schuchtere stappen over de grenzen. Scifo, Ludo Coeck, Erwin Vandenbergh, Filip De Smet, Stéphane Demol, Eric Gerets, en de grootste van allemaal: Jean-Marie Pfaff. Maar zelden werden ze hier zo jong weggehaald als de Rode Duivels van nu. De Belgische clubs kunnen al lang niet meer concurreren met het buitenland, talentrijke spelers worden op jeugdige leeftijd gescout. Spijtig voor ons, inderdaad, maar een goeie zaak voor hen èn voor het niveau van de nationale ploeg. Zouden ze in België ooit zoveel vooruitgang hebben geboekt? Ze hadden zich hier alleszins niet kunnen meten met andere topvoetballers, hadden nooit de druk ervaren van uitverkochte megastadions en exuberante media-aandacht. Kortom: zonder die transfers zouden onze clubs niet kunnen overleven en zouden de Rode Duivels nooit zo sterk geworden zijn. It's the economy, stupid. Een aangenaam bijverschijnsel van het succes is de nieuwe belgitude. Die had zich ook al aangediend in andere sectoren, met Stromae als boegbeeld, maar niets dat een volk zo verenigt als de nationale voetbalploeg. En voor sommigen een hele verademing na al die jaren van Vlaams kaakslagnationalisme  en diffuse splitsingsplannen. Zowel Marc Wilmots (een uitgesproken Belgicist) als Bart De Wever (separatist) mogen dan al beweren dat ze voetbal en politiek liever gescheiden houden, de psychologische impact van het succes zou wel eens een rol kunnen spelen bij de verkiezingen in de lente van 2014. Steven Martens, CEO van de voetbalbond, wil de Rode Duivels voor en tijdens de wereldbeker positioneren als een sterk merk, als een wereldmerk zelfs, 'vanuit hun eigen identiteit: jong, speels, trendy, multicultureel.' Kortom alles wat het Vlaanderen van de heersende partijen niet is. En dan dat ene woord: multicultureel. Ik durfde het zelf nog nauwelijks gebruiken de laatste jaren. Diezelfde partijen hebben er immers alles aan gedaan om het begrip in diskrediet te brengen en weg te lachen als de naïeve droom van culturo's en intellectuelen. Toegegeven: een mooi woord is het niet, multicultureel. Maar is er een mooier ideaal denkbaar? Een wereld waarin (letterlijk) veel culturen samenleven en samen leven: het zou de ultieme maatschappelijke ideologie kunnen zijn, wars van politieke of religieuze voorkeuren, onthecht van nationalisme en eigenwaan, onafhankelijk van financiële instituten en lobbyisten, gericht op het welzijn en welbevinden van iedereen. Politici die de multiculturele maatschappij beschimpen en bespotten, die de realiteit ontkennen en weigeren hun vastgeroeste denkbeelden te veranderen, zouden zich diep moeten schamen. Iedereen weet dat de mensheid één grote stam is, meer dan ooit met elkaar verbonden, fysiek, mentaal, virtueel, sociaal, ecologisch en emotioneel. Het is een misdaad om die evolutie te willen afremmen, en zeker om je kiezers ook nog eens een rad voor de ogen te draaien.  De multiculturele samenleving is een feit, get over it.

De invloed van de Rode Duivels op die evolutie is niet te onderschatten. In een land waar de meeste burgers hun gekleurde medemens nog vaak aanspreken (als ze dat al durven doen) in het Engels of het Frans, meestal met de vraag waar ze vandaan komen dan nog, kan het geen kwaad om af en toe een voetballer van Afrikaanse of Marokkaanse afkomst te zien en te horen die gewoon Vlaams spreekt, met een regionaal accent dan nog. Die brave burgers zouden anders nog denken dat ze niet bestaan, Belgen met een andere huidskleur, hier geboren en getogen. Ik overdrijf maar ik weet ook dat de meeste 'autochtone' (god, wat haat ik al die besmette woorden) Belgen zelden of nooit in contact komen met andere bevolkingsgroepen.

Ja, ik ben trots op die multiculturele Belgische ploeg. Ze reflecteert mijn ideale wereld, ook al zouden voetballers daar nooit zoveel kunnen verdienen als hier. Met wortels die naar alle windstreken reiken, en mensen van alle kleuren, overtuigingen en voorkeuren die vredig samenleven, elke groep gerespecteerd en in zijn waarde gelaten, maar wel samen onderweg naar het beloofde land*. Halleluja!

* Brazilië

Dit is het twaalfde en laatste hoofdstuk van het boek Wereldbekerdromen - De WK's van België 1930-2014, Uitgeverij Houtekiet 2014.

reageer

Er zijn nog geen reacties op deze blog.