about
Toon menu

Burgeranalyse - politiek bedrijf - kiezen: dl. 12 remedie burgerparticipatie

zondag 3 maart 2019
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.

Het referendum

Het referendum hoort bij het politiek proces van besluitvorming.
De burger krijgt inspraak via het referendum bij het begin van de besluitvorming rond een probleem.
Samen met de stembrief krijgt iedere stemgerechtigde burger de aanbevelingen van alle partijen en verstrekt de overheid een brochure waarin de pro’s en de contra’s objectief worden uiteengezet.
De uitspraak is bindend als aan beide onderstaande voorwaarden is voldaan:

  • zodra ⅔ of 66,67 % van de ondervraagden voor of tegen stemt,
  • zodra het aantal mensen die aan het referendum meedoen ⅔ of 66,67 %
    van het totale kiezerspubliek is.

De referendumvragen moeten heel duidelijk zijn, elke dubbelzinnigheid uitsluiten en gaan over wat, waar en hoe.

Wat aanvaard werd, moet binnen de zes maanden in technische plannen uitgewerkt worden. Tenslotte heeft het beleid nog eens zes maanden de tijd om beslissingen te nemen en de nodige werklui aan te schaffen. Zo wordt het ‘op de lange baan schuiven’ vermeden.
Politici die zich aan die termijnen niet houden worden automatisch veroordeeld, verliezen hun job en moeten ten persoonlijke titel een fikse boete betalen.

 

Het ‘Ostbelgien Model’

Dertien experts, onder wie professoren uit Ierland, Polen en Australië werkten mee aan het ‘Ostbelgien Model’, een nieuwe vorm van burgerparticipatie. Bij ons is David Van Reybrouck er de grote bezieler van.
Ook de Hongaars-Amerikaanse ­zakenman George Soros zit onrechtstreeks mee achter het Duitstalige burgerschaps­project. Er is financiële steun van het Open Society ­Initiative for Europe (een fonds van Soros). Dat fonds wordt onder meer gebruikt om summer schools te organiseren, om het project in ­binnen- en buitenland kenbaar te maken.
En niet zonder trots benadrukte Karl-Heinz Lambertz, ex-minister-president van de Duitstalige Gemeenschap, in het parlement dat zijn regio ‘opnieuw een laboratorium wil zijn voor de rest van Europa’.

De Duitstalige Gemeenschap van België, in het oosten van het land, telt zo'n 77.000 zielen. Het Duitstalig België is op het vlak van populatie te vergelijken met de Vlaamse steden Kortrijk, Hasselt of Sint-Niklaas.
Maar ze hebben een eigen parlement (25 leden), een eigen regering (4 ministers), een eigen hoofdstad (Eupen) en een eigen openbare omroep (de BRF, de Belgischer Rundfunk). En bovendien: een flink pak eigen bevoegdheden.

De kernvraag achter het ‘Ostbelgien Model’ was: waarom aanvaarden we dat lobby’s, denktanks en allerhande belangengroepen invloed mogen uitoefenen op het beleid, en aarzelen we om gewone burgers, om wie het toch gaat, zelf ook zeggenschap te geven?

Dit democratisch beleidsexperiment verdient absolute navolging op alle beleidsniveaus in ons land; te beginnen met het gemeentelijk niveau. Daarom hieronder de structuur en werkwijze zoals ik het begrijp en zie.

Er wordt een volksvertegenwoordiging verkozen door stemming zoals bij andere verkiezingen in ons land.
Deze vertegenwoordiging kan bogen op de deskundigheid van beroepspolitici. Het parlement en de politici staan echter een deel van hun macht af aan de burgers. Daardoor wordt de burgerparticipatie concreet en iets om rekening mee te houden.
Alhoewel de aanbevelingen van de gelote burgers (zie verderop) niet bindend zijn, moet het parlement zich wel publiek verantwoorden als het de uitslag naast zich neerlegt.

Er wordt een volksvertegenwoordiging verkozen door loting. Deze burgers hebben de vrijheid om niet als politici herkozen te moeten worden. Binnen die volksvertegenwoordiging heb je 2 groepen: een Burgerraad (Bürgerrat) en de Burgerpanels (Bürgersammlungen).

De Burgerraad telt 24 leden waarbij ⅓ om het jaar vervangen wordt door andere gelote burgers. Je kan pas na drie jaar opnieuw meedoen bij de loting zodat ook anderen de kans krijgen.
De Burgerraad bepaalt de agenda door vragen te stellen en de antwoorden op te volgen. Ze legt in september, bij de start van het parlementaire jaar, drie agendapunten vast. Haar inspiratie haalt ze uit de plannen van de regering en het parlement, maar ook uit burgervoorstellen waarbij honderd handtekeningen van kiesgerechtigde burgers voldoende zijn om mee te dingen.
Ze trekt met de aanbevelingen van de burgerpanels (zie verderop) naar de regering en het parlement. Hun dagvergoeding is 75 euro.

Elk Burgerpanel telt 25 leden. Aangezien er jaarlijks 3 thema's aan bod komen, zijn er dus ook 3 Burgerpanels. Zij moeten een antwoord zoeken op de gestelde vraag.
De leden worden uitgeloot op basis van geslacht (evenwicht man/vrouw) en leeftijd (vanaf 16 jaar). Opleiding/beroep speelt een rol omdat het gekoppeld kan worden aan de vraagstelling, bijvoorbeeld een landbouw-gerelateerde vraag. Woonplaats kan eveneens meespelen indien het om een grensoverschrijdende problematiek gaat, bijvoorbeeld grensarbeid. Daarom speelt nationaliteit geen rol. In ieder geval moet 20 % van de deelnemers betrokkenen zijn in die problematiek.
Het Burgerpanel komt drie weekends samen over een periode van drie maanden en ontvangt een vergoeding van 37,5 euro/persoon. Als de vergadering langer dan vier uur duurt, dan verdubbelt dat bedrag.
Beslissingen gebeuren op basis van consensus of met een viervijfdemeerderheid. Met die resultaten trekken de Burgerpanels naar de overkoepelende Burgerraad.

Met loting van de volksvertegenwoordiging krijg je een betere dwarsdoorsnede van de samenleving aan de knoppen. Een gelote volksvertegenwoordiging staat er niet alleen voor: ze kan experts uitnodigen, op gespreksleiders rekenen en burgers bevragen. Bovendien krijgt ze tijd om zich in te werken en is er ook een administratie om documentatie voor te bereiden. Ieder draagt bij naar zijn talenten en ambities.
Alle experimenten met burgerfora tonen aan hoe toegewijd en constructief gelote deelnemers zich gedragen en hoe verfijnd hun aanbevelingen dikwijls zijn.

 

Wat wanneer toepassen

Wel het ‘Ostbelgien Model’ is heel gemakkelijk binnen onze groter wordende steden toepasbaar.

Wil je natuurlijk met die werkwijzen naar het regionale niveau overstappen, in Vlaanderen gaat het om ruim zes miljoen inwoners, dan moet je het ietwat anders aanpakken.

  • vertrek van de arrondissementen als startpunt van het ‘Ostbelgien Model’ 
  • laat dan vanuit elk arrondissement 1 afgevaardigde naar een Vlaamse vertegenwoordiging trekken om daar een eindconclusie klaar te maken. Laat je daarbij bijstaan door een intendant.
  • giet die conclusie(s) in een 'referendum'-vorm en bevraag alle Vlaamse kiezers. De optie die ⅔ of 66,7 % haalt, wordt weerhouden.
  • Met dat resultaat stap je naar het Vlaamse Parlement. Ze moeten dat aanvaarden tenzij ze een heel goede motivatie kunnen voorleggen om dat niet te doen.
  • Daarna krijgt het Vlaamse Parlement 1 jaar de tijd om dat punt te realiseren.

In alle bijeenkomsten zijn gelote burgers actief. Zij kunnen zich laten informeren door experten. En bij dat alles worden ze administratief ondergesteund door ambtenaren.