about
Toon menu

Boekbespreking: 'Rode Hongersnood'

Anne Applebaum is een Amerikaanse historica, met Poolse en Joodse roots en gespecialiseerd in de geschiedenis van de Sovjet-Unie. Ze schreef al boeken over de goelag, het IJzeren Gordijn en Oost-Europa. In dit boek vertelt ze over de geschiedenis van Oekraïne van 1917 tot nu en vooral over de periode van de bewuste uithongering door Stalin van 1931-1934 en de jaren daarna, toen hij systematisch Oekraïense intellectuelen, professoren, schrijvers, kunstenaars, priesters liet deporteren of liquideren.
maandag 2 april 2018
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.

Voor die uithongering gebruikt men de term Holodomor: uitroeiing (mor) door honger (holod). Sommigen spreken ook van genocide, maar de schrijfster toont aan dat het niet zover ging. De uithongering gebeurde door speciale teams van agenten en partijactivisten, die bij de boeren alles weg roofden: graan, aardappelen, bieten, pompoenen, bonen, erwten, dieren.

Dit leidde tot minstens 3,9 miljoen doden in Oekraïne en in heel de Sovjet-Unie tot meer dan 5 miljoen, want ook andere graanstreken werden leeggeroofd: de Noordelijke Kaukasus, de Wolgastreek, West-Siberië, Kazachstan. Het kunnen ook meer doden zijn, want bij de bevolkingstelling van 1937 ontbraken 8 miljoen mensen. Ondertussen ging de export van graan, boter en spek gewoon verder en weigerde Stalin hulp uit het buitenland. Tot 1991 weigerden de leiders van de Sovjet-Unie deze moord te erkennen en vernietigden ze archieven met gegevens daarover. Het huidige Rusland betwist nog altijd de legitimatie van Oekraïne: zij vinden dat het grensgebied bij Rusland hoort.

Het boek begint met de geografie van Oekraïne: het heeft geen natuurlijke grenzen, waardoor vreemde legers uit Mongolië en uit Europese landen er gemakkelijk konden binnenvallen. Tot 1991 was het dus meestal bezet door een ander land. Rusland ontstond in de 9° eeuw in Kiev-Rus en zowel Russen, Witrussen als Oekraïners beweren daarvan af te stammen. Ze zijn alle drie overwegend Russisch-orthodoxe christenen. De Russen beschouwden de Oekraïners nooit als een apart volk en hun taal was in hun ogen een dialect. In 1804 stond Alexander I enkele niet-Russische talen toe in de scholen, maar het “Oekraïens dialect” hoorde daar niet bij. Dat verbod gold ook voor boeken en opera’s en werd overgenomen door de bolsjewieken.

Oekraïne had vooral economisch belang: 2/3° van het grondgebied was “zwarte aarde” of vruchtbare grond, al sinds Herodotus. Dank zij het zachte klimaat, is de grond goed voor twee oogsten per jaar: in juli-augustus en in oktober-november. Rond 1930 voedde het Oekraïense graan ca. 37 procent van de SU.

De steden waren centra van Russische, Poolse of Joodse cultuur en taal, het platteland Oekraïens. In 1917 sprak slechts 1/5° van Kiev nog Oekraïens. De industrialisatie bevorderde in de 19° eeuw ook de russificatie: het Russisch werd de taal van de fabrieken en van de steenkoolmijnen, zeker in de Donetsk. In 1918 werd West-Oekraïne bij Polen gevoegd tot 1939. In Versailles stond Oekraïne niet op de lijst van de nieuwe landen. In 1918 was het eventjes onafhankelijk, o.l.v. Symon Petljoera, die in de ogen van de bolsjewieken een verrader was. Maar begin 1919 werd het na de tweede bolsjewistische invasie veroverd door de SU.

Die had vanaf het begin een tekort aan graan en ander voedsel. De graanproductie daalde van 20 miljoen ton in 1914 naar 8,45 in 1920 en 2,9 in 1921(76).

De Sovjets traden hard op tegen wie Oekraïens sprak en ook de Kozakken in Zuid-Oekraïne en Zuid-Rusland kregen het in 1919 hard te verduren: 12.000 werden doodgeschoten. Kiev ging in 1919 liefst 12 keer over in andere handen en Oekraïne werd gekenmerkt door wetteloosheid en versnippering. Tussen 1918 en 1920 was er ook een golf van antisemitisme bij soldaten van alle partijen: 50.000 (à 200.000) Joden werden vermoord, gewond, verkracht, beroofd. Met Polen sloot de SU in oktober 1920 een wapenstilstand en grensverdrag: dat maakte een einde aan Lenins poging om delen van Europa te veroveren. Met Oekraïne sloot de SU in 1921 een ongelijke vrede, maar er kwam geen beterschap in het land. In 1921 was de oogst zo laag en de honger zo groot, dat alles opgegeten werd: honden, ratten, insecten, gras, bladeren (en mensen) (77). De Pravda schreef op 21 juni 1921 dat 25 miljoen mensen honger leden. De overheid lanceerde eenmalig in de geschiedenis van de SU een oproep naar het Westen en met succes: vooral de Amerikanen kwamen ter hulp, o.l.v. Herbert Hoover. Zijn team ontdekte in de SU een armoede die ze nergens anders in Europa gezien hadden.

Maar tijdens de hongersnood van 1921-22 verkochten de bolsjewieken in het geheim goud, kunstwerken, zelfs voedsel, aan het buitenland, om wapens en machines te kunnen kopen(79). Lenin gebruikte de hongersnood ook om de kerk in Oekraïne en Rusland verder te beroven van goud en iconen, die dan in het buitenland verkocht werden (82-83). Pas einde 1923 was de voedselcrisis onder controle. Ze kostte het leven aan 5 miljoen mensen, van wie 0,5 miljoen in Oekraïne. Toen werden ze nog “slachtoffers” genoemd (83).

In 1922 maakte Lenin met zijn N.E.P. een voorlopig einde aan de voedselopeisingen. Maar ook die N.E.P. mislukte: de overheid beknotte de vrije markt, door te lage prijzen op te leggen voor agrarische producten. Het gevolg was dat de boeren niet genoeg graan verkochten. In 1927 wou de overheid 7,7 miljoen ton kopen, maar slechts 5,4 miljoen ton werd aangeboden. Overal stonden lange wachtrijen voor lege winkels. In 1928 liet de geheime dienst overal graanhandelaars arresteren, in Oekraïne alleen al meer dan 500. Dit betekende ook het einde van de N.E.P.

In 1928 besliste Stalin dat collectieve boerderijen de enige oplossing waren voor het graanprobleem en dat de boerenstand opgeofferd moest worden om de SU snel te industrialiseren. De hoofdstukken 5 en 6 gaan over die collectivisatie, die in november 1929 van start ging en in drie jaar klaar moest zijn. 25.000 stedelijke activisten, die niets van landbouw kenden, trokken naar de dorpen om de boeren te overtuigen en de weerspannige “koelakken” uit te roeien. Voor “koelak” bestond nooit een uniforme definitie: soms was men al koelak vanaf 2 koeien, soms gewoon omdat men tegen de collectivisatie was of omdat men etnische Pool of etnische Duitser was. Die waren drie keer meer het slachtoffer van deportatie dan de etnische Oekraïners. Joden waren zelden koelak, omdat ze geen grond bezaten en niet aan landbouw deden. Moskou bezorgde lijsten met quota die gedood of gedeporteerd moesten worden. Als men niet zoveel koelakken vond, pakte men gewoon anderen op. Oekraïne kreeg het grootste quotum: 50.000 koelakken-gezinnen moesten verbannen worden. Daar bovenop werden tussen 1930 en 1933 nog 2 miljoen Oekraïense boeren verbannen naar Siberië en andere oorden, los van de collectivisatie. Velen stierven al onder weg of tijdens hun dwangarbeid. Sommigen ontsnapten zo aan de hongersnood. Voor Wit-Rusland was het quotum 12.000.

De “dekoelakisatie” ging gepaard met diefstal, plunderingen, openbare verkoop van afgepakte inboedels, foltering, verkrachting, uitkleden van koelakken en ze naakt in een ton rondvoeren in hun dorp. De dekoelakisatie ging ook gepaard met religieuze onderdrukking: die was er van 1917 tot 1991, maar bereikte haar hoogtepunt tijdens de collectivisatie. In 1930 werden vele kerken gesloten, priesters gearresteerd en samen met de koelakken gedeporteerd, klokken vernield en gesmolten, iconen vernietigd. Tussen 1918 en 1930 werden meer dan 10.000 kerken gesloten en omgebouwd tot schuren, pakhuizen etc. De staat verbood ook de viering van Kerstmis, Pasen en de zondagse mis. Ook de rondreizende troubadours verdwenen ineens: mogelijk werden ze allemaal opgepakt, omdat hun liederen soms anti-sovjet waren.

Kortom: in 1929-1932 vond een revolutie plaats op het platteland, die veel ingrijpender was dan de Oktoberrevolutie: in heel de SU werden leiders van het platteland en priesters opgepakt en gedeporteerd, hele dorpen moesten al hun vee en bezit afgeven om zich aan te sluiten bij de collectieve boerderijen, het kerkelijk leven werd helemaal kapot gemaakt.

Het verzet was enorm, vooral in Oekraïne, met als gevolg dat de activisten nog meer geweld gebruikten. Alleen al in 1930 vonden 13.794 terreurincidenten plaats en 13.754 massaprotesten tegen de onteigeningen, de meeste in Oekraïne.

Boeren slachtten hun eigen vee, omdat het anders afgepakt werd. In 1933 was meer dan de helft geslacht. De overheid zag dat als sabotage en deporteerde tienduizenden slachtende boeren.

Moskous paranoia tegenover Oekraïne bleef bestaan bij partijleiders en geheime agenten tot in de jaren 80. Gorbatsjov, kleinzoon van gedeporteerde koelakken, omschreef de collectieve boerderijen later als een “tweede lijfeigenschap”.

De collectivisatie mislukte: de boeren, nu gedegradeerd tot onderbetaalde en ongemotiveerde lijfeigenen, werkten zo weinig mogelijk en onderhielden de machines niet meer. De productie daalde dramatisch. Toch bleef de SU tussen 1924 en 1931 steeds meer graan exporteren naar Turkije, Italië, Duitsland, Nederland en Engeland. Deze uitspraak van de auteur lijkt in tegenspraak met de boycot en de dalende productie. Met de valuta van de graanexport kocht de SU Westerse machines voor de industrie.

In 1931-1932 was de oogst veel kleiner en was er ook minder ander voedsel door de collectivisatie. Stalin en Molotov reageerden met harde dwang. Arme mensen werden uit hun huis gesleurd en het beetje dat ze nog hadden, werd hun afgepakt. De hongersnood sloeg massaal toe, de lijken lagen op straat, de Poolse en Duitse consul in Kiev meldden de ramp aan hun oversten in Warschau en Berlijn.

Stalin en Molotov kregen massa’s brieven van hongerige burgers en ook van Oekraïense communistische leiders, maar ze toonden geen greintje medelijden. Toen Nadja, de vrouw van Stalin, meldde dat Oekraïense medestudenten vertelden over de uithongering, vroeg Stalin hun namen en ’s anderendaags waren ze verdwenen van de Industriële Academie.

Toen uitgehongerde mensen het graan begonnen te stelen van de kolchozen, werd op 7 augustus 1932 een edict uitgevaardigd dat een minimale diefstal bestrafte met 10 jaar kamp of zelfs de doodstraf. Eind 1932 waren al 4.500 “dieven” doodgeschoten en 100.000 tot 10 jaar dwangarbeid in de goelag veroordeeld. De bevolking van de goelag verdubbelde van 260.000 in 1932 naar 510.000 in 1934 en het dodental van 5 procent in 1932 naar 15 procent in 1933. Ook partijleden kwamen in verzet en Stalin vreesde Oekraïne kwijt te spelen aan Polen, waar Pilsudski aan de macht was(186-187).

Op 9 november 1932 pleegde Nadja Alliloejeva zelfmoord. De auteur verklaart het als een protest tegen de Holodomor. Ze was, net zoals Boecharin, tegen de collectivisatie en ze was op de hoogte van de schrijnende situatie in Oekraïne. Maar ik twijfel of dit de enige reden was: tijdens de viering van 15 jaar Oktoberrevolutie zat Stalin te flirten met een andere vrouw en gooide hij eten naar Nadja. Ze is dan razend naar haar kamer gerend en heeft een kogel door haar hart geschoten. De dokter werd verplicht zijn attest te wijzigen in “acute blindedarmontsteking”.

In 1932-1934 exporteerde de SU verder graan, boter, spek, eieren, gevogelte, appels, noten, honing, jam, vis in blijk, groenten i.p.v. de hongerlijders te helpen(194).

In 1932 werden ook zwarte lijsten opgesteld met dorpen en boerderijen die te weinig graan leverden en dus sancties kregen, o.a. deportaties. Er ontstond nog een ander probleem: de uittocht van hongerige boeren naar Rusland, Wit-Rusland, Polen, Georgië, waar meer voedsel was. Stations zaten vol hongerige Oekraïners, overal vond men lijken van alle leeftijden, in de dorpen stierven 10 tot 20 gezinnen per dag van de honger(202). In januari 1933 sloten Stalin en Molotov de grenzen van Oekraïne en van de Oekraïense Noordelijke Kaukasus. Voortaan was er een zichtbare grens tussen Oekraïne en Rusland. Boeren kregen geen reispas meer en konden hun dorpen niet meer verlaten.

De doden en bijna-doden werden op vrachtwagens geladen en in afgelegen ravijnen of kuilen gegooid. In december 1932 nam het politbureau nog een vreemd besluit: het Oekraïense nationalisme had “de mislukking van de graanvorderingen veroorzaakt” en mensen leden honger door “hun eigen sabotage”. Gevolg: professoren, leraren, intellectuelen werden opgepakt, universiteiten werden gesloten of verplicht weer het Russisch te gebruiken, de Oekraïense nationale beweging werd monddood gemaakt, in het onderwijs mocht geen Oekraïense geschiedenis en taal meer gegeven worden, de grootste historicus, Hroesjevsky, werd verbannen en overleed in 1934 in verdachte omstandigheden. Oprechte Oekraïense communisten werden door Stalin uitgezuiverd en met duizenden naar de goelag gestuurd, omdat ze gepleit hadden voor de hongerlijders. Ook de orthodoxe Kerk werd weer hard aangepakt: kerken werden verwoest, in vele provincies bleef er geen kerk meer over, in Kiev alleen werden 69 kerken verwoest en ook graven en monumenten van bekende Oekraïners. In 1934 verscheen een lijst met verboden auteurs en al hun boeken werden uit de bibliotheken en boekhandels verwijderd. De auteurs van het Oekraïens woordenboek werden doodgeschoten. Kranten kregen lijsten met woorden die niet meer gebruikt mochten worden.

In hfst. 10 beschrijft de auteur de zoekmethodes van de activisten: ze zochten niet enkel graan, maar alles wat eetbaar was en hanteerden lange metalen staven die ze overal in de grond konden steken op zoek naar graan en ander voedsel. Ze zochten ook in bedden, wiegen, holle bomen, kerkhoven, onder vloeren. En ze namen alles mee: fruit, groenten, bieten, honing, bijenkorven, kleren, koeien, varkens, honden, katten, iconen, meubels, tapijten, speelgoed, spaargeld(221). Huiszoekingen gingen gepaard met folteringen om bekentenissen af te dwingen. Seks en verkrachting werden ook gebruikt, vingers werden gebroken door ze tussen de deuren te steken, mannen werden in hete ovens gestopt of naakt de sneeuw in gejaagd. Wie op het veld achtergelaten korrels graan of aardappelen ging oprapen, werd gefolterd of gedood. De pers schilderde de boeren af als hebzuchtige, onmenselijke en nutteloze wezens, die zelf verantwoordelijk waren voor de voedseltekorten. De activisten, vaak zelf Oekraïense buren van de slachtoffers, waren zo geïndoctrineerd dat ze alles geloofden.

De echte verhongering greep vooral plaats in 1933: toen was alle voedsel op. Toen Georges Simenon in 1933 door Odessa wandelde, lagen daar vele hongerige bedelaars op de grond. Hij vroeg aan zijn gids of die niet wat eten moesten krijgen. Die antwoordde: “Dat zijn koelakken, die zich niet aangepast hebben aan het regime. Er rest hun niets dan te sterven. In de heerlijke nieuwe wereld is geen plaats voor deze nutteloze mensen” (229).

De auteur beschrijft ook de stadia van een verhongeringsproces en de psychische en sociale gevolgen: diefstal, beestachtig gedrag, onverschilligheid. Er was kannibalisme: ouders die hun kinderen opaten of die jacht maakten op weeskinderen; er was zelfs necrofagie: ook lijken werden opgegeten (250-254). Kaganovitsj, Stalins verantwoordelijke voor Oekraïne, was volledig op de hoogte hiervan. Er kwam geen reactie uit Charkov noch uit Moskou.

Hfst. 12-13-14 gaan over de overlevingsmethodes tijdens het hoogtepunt van de hongersnood (1933): mensen aten boomschors, wilde geraniums, gras, honden, katten, ratten, kikkers, eikels, kraaien. De staatswinkels waren leeg. In de straten zwierven dakloze weeskinderen, in sommige steden zelfs 800. In de weeshuizen was geen plaats meer voor hen. De 1.500 harde valuta-winkels (Torgsin) kregen in 1932 ruim 21 ton goud binnen en het jaar daarop 42 ton, in de vorm van gouden en zilveren voorwerpen en eretekens. Ze brachten meer op dan de mijnen. De SU betaalde ook daarmee de buitenlandse machines en technologie. Vele families overleefden door de verkoop van hun laatste bezit.

De schattingen van de dodentallen variëren van tienduizenden tot 10 miljoen (271). Demografen zeggen nu: 3,9 miljoen extra doden of 13 procent van de 31 miljoen inwoners plus 0,6 miljoen verloren geboorten = 4,5 miljoen (272). 90 procent van hen stierf in 1933, vooral in de lente.

Bovendien was er een sterke daling van de levensverwachting: jongens geboren in 1933 werden gemiddeld maar 5 jaar oud, meisjes gemiddeld maar 8, door de zeer hoge sterfte.

De Oekraïense communistische partij en regering stopten in mei 1933 met de klopjacht op en de verbanning van boeren. Maar de honger bleven ze toeschrijven aan het nationalisme en aan de contrarevolutie. Stalin bevestigde dit graag: wie omkwam van honger, was een saboteur, een dader! Zij hadden de hongersnood veroorzaakt (285). Die vijanden waren nu dood.

De overheden zwegen over de hongersnood. Wie erover sprak, riskeerde 10 jaar cel. Het nieuws kwam van buitenlandse consuls en van schaarse bezoekers. Wereldleiders zoals Roosevelt, Mussolini en de Franse, Britse en Poolse regeringen waren ervan op de hoogte, maar zwegen om economische redenen en om het opkomend gevaar van Hitler en Japan. Paus Pius XI schreef erover in de krant van het Vaticaan, maar protesteerde niet. Fellow travellers zoals John Reed, Anatole France, G.B. Shaw, Edouard Herriot en Walter Duranty ontkenden de honger. De Brit Garreth Jones beschreef de ellende wel en verkondigde ze nadien in Berlijn op een internationale persconferentie. Jones werd in 1935 in Mongolië ontvoerd en vermoord door Chinese bandieten.

Overheden vernietigden zelfs de overlijdensregisters van de dorpen om bewijsmateriaal uit te wissen. In 1934 telde de SU 168 miljoen inwoners, in 1937 slechts 162 miljoen of 8 miljoen minder dan de prognose (“170”). Stalin verbood de telling te publiceren en Ivan Kravl, hoofd van het telbureau, werd gefusilleerd, net zoals vele medewerkers van hem.

In 1934 sloten de overlevende boeren zich aan bij de kolchozen en sovchozen. Door gebrek aan zaaigoed en boeren konden vele akkers niet ingezaaid worden. Minstens 137.000 Russische boeren werden naar Oekraïne overgeplaatst. Maar die geïmporteerde Russen verstonden de Oekraïense taal en hun buren niet. Velen keerden snel terug naar hun land. Dan werden er weer nieuwe Russen aangevoerd. Deze deportaties droegen bij aan de Russificatie en de uitroeiing van de Oekraïense cultuur. Ook tienduizenden Oekraïense partijfunctionarissen werden geëxecuteerd en vervangen door Russen. Gevolg: in 1934 was slechts ¼° van het partijbureau nog Oekraïens en 8/12 sprak die taal niet (282).

In 1937 ging deze zuivering verder o.l.v. Chroesjtsjov. Die was geboren in een Russisch dorp vlakbij het Oekraïense Donetsbekken. Hij arresteerde heel de leiding van de Oekraïense Communistische Partij plus 167.000 partijleden ! De meesten werden in 1938 geëxecuteerd. Van dan af werd Oekraïne geleid door Russischtaligen. Tussen 1959 en 1970 verhuisden nog ruim 1 miljoen Russen naar Oekraïne. De fabrieksbazen, rectoren van universiteiten, directeurs van ziekenhuizen etc. spraken Russisch. Het Oekraïens werd een “achterlijke plattelandstaal” (283).

Toen Hitler in 1941 binnenviel, werd hij enthousiast ontvangen in Oekraïne en in de Baltische staten. Maar de nazi’s zorgden voor een nieuwe catastrofe: de grootschalige executie van Joden en Romazigeuners. En 2 miljoen Oekraïners moesten als dwangarbeiders naar Duitsland, dat ook beslag legde op het graan. De nazi’s wilden zelfs 30 miljoen inferieure Oekraïners en Russen elimineren om genoeg graan voor zichzelf te hebben(310). De honger keerde terug, ook door Stalins verschroeide aarde. In de winter van 1941-42 stierven in Kiev alleen meer dan 50.000 mensen van de honger, in Charkov 20.000. Tijdens de Duitse bezetting verscheen in november 1942 wel de eerste grondige studie van landbouweconoom S(tepan?) Sosnovyi over de hongersnood van 1932-34. Hij schatte het aantal doden vrij correct op 4,8 miljoen (312) en wees Stalin aan als oorzaak van de “genocide”, zijn plan om Oekraïne als natie te vernietigen (313). Ik vraag me af wat er met deze man gebeurd is toen de Sovjets in 1944-45 Oekraïne heroverden. Slechts een klein aantal Oekraïners konden toen vluchten, samen met het terugtrekkende Duitse leger. Ook de schrijfster weet het niet, zoals ze mij meedeelde in een mail.

Na de 2° W.O. leden de Oekraïners weer honger: hun graan werd geëxporteerd naar Bulgarije, Roemenië, Polen, Tsjecho-Slowakije, Joegoslavië en zelfs Frankrijk. Uitgeweken Oekraïners schreven in Canada, de VSA en elders over de door Stalin georganiseerde hongersnood van 1932-34 en zijn pogingen om het Oekraïens verzet te breken. Maar de Oekraïners vonden weinig gehoor bij de Westerse historici: dezen geloofden hen niet (318) !

En in 1956 onthulde Chroesjtsjov allerlei wandaden van Stalin, maar zweeg over de collectivisatie en de hongersnood. In 1986 schreef Robert Conquest zijn Harvest of Sorrow: nooit eerder kreeg een boek over Oekraïne zoveel aandacht. Toch waren er nog linkse auteurs, zoals Douglas Tottle, die in zijn Famine and Fascism: the Ukrainian Genocide Myth from Hitler to Harvard uit 1987, dus tijdens Gorbatsjov, in samenwerking met Moskou, de hongersnood een mythe noemde en beweerde dat de koelakken de oorzaak waren (323).

Op 26 april 1986 ontplofte dan de kerncentrale van Tsjernobyl, in Noord-Oekraïne. Toch gaf Gorbatsjov op 1 mei de partijleider van Oekraïne het bevel om de parade te laten doorgaan. Nadien had Gorbatsjov daar spijt van, toen hij vernam dat duizenden mensen stierven aan de gevolgen van de straling. Tsjernobyl maakte ook een einde aan de mythe van de technische deskundigheid van de SU en aan de betrouwbaarheid van hun leiders. Gorbatsjov lanceerde dan zijn glasnost: de waarheid mocht voortaan gezegd en gekend worden, ook over de honger van 1932-34. De Oekraïense dissident Vjatsjeslav Tsjornovil bezorgde aan Gorbatsjov zijn eigen lijst met “witte vlekken” in de Oekraïense geschiedenis. De Oekraïense Communistische Partij opende in 1988 archieven die de hongersnood bevestigden en in 1993 verklaarde de Partij dat Stalin en zijn omgeving de schuldigen waren. In het soeverein Oekraïne leren de scholieren eindelijk over de Russische kolonisatie, de Sovjetrepressie en de georganiseerde hongersnood.

Applebaum besluit: Stalin wou niet alle Oekraïners doden, maar wel de actiefste en de meest geëngageerde (332). Een aantal Oekraïners werkten mee met hem. Een echte genocide was het niet: niet heel de natie moest dood. Het woord genocide is wel in 1944 bedacht door een Oekraïner, Raphael Lemkin. Hij bracht het woord naar Neurenberg, waar hij adviseur was van aanklager Jackson. In 1953 schreef hij in zijn Soviet Genocide in the Ukraine dat Stalin vooral de elites wou uitmoorden. De SU verzette zich in de UNO tegen de ruime definitie van genocide, omdat het dan ook op de koelakken toepasselijk kon zijn. In 1948 werd de definitie dan ingeperkt tot “fysieke eliminatie van een hele etnische groep”.

Volgens Applebaum voldoet de Holodomor niet aan dat criterium: Stalin wou niet heel de Oekraïense natie liquideren. Toch willen de Oekraïense regeringen sinds 2004 de Holodomor een genocide noemen (335). En in 2010 vond een Oekraïense rechtbank het trio Stalin-Molotov-Kaganovitsj en hun helpers schuldig aan het plegen van genocide.

Het conflict met Rusland zorgde ook voor aanvallen op de geschiedenis: in 2015 vernietigden separatisten een monument voor de hongerdoden in Sniznje, Oost-Oekraïne. Vanuit die stad hadden ze in 2014 met een BUK-raket de MH17 neergeschoten, met 300 doden als gevolg.

Ondertussen zijn er zoveel bewijzen voor de hongerdood dat het debat geluwd is. De meeste Oekraïners zijn meertalig en spreken zowel Oekraïens als Russisch, maar de taalstrijd blijft bestaan. De huidige Russische regering wil niet weten van een soeverein en stabiel Oekraïne, dat banden aanknoopt met Europa. Ze gebruikt desinformatie en militair geweld om het land te ondermijnen. Stalin doodde 4 miljoen Oekraïners, maar hun gedachtengoed bleef leven.

Applebaum heeft weer een opzienbarend, aangrijpend en goed gedocumenteerd boek geschreven. In het begin, wanneer ze spreekt over de chaos in 1918-1920, is het te gedetailleerd en langdradig. De landkaarten zijn heel goed. De foto’s ook, ze spreken boekdelen over de honger, maar in de tekst wordt er niet naar verwezen. Ze staan tussen p. 128-129, 192-193 en 288-289 en zijn dus niet genummerd. Een lijstje met begrippen zoals babski boenty, bednjak, glavlit, kobzar, troedodni, ... zou ook welkom geweest zijn. In de literatuurlijst mis ik de degelijke Lenin-biografieën van Sebestyen en Courtois. Ze citeert wel een wrede uitspraak van Lenin over het publiek ophangen van boeren, die voorkomt in de Lenin-biografie van Robert Service uit 2001.

Voor de rest heb ik enkel lof voor het degelijke onderzoek en de nuances van de schrijfster, die ook de bronnen in het Oekraïens onderzocht heeft. Hopelijk komt deze tragedie, die bij velen onbekend is, ooit ook eens op onze tv-zenders. 

Referentie:

Anne Applebaum, Rode Hongersnood. Stalins oorlog tegen Oekraïne Uitgeverij Ambo, A’dam / VBK, Antwerpen, 2018. 412 p., kaarten, foto’s, literatuur, register. ISBN 978 90 263 2984 5; € 29,99.

© Jef Abbeel, maart-april 2018, www.jefabbeel.be