about
Toon menu

Boekbespreking: 'Tsjaikovskistraat 40. Een autobiografische vertelling uit Rusland'

Pieter van der Sloot(°1961) is een succesvolle Nederlandse journalist, die de naam van zijn moeder overnam en al jaren afwisselend in SPB en Moskou woont met zijn Joods-Russische vrouw Julia Klotchkova. Hun straat is helaas niet genoemd naar de componist, die elders in de stad woonde, maar naar een onbekende revolutionair van oktober 1917. 100 jaar geleden vond in die buurt de Oktoberrevolutie plaats. Zijn boek is een groot succes, want na 5 maanden is het aan zijn 5e druk toe. En waarschijnlijk wordt het ook vertaald, zoals zijn andere boeken.
maandag 5 maart 2018
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.

Het begint in 1988, toen een man uit Leiden hem vroeg om 7.000 Russische bijbels illegaal te transporteren naar en uit te delen in de SU. De auteur, toen 26, was er slechts één keer geweest, in 1981, in de haven van het toenmalige Leningrad. Het transport gebeurde over zee, tussen een lading aardappelen; de organisatie regelde de vliegreis en de hotelkosten. Die hotelkamer was een vies hok, zonder handdoeken etc. Op dat moment was de schaarste in de SU zo groot, dat mensen drie uur in de rij stonden voor zes eieren. In de haven moest hij op zoek naar het schip. Hij ging de bijbels verdelen in een ziekenhuis, waar een groter tekort was aan spuiten, verbanden, pleisters, luiers dan aan bijbels. De affaire liep goed af. Hij bezocht ook Moskou, waar toen ondanks de perestrojka nog bijna geen auto’s reden en enkel Lada’s en Wolga’s. Nu rijden er veel te veel en vooral van Westerse merken. En de tekorten in de winkels waren er dramatisch: geen maandverband (vrouwen gebruikten krantenpapier), geen zeep etc. De auteur vergeet de hoofdoorzaak: de olieprijs was gehalveerd, de dollar eveneens, waardoor invoer bijna onmogelijk werd. Tegelijk is het een raadsel waarom de Russen die basisbehoeften niet zelf kunnen maken.

In hoofdstuk 5 komt de auteur hierop terug: de roebel had nog 1/100° van zijn waarde, er waren geen geneesmiddelen, koffie, thee, ondergoed, tampons, tandpasta, zeep, kleren, schoenen. Kortom: niets. Mijnwerkers konden zich niet wassen met zeep. Westerse goederen waren onbetaalbaar. Voor zes blikjes Carlsberg-bier kreeg hij 300 liter diesel. Een lerares Duits verdiende 120 roebel per maand, waarmee ze drie biertjes kon kopen. Ze leefde in armoede, in een stinkende kommunalka, op 10 m², met ratten, kakkerlakken etc. en waar de bewoners de keuken, badkamer en toilet moesten delen.

In hotels en restaurants werd nog massaal gerookt, nu gelukkig al lang niet meer. Gorbatsjov weigerde de voorrechten van de nomenclatura in te perken en deze waren groter dan die van de adel tijdens de tsaren. Hij maakte wel de misdaden van Stalin bekend, maar niet die van Lenin, de “schoft, de massamoordenaar, die in zijn mensenhaat en wrok opriep om nog meer professoren dood te schieten” (84). De recente biografen Sebestyen en Courtois zeggen het omfloerster, maar bevestigen deze uitspraken.

Waterdrinker vertelt ook dat Stalin willekeurige slachtoffers liet oppakken en doden in ondergrondse ovens, lang vóór Auschwitz. En dat meisjes naakt door de sneeuw of modder moesten kruipen, voor het plezier van hun bewakers, die soms gevangenen naakt aan een paal vastbonden bij - 40° C en dan bespoten met water, zodat zij veranderden in ijsblokken. Hij hoorde dat allemaal bekend maken in 1988 door overlevenden.

De auteur kreeg toen een baantje aangeboden in de toeristische sector: hij begeleidde toeristen naar de Baltische landjes, Siberië, Georgië, Oekraïne en Oezbekistan. Hij vertelt hoe hij hen bedotte en op één avond soms 1.000 dollar verdiende met de verkoop van kaartjes voor het Bolsjoj-theater. En hoeveel seksavontuurtjes hij wel had met jonge Russinnen.

In april 1989 wou hij met een groep Tbilisi bezoeken, maar de stad was bezet door de Russen: de Georgiërs wilden onafhankelijkheid naar het voorbeeld van de Baltische landen en een einde aan de onderdrukking van hun taal. Het Rode Leger greep hardhandig in, met tientallen doden en honderden gewonden als gevolg. De auteur was hier getuige van de eerste grote opstand tegen het Sovjetgezag.

In hfst. 2 is hij ineens getrouwd met Julia, lerares Duits, ook reisgids, maar straatarm en wonend in een kommunalka. Zij begreep niet dat boeren in West-Europa een overproductie hadden, terwijl er in de SU geen brood was. Door gebrek aan geld, besloot de auteur dit boek te schrijven over 100 jaar Russische revolutie. 

Zijn portret van Lenin is pittig: een schoft, die de grootste misdaad uit de geschiedenis beging na de holocaust (53). Deze ploert, tiran, sadist, moordenaar smeet Rusland voor 70 jaar in de menselijke verbrandingsoven. In zijn straat woonde toen ook dichteres Zinaida Hippius, die de revoluties van 1905 en 1917 minutieus beschreven had, maar na de bolsjewistische machtsgreep de vlucht nam naar Parijs. Hij vertelt ook over de vreedzame betoging in 1905 o.l.v. Pope Gapon, waar de tsaar op liet schieten. Na deze Bloedige Zondag, ging het platteland aan het plunderen; Warschau, Riga en Odessa volgden. Dan kwamen er pogroms op Joden, waarbij Kozakken wreed te keer gingen. En dan de WO I, waarbij de tsaar de kant van de orthodoxe Serven koos. Het volk juichte hem toe. Maar Hippius vond dat iedereen gek was geworden. Het leger was ouderwets, boerenzonen vochten ondervoed en vaak blootvoets. Zij sneuvelden massaal, terwijl de adellijke officieren op veilige afstand bleven. In februari 1917 brak in Petrograd weer een opstand uit, een broodoproer, in de buurt van het Taurische park, nabij de woonst van de auteur. Raspoetin was toen al vermoord, terecht volgens Hippius. Ook componist Prokofjev woonde daar en tekende alles op in zijn dagboek.

Er volgden moordpartijen, soldaten veroorzaakten een tweede Bloedige Zondag. 25.000 soldaten sloegen aan het muiten, ze trokken naar de Doema die in het Taurische paleis vergaderde, ze veroverden de Peter- en Paulvesting. Dan begonnen de opstandelingen ook te plunderen, de adellijke meisjes te verkrachten, officieren en hun gezinnen te vernederen en dood te schieten. Ze vertelden aan de kinderen van de vermoorde mensen dat ze de lijken lieten opeten door de dieren van de dierentuin, met goedkeuring van Lenin (148).

Tussen de historische stukjes over de wreedheden van Lenin, krijgen we ook weinig relevante verhalen over zijn familie in Nederland en over de poezen van Julia. In hfst. 6 vertelt hij dat het Kremlin zelf in december 1989 onthulde dat het Molotov-von Ribbentrop-pact van 1939 ook geheime protocollen bevatte over de verdeling van Polen en de inlijving van de Baltische staatjes bij de SU. De mythes van de SU werden verder besmeurd, terwijl de rode slogans van de partij nog overal wapperden en de medische apparatuur een halve eeuw achterliep op het Westen. Dat is nu beter in de privé-ziekenhuizen, maar nog niet in de staatsziekenhuizen.

Hfst. 7 gaat weer over van alles, o.a. over de vele vrouwen die zich aanboden bij de auteur en die hij gretig erbij pakte, hoewel hij verliefd was op Julia. Hij stipt ook de prominente rol aan van de Joden, een constante in Rusland sinds de 18e eeuw en zeker bij de revolutie van 1917, uitgezonderd in de periodes van Stalins antisemitisme. De val van de Muur en van het IJzeren Gordijn zorgde in 1990 voor een toenemende stroom toeristen, waaraan de auteur en zijn vennoten goed verdienden. Dit contrasteert wel met zijn bewering dat hij dit boek moest schrijven uit geldnood.

In hfst. 8 vertelt hij over de uitspattingen van de nomenclatura, die niet onderdeden voor de door hen uitgeroeide aristocraten. En die zich in de jaren ’90 eigenaar maakten van de olie- en gasvelden en van alle soorten mijnen en die in beveiligde villa’s buiten Moskou gingen wonen. In 1990 was er nog geen email en bleef een brief van Nederland naar Moskou 1,5 maand onder weg. Op 1 mei 1990 paradeerden arbeiders voor de tribune van Gorbatsjov met teksten zoals: “Geen privébezit. Geen markteconomie !” Gorbatsjov bleef er kalm bij, ook toen de Litouwers en Esten hun nationale vlag aan hem toonden.

De auteur ontmoet dan de arme dochter van Jef Swart, de Joodse communist uit Amsterdam, organisator van het oproer in de Jordaan in 1934, in feite geheim agent van de SU (237). Na dat oproer trok hij naar Moskou, maar Stalin liet hem en andere Nederlanders oppakken. Swart stierf in 1942 in een Siberisch kamp.

Hfst. 9 gaat vooral over zijn relatie met Julia en over twee Joodse geleerden uit Siberië die 1 miljoen DM losmaakten in Duitsland, deels voor de aankoop van een tomografisch toestel , deels voor hun eigen zak.

In hfst. 10 zit de auteur ineens in 2017 en tegelijk in 1917. Het gaat over een villa van ballerina Matilda Ksesinskaja (1871-1971), minnares van de laatste tsaar. In april 1917 werd haar villa ingenomen door Lenin en tot een vuilnisbak herleid. Hier begon de “zegetocht van het kwaad”. Later werd het één van de vele musea van de Oktoberrevolutie. Op 26 oktober 1917, de dag na de inname van het Winterpaleis, vertelde Zinaida Hippius: “Van de mensen die kunnen lezen en schrijven, zullen er weinig overblijven” (272). En in juni 1919 schreef ze: “Alles is genationaliseerd, wie nog leeft, heeft honger en wordt in het graf geslagen. Europa onderneemt niets. De basis van het bolsjewisme is de leugen en het graf” (272-273). Er kwam veel van uit.

En dan maakt de auteur een sprong naar december 1991: Gorbatsjov trad af, Jeltsin nationaliseerde alle bezit van de CPSU: hotels, kuuroorden, scholen, maar privatiseerde de rest. Hfst. 11 gaat over een verblijf met Julia in Nederland. Als Julia, die in een minimum van tijd perfect Nederlands leerde spreken, ronddwaalt bij Albert Heijn, duizelt ze van de overvloed: wat een contrast met de Sovjetleugen, waar iedereen gebrek had aan alles.

Hfst. 12 gaat even over zijn middelbare school op een chique christelijk lyceum in Haarlem en dan weer over 1990-91, toen hij bij De Telegraaf een goed betaalde post kreeg als redacteur. Hij vertelt ook over Nederlandse revolutionairen zoals Henk Sneevliet, die bevriend was met Trotski en Lenin en in oktober 1917 aan het Winterpaleis de menigte toesprak. Hij zegt er niet bij dat hij ook medeoprichter was van de Chinese communistische Partij in 1921. Dan gaat het over de vrouw van Jeltsin, die in de jaren ’90 voor het eerst buiten Rusland kwam en een bezoek bracht aan Amsterdam: de auteur mocht haar begeleiden en er een verslag over schrijven. In 1996 bedankte Jeltsin hem persoonlijk voor deze rondleiding.

In hfst. 13 vertoeft hij weer in Moskou en verneemt daar dat één zinnetje in zijn debuutroman had geleid tot een veroordeling voor “antisemitisme”. Hij verweert zich hevig, met een zin van anderhalve pagina lang (330-331). Uiteindelijk werd hij vrijgesproken. Dan maakt hij opnieuw een sprong in de tijd naar de burgeroorlog van 1917-1922, die volgens hem 10 miljoen doden opleverde (332). Dat cijfer lijkt me erg hoog. En de wreedheden die hij dan beschrijft: daarvan kun je enkel hopen dat ze overdreven zijn. De zin waarin hij ze beschrijft is 8 pagina’s lang: 332-339.

Hij vermeldt terloops dat het marmer van de prachtige Moskouse metro afkomstig was van de gesloopte kathedralen, kerken en kloosters en van de graven van de rijken, die even ongenadig geschonden werden en dat de hoofdingenieur, de Nederlandse idealist Dirk Schermerhorn, in 1938 door Stalin geëxecuteerd werd omdat de metro niet helemaal af was op 7 november 1936. Zijn broer Wim werd in 1945 premier van Nederland.

Dan belandt hij weer in het Jeltsintijdperk: grote chaos, inflatie, failliete banken, liquidaties, oorlog in de Kaukasus. Het werd tijd dat Jeltsin op 31 december 1999 de macht overdroeg aan Poetin en zich verontschuldigde bij het Russische volk. Poetin stelde weer orde op zaken.

Dan springt de auteur weer op iets anders: het leven en de dood van de laatste tsarenfamilie en de begrafenis van hun overblijfselen in de Petrus- en Pauluskerk van SPB op de 80° verjaardag van de moord, nl. 17 juli 1998. In 2007 werden de beenderen van de kinderen Alexi en Maria gevonden en eraan toegevoegd.

Hfst. 14 gaat ook weer over van alles, o.a. dichteres Hippius, die in 1936 in haar vluchtoord Parijs waarschuwde voor de WO II. en zei dat Hitler verslagen zou worden en het bolsjewisme zou zegevieren. En na de inval in Polen voorspelde ze dat de Russen Oost-Europa zouden bezetten en dat er een Koude Oorlog zou uitbreken. Helaas verwijst de auteur niet naar de pagina’s in haar dagboeken. Hij bezoekt wel het ruime appartement van 300 m² waar zij destijds woonde. Wellicht werd dat na 1917 in 10 à 30 kommunalka’s verdeeld.

Hfst. 15 bevat weer één lange zin van 9 pagina’s (405-413) over het Bolsjewistische Rijk van de Rode Teugels, over de loonverschillen tot 20x het arbeidersloon, de luxe en decadentie waarin de rode adel leefde. We krijgen prachtige citaten van Hildegard Knef en de auteur vertelt dat op zijn appartement destijds (1878-1917) de Franse diplomaat, schrijver en burggraaf de Vogüé woonde. Hij eindigt zijn boek op 28 augustus 2017.

In zijn bibliografie ontbreken de recente werken over de revolutie en m.n. die van Sebestyen en Courtois over Lenin. Waterdrinker is zeer belezen, heeft een bijzonder vlotte schrijfstijl, heel veel gereisd, kent Rusland door en door. Zijn boek “over de Russische revolutie” is een mengeling van autobiografie, geschiedenis van Rusland en van de Russische revolutie, de mislukking hiervan en de beschrijving van de toestand in Rusland tussen 1988 en 2017. Zijn kritiek op de rode elite is ongenadig, zijn taalgebruik soms ruw en ongenuanceerd met uitspraken zoals ”Russische wijven, allemaal hoeren”. Dat kan ik niet bevestigen. De verhalen over de poezen en over het aantal nachten dat hij met vele vrouwen doorbracht, zijn weinig relevant. Het boek is wat chaotisch, hetzelfde onderwerp is soms verspreid over drie hoofdstukken, vaak staan twee verhalen door elkaar (1917 en 1988-2017), precieze referenties ontbreken, maar ik heb het wel met veel plezier gelezen en maar één drukfoutje gevonden: “Joekovski” (359) i.p.v. Joerovski. Een woordenlijstje met de verklaring van sommige Russische woorden (pominki, pelmeni, …) en een kaart met onbekende plaatsnamen zoals Taganrog zou welkom zijn. Zijn straat zal dit jaar een groter aantal bezoekers krijgen uit NL en België dan gewoonlijk.

Referentie:

Pieter Waterdrinker, Tsjaikovskistraat 40. Een autobiografische vertelling uit Rusland. Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar / L&M, Antwerpen, 2017. 431 p.; ISBN 978 90 388 0413 2; € 25.

© Jef Abbeel, febr. – maart 2018, www.jefabbeel.be