about
Toon menu

Boekbespreking: 'Lenin, uitvinder van het totalitarisme'

Dit boek begint met het eerste bezoek van de auteur aan Moskou, dat (pas) in 1992 plaatsvond. Hij ging wel meteen de net geopende archieven bestuderen en constateerde dat Lenin bij velen nog hoog in ere staat. In Oekraïne zijn inmiddels al wel 1200 standbeelden van hem neergehaald, op 5.500. De mythe van de grote en goede Lenin werd ook in West-Europa gekoesterd door linkse intellectuelen.
dinsdag 9 januari 2018
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.

In Parijs zag de auteur in 2008 de Bentley van een Russische miljardair met een mini-Lenin erop. In 2015 werd nog een enveloppe verkocht met de handtekening van Lenin voor 11.000 euro. In 1997 verscheen Livre noir du communisme van Courtois en Werth in 27 talen. Daar werden de wandaden van Lenin al in aangeklaagd.

In dit boek wordt 20 jaar later uitvoerig aangetoond dat Lenin het totalitarisme installeerde en dat Stalin het verder uitbouwde op grotere schaal. Het begrip totalitarisme werd al in 1923-1924 gebruikt door de Italiaanse journalist Amendola om het kiesstelsel van Mussolini te karakteriseren en in 2001 gaf de Italiaanse historicus Emilio Gentile er een duidelijke definitie van (p. 24-25).

Dit boek is een politieke biografie, vooral gebaseerd op de geschriften van Lenin. Het verwijst ook naar het nieuwe totalitarisme dat Khomeini in 1979 installeerde in Iran, op basis van het manifest van de Moslimbroeders van 1936.

Het boek begint met de bevoorrechte jeugd van Vladimir Ilitsj Oeljanov in Simbirsk, dat na zijn dood Oeljanovsk is geworden. Vladimir werd geboren op 22 april 1870 en gedoopt. Uit hetzelfde stadje kwam ook historicus Nicolas Karamzine. Courtois vergeet Kerenski (°1881), wiens vader directeur was van het gymnasium waar Lenin studeerde; die man zorgde dat hij op de universiteit van Kazan toegelaten werd.

De vader van Lenin was leraar en nadien inspecteur; zijn moeder was een Joodse, dochter van een dokter, die in de adel verheven was. Van hem erfde zij en later Lenin een groot domein met 40 families van lijfeigenen. Tot 1861 waren 23 miljoen lijfeigenen in dienst waren van de adel (100.000 families of 1,3 procent van de bevolking) en 9 miljoen in dienst van de tsaar. Tsaar Alexander II schafte in 1861 de lijfeigenschap af, zorgde in 1869 dat ook vrouwen naar de universiteit mochten, dat lager onderwijs verplicht werd en dat de industriële revolutie begon. Als beloning werd de tsaar in 1881, na zes mislukte aanslagen, vermoord bij de eerste zelfmoordaanslag met een bom. De ouders van Lenin waren hevige fans van de tsaar-bevrijder en als inspecteur lager onderwijs stichtte vader Ilya 450 scholen en kreeg hij enkele eretitels.

Lenins moeder was viertalig: Russisch, Duits, Frans, Engels. Hij kwam dus niet uit een gezin van “revolutionaire arbeiders”, zoals de mythe die Kroepskaja in 1938 lanceerde, deed geloven. Lenins vader was een vrome man, die de tsaar bewonderde, dus net het type dat Lenin later verachtte.

Het was een intellectuele familie, die minachting had voor de onwetendheid en drankzucht van vele Russen. Eén van de eerste revolutionairen was Nikolai Tsjernytsjevski (1828-1889), die eiste dat de ex-lijfeigenen of nieuwe boeren hun grond gratis kregen en die in 1863 in Siberië een pamflet schreef: “Wat te doen? Verhalen over nieuwe mensen”. Bij die nieuwe mensen hoorde ook Ivan Toergeniev, die kritiek had op elke vorm van gezag. En de intelligentsia, het intellectuele, kritische “proletariaat”, waarbij Tsjernytsjevski, Zaïtsjevski en later ook Lenin behoorden. Zaïtsjevski pleitte al in 1862 in zijn manifest Het jonge Rusland voor terreur zoals bij Robespierre en voor een mars naar het Winterpaleis om er heel de keizerlijke familie en hun aanhangers te doden (40-42). Lenin zou het 56 jaar later uitvoeren.

Het manifest lokte hevige afkeuring uit en leidde tot een breuk tussen humane en radicale intelligentsia. De familie Oeljanov leefde ver van al die agitatie en had voor hun zes kinderen een gouvernante en een privé-onderwijzer, met de mooie naam Kalasjnikov. Vanaf 1879 mocht Vladimir op zijn 9e naar het gymnasium, waar hij Grieks, Latijn enz. studeerde, met schitterende uitslagen en waar hij zich toen al gedroeg als een leider met weinig vrienden.

Hoofdstuk 2 tot 5 gaan over de adolescentie van Lenin, waarin hij geconfronteerd werd met drama’s in het gezin, aanslagplegers en revolutionaire geschriften. In januari 1886 stierf de vader van Lenin, in aanwezigheid van zijn 15-jarige zoon, op zijn 53e, aan een hersenbloeding. Daarna werd Lenin brutaal tegenover zijn moeder en vijandig tegen zijn school en tegen de godsdienst. In maart 1887 volgde een tweede trauma: Alexander, de oudste zoon, werd aangehouden in Sint-Petersburg. Als student scheikunde (bij Mendeljev) had hij bommen gemaakt voor een aanslag op tsaar Alexander III. Op 20 mei 1887 werd hij opgehangen, samen met vier makkers. Heel Simbirsk keerde zich dan af van de familie Oeljanov. Kort daarna haalde Lenin zijn diploma met gouden cijfers. De familie verhuisde dan naar Kazan. Courtois zegt er niet bij (Sebestyen wel) dat die verhuis gebeurde omdat Lenin als broer van een terrorist niet toegelaten werd aan de topuniversiteiten van Moskou en SPB. Wel aan die van Kazan, dankzij de vader van Kerenski. Als dank zou hij later Kerenski verjagen en proberen te vermoorden. Lenin nam er deel aan een verboden betoging en vloog daarom al in december van de universiteit. Hij stortte zich dan op vele verboden boeken in hun huisbibliotheek. Bij die boeken hoorde Wat te doen? van Tsjernitsjevski. Courtois besteedt er wel 12 pagina’s aan (75-87). Een ander boekje was de Catechismus van de revolutionair, volgens Courtois geschreven door Netsjajev en niet door Bakoenin, zoals vaak beweerd wordt. Deze catechismus beoogde een geheime organisatie om het volk te bevrijden met geweld en met een samenzwering.

In 1889 maakte de moeder van Lenin zich terecht zorgen over haar zoon, die niet studeerde en ook niet werkte. Zijn moeder Maria kocht dus een domein, waar Lenin grootgrondbezitter kon worden, maar hij weigerde boer te worden en verafschuwde de boeren. Hij leerde een oudere revolutionaire vrouw kennen, Jaseneva. Die bracht hem in contact met Tkatsjev, van wie Lenin meer overnam dan van Marx.

In september 1890 kreeg Lenin volgens Courtois dan toch toestemming om zich in te schrijven aan de universiteit van SPB, waar hij al in januari 1892 zijn diploma haalde, in recordtempo dus en met felicitaties van de jury. Sebestyen beweert dat hij zijn studie rechten met succes aflegde voor de examencommissie, maar dat hij in 1893, na 13 verloren processen op 14 stopte als advocaat en dus verder bleef leven op kosten van zijn moeder.

In de winter van 1891-1892 trof een extreme hongersnood het deel van Rusland tussen de Oeral en de Zwarte Zee zo'n 36 miljoen mensen. 400.000, vooral boeren, stierven van de honger en van de gevolgen, zoals cholera en tyfus. Lenin verkondigde dat hulp bieden niet mocht en dat de honger vele positieve gevolgen zou hebben, o.a. het ontstaan van een industrieel proletariaat, dat de bourgeoisie zou vernietigen. De honger zou ook het geloof in de tsaar en in God vernietigen (107).

De succesvolle industrialisatie zorgde ervoor dat Rusland in 1888 één miljoen arbeiders had, grotendeels ex-lijfeigenen en dat de economie goed draaide: de groei was 8 procent per jaar, Rusland kon graan exporteren en zijn spoorwegnet uitbreiden met o.a. de Transsiberische. Minister Sergej Witte deed het prima.

Lenin trad overal op als spreker, schreef heftige manifesten en maakte ruzie met velen. En zoals Marx, gebruikte hij Darwin als fundament van zijn theorieën: de historische noodzakelijkheid dat bepaalde sociale klassen moesten verdwijnen. Hij paste het later toe met zijn “Dood aan de koelakken” en aan alle andere “vijanden van de revolutie” . Stalin deed hetzelfde in veelvoud, zowel bij het uitroeien van de koelakken als bij zijn Grote Terreur.

In 1894 stierf Alexander III vroegtijdig en zijn zoon Nicolaas II, nauwelijks 26, moest hem opvolgen. Tijdens de inauguratie gebeurde er al een ramp: in het gedrang van de immense massa vielen 1.400 doden en evenveel gewonden.

In 1895 kreeg Lenin een reispas voor Europa en bezocht hij zijn strijdmakkers in Berlijn, Parijs en vooral Genève: daar woonde zijn idool Plechanov, die het Communistisch Manifest vertaald had in het Russisch. Courtois vermeldt niet zijn bezoek aan de “Folies Bergère”, waar hij volgens sommigen syfilis opliep en waarvoor hij in mei 1922 arsenicum kreeg toegediend. Bij zijn terugkeer maakte hij kennis met Martov, lid van de marxistische Bund van Joodse arbeiders. Vanaf 1903 werden zij gezworen vijanden.

De hoofdstukken 6 en 7 gaan over Lenins gedwongen verblijf in Siberië (1896-1898) en in West-Europa(1900-1917). In december 1895 werd hij gearresteerd wegens permanente agitatie en kreeg hij drie jaar Siberië, maar met meer comfort dan tijdens het communisme: hij woonde in bij een gastvrouw, kreeg zelfs een flink maandloon waarmee hij een vrouw in dienst kon nemen om voor hem te koken en de was te doen, en hij mocht doen wat hij wou: wandelen, vissen, jagen, lezen. Hij liet een massa boeken opsturen, 250 kilo in totaal. En hij liet zijn vriendin / kameraad overkomen: Nadezjda Kroepskaja. In 1898 trouwden ze in ballingschap, omdat Nadja anders teruggestuurd zou worden. Liefde en passie waren er nauwelijks bij. Courtois twijfelt of ze seks hadden, maar Sebestyen zegt dat Nadja medische en gynaecologische problemen had en schreef : “Er komt maar geen klein vogeltje”. Ze had ook uitpuilende ogen zoals een vis.

In 1899 publiceerde Lenin in Siberië een boek van 650 pagina’s: “De ontwikkeling van het kapitalisme in Rusland” (130). In dat boek vol statistieken besloot Lenin dat de agrarische bevolking bestond uit 97 miljoen mensen, de industrie en handel uit 22 en de “niet-productieve” uit 7 miljoen. Samen dus 126 miljoen.

Tijdens zijn ballingschap ontstond in Duitsland in 1898 het revisionisme van Bernstein, die de verpaupering ontkende en een geleidelijke evolutie zag naar het socialisme. Plechanov en anderen gingen hier tegenin, Lenin werd er depressief van.

In 1900 mocht hij terugkeren naar Rusland, maar niet naar de grote steden. Hij trok naar Pskov, waar hij veel artikelen schreef tegen Bernstein en anderen. In juli 1900 kreeg hij weer een reispas en tot april 1917 was hij bijna altijd in het buitenland, meestal in Zürich. Daar nam hij in 1905 de naam Lenin aan, volgens Courtois afgeleid van de rivier Lena in Siberië (149), iets wat Sebestyen in vraag stelt omdat zelfs Nadja de herkomst niet kende. Lenin ontmoette er Plechanov, met wie hij geregeld ruzie maakte in de redactie van het tijdschrift “Iskra” (de vonk).

Hoofdstuk 8-10 gaan vooral over Lenins machtsgreep binnen de partij, die begon met zijn brochure Wat te doen? (1902), een titel die hij overgenomen had van Tsjernitsjevski (1862) en die veel stof deed opwaaien. Alle 57 werken van Lenin staan trouwens vertaald online: https://www.marxists.org/nederlands/lenin/index.htm.

Hij stelde: geef ons een organisatie van revolutionairen en we zullen Rusland in beroering brengen. Alleen Lenin kon die organisatie leiden. Alle anderen zaten fout en al wie afweek van zijn partijlijn, moest uitgezuiverd worden. Enkel Iskra kon het enige politieke blad zijn voor heel Rusland. Terwijl Marx de andere arbeiderspartijen nog duldde, wou Lenin maar één communistische organisatie, die met geweld de macht moest grijpen in naam van het proletariaat. De Duitse kameraden van de SPD wensten dan ook dat Iskra verhuisde naar Londen en daarna naar Genève.

Hierin zaten de kiemen al van zijn totalitarisme. Martov, zijn enige echte vriend, begreep dat er geen compromis meer mogelijk was met deze dictator-in-de-kiem. Ook Trotski kwam in verzet en vergeleek Lenins brutale almacht met die van Robespierre in 1793-94. Maar Lenin gaf niet op en schreef in 1904 een brochure van 400 p.: “Eén stap vooruit, twee stappen achteruit”, waarin hij hevig te keer ging tegen de mensjewieken Martov, Axelrod en Plechanov. Ook aan deze publicatie en aan de interne ruzies besteedt Courtois veel aandacht.

De hoofdstukken 11-13 gaan weer over Rusland, waar in 1902 dodelijke aanslagen gepleegd werden op gouverneurs en op de minister van binnenlandse zaken. De reactie was een nog harder optreden van de politie en meer macht voor de Ochrana. In 1897 bezette Rusland de Chinese haven Port Arthur en in 1903 Mantsjoerije. China was machteloos, maar Japan had ook interesse in die gebieden, het viel onverwacht aan in 1904 en verpletterde het Russische leger in januari 1905. Dit zorgde voor een schok in Rusland. Lenin genoot ervan. Pope Gapon (1870-1906) organiseerde de eerste massastaking van 15.000 arbeiders en op Bloedige Zondag 9/22 januari 1905 trok hij in processie met 15.000 mensen naar het Winterpaleis. Er was geen enkele rode vlag bij. Toch schoot de politie op de vreedzame stoet, met als gevolg: 200 doden en 800 gewonden! Hiermee eindigde de mythe van de goede tsaar. Gapon vluchtte naar Genève, waar hij Lenin ontmoette. In 1906 werd hij in Finland vermoord (opgehangen) door een agent van de Socialistisch-Revolutionaire Partij (SRP).

Met Bloedige Zondag was de revolutie begonnen: overal begonnen arbeiders te staken en er vielen 70 doden in Riga en 93 in Warschau. De gouverneur van Moskou werd vermoord in februari 1905. De communisten speelden nog geen rol: ze zaten allemaal in het buitenland.

In maart 1905 stelde Nicolaas II een raadgevende Doema voor met censuskiesrecht. De oppositie eiste een grondwetgevende vergadering met algemeen kiesrecht. In mei 1905 werd ook de Russische vloot verslagen door Japan. Voor het eerst in de geschiedenis werd een Europese grootmacht te land en ter zee verpletterd door een Aziatisch land in opkomst (233). Het bevorderde het revolutionair klimaat in Rusland en nog meer in de randgebieden. In Odessa, nu Oekraïne, maar toen de 4e stad van Rusland, na SPB, Moskou en Warschau, viel de pantserkruiser Potemkin in handen van opstandige matrozen, die de arbeidersopstand steunden: er vielen 2.000 doden en 3.000 gewonden.

Onder druk van Witte, beloofde de tsaar op 30 oktober 1905 allerlei vrijheden en een Doema met algemeen kiesrecht. Het volk reageerde enthousiast, er ontstonden nieuwe partijen, 140 politieke gevangenen werden losgelaten, onder wie de bolsjewiek Bauman, die doodgeslagen werd door extreemrechtse bendes. Lenin had zijn eerste martelaar.

In november 1905 kwamen de matrozen van Kronstadt in opstand, daarna volgden weer stakingen. In december 1905 ontmoette Georgiër Stalin voor het eerst Lenin, die hem “onze Aziaat” noemde. Dat was in Finland, waar ze met revolvers leerden schieten.

Tussen februari 1905 en april 1906 werden 3.600 ambtenaren vermoord en meer dan 5.000 activisten ter dood veroordeeld, bij wie ook vele opstandige boeren. Lenin breidde zijn entourage uit met Dzerzjinski, Zinoviev, Stalin, Kalinin. Deze laatste was eerst kleine boer, dan arbeider, in 1905 lid van de sovjet van SPB, dan president van de USSR (1922-1946). Bij zijn dood in 1946 werd Königsberg omgedoopt in Kaliningrad.

De verkiezingen van 1906 verliepen met censuskiesrecht: 1 stem van de adel was gelijk aan 3 van de burgerij, 15 van de boeren en 45 van de arbeiders. De Doema werd al in juli ontbonden door premier Stolypin, die in augustus een aanslag van de SRP overleefde. Er kwam nog wel een tweede en derde Doema.

In oktober 1906 en juni 1907 deed Stalin een spectaculaire overval op geldtransporten, wat miljoenen dollars opleverde voor Lenin, o.a. om wapens te kopen in Europa. Stolypin liet tussen 1906 en 1911 vier miljoen boeren eigenaar worden en in 1914 hadden ze 9,5 miljoen ha grond of ca. 2,4 per boer. De “koelakken” waren dus geen grootgrondbezitters.

In 1907 verhuisde Lenin naar Genève en in 1908 naar Parijs. Zijn enige handenarbeid ooit was het zorgvuldig onderhoud van zijn fiets. In 1910 vond het 8e congres van de II° Internationale plaats in Copenhagen, met Kaustky, Jaurès, Rosa Luxemburg, Emile Vandervelde, Lenin, Martov, Trotski. Over de inhoud en de omgang van die toppers met elkaar wordt niets gezegd. In 1911 gebruikte Lenin de naam “kleine Judas” voor Trotski. In september 1911 werd Stolypin, de enige echte Russische staatsman, vermoord in de opera van Kiev.

Hfst. 14 gaat over Lenins “coup van Praag” en zijn breuk met de mensjewieken. In november 1911 pleegden Laura Marx en haar man Paul Lafargue zelfmoord in Parijs. Lenin hield de toespraak in het Frans, dat opgepoetst was door zijn nieuwe maîtresse, de mooie en viertalige Inessa Armand, die al drie plus twee kinderen had uit vorige relaties en die hij in september 1910 had leren kennen in Copenhagen. Ze kwam in Parijs naast en bij Lenin en Kroepskaja wonen. Deze berustte erin. De liefdesrelatie duurde tot de dood van Inessa in 1920.

In januari 1912 hield Lenin een partijbijeenkomst in Praag, zonder de mensjewieken. Hij bouwde er een nieuwe, ultra-gecentraliseerde partij op, waarin iedereen naar hem moest luisteren. De mensjewieken vlogen eruit: dit was de eerste staatsgreep in Praag. De tweede volgde in 1948, de derde in 1968.

In mei 1912 lanceerde Lenin met geld van Molotov de Pravda (= waarheid en gerechtigheid), een titel die hij gestolen had van Trotski. In juni verhuisde hij weer, nu naar Krakau. Zinoviev, Kamenev en Inessa volgden. In 1913 infiltreerden de bolsjewieken steeds meer in de vakbonden en promootten ze de stakingen van 1 miljoen arbeiders. In december 1913 deed Kautsky in Brussel een oproep om alle ruzies te beëindigen tussen de vele soorten socialisten. Lenin wou daar niet van weten en ging er hevig tekeer tegen Kautsky en tegen Rosa Luxemburg: al wie geen bolsjewist werd, was een dissident.

De WO I was voor Lenin een totale verrassing: hij hoorde bij de vele slaapwandelaars. Hij kreeg toestemming om te verhuizen naar het neutrale Zwitserland. Hij was zeer blij met de oorlog: die zou Rusland ontwrichten en een burgeroorlog en de revolutie bevorderen. In 1916 bedacht de Fransman Daudet het begrip “Guerre totale”: zij of wij (305). Lenin nam het meteen over. En van Von Clausewitz nam hij over: oorlogsgeweld wordt door niets beperkt (307).

In maart 1915 stierf de moeder van Nadja, haar vaste reisgezel, in Berlijn. In juli 1916 stierf Lenins moeder in SPB, toen Petrograd. Hij had haar niet meer gezien sinds 1910. In februari 1916 moest hij verhuizen van Bern naar een armtierige kamer in Zürich, omdat hij de huur niet meer kon betalen.

In 1917 publiceerde hij daar: “Het imperialisme, het hoogste stadium van het kapitalisme”. Hij herleidde de oorzaken van de WO I tot één: het kapitalisme! En in mei 1917 zei hij: zonder de oorlog, zou Rusland nog jaren, zelfs decennia, zonder revolutie zijn gebleven (318).

Op 23 februari / 8 maart 1917, internationale vrouwendag, betoogden vele vrouwen in Petrograd, roepend: “Brood! “ en “Weg met de tsaar!” Arbeiders volgden, in totaal 100.000. Op 10 maart was er een algemene staking en werden 50 betogers doodgeschoten. Op 11-12 maart kwamen de soldaten in opstand, ze lieten 8.000 gevangenen van gemeen recht vrij, ze bestormden de wapenarsenalen, andere instellingen en ook de huizen van welgestelde burgers. Tientallen officieren werden vermoord. Die wreedheden bevielen Lenin zeer. Deze februari-Revolutie, die vaak vreedzaam wordt voorgesteld, maakte in Petrograd 1.500 doden en 6.000 gewonden en 180.000 gevangenen, bijna allemaal schurken, liepen vrij rond. De sovjets kregen meer macht dan de Voorlopige Regering, die op 13 maart was gevormd. Allerlei vrijheden werden afgekondigd door de sovjets. Op 15 maart vroegen twee afgevaardigden aan tsaar Nicolaas II om af te treden. Ook de generaals vonden dat hij moest aftreden. De tsaar trad af met de beleefdheid die hem eigen was, ten voordele van zijn broer Michaël. Dan overtuigde Kerenski ook hem om af te zien van de troon. Op 17 maart 1917 eindigde de Romanovdynastie, na 304 jaar.

Via Parvus , bijnaam voor de Jood Alexander Helphand, begon Lenin dan te onderhandelen met de Duitse vijand. Op 6 april verklaarde Amerika de oorlog aan Duitsland. Generaal Ludendorff besefte dat dit een zware bedreiging was en hoopte dat een revolutie Rusland zou uitschakelen, zodat Duitsland nog snel tegen Frankrijk en Engeland kon winnen. Er kwam dus snel een akkoord en op 9 april 1917 mochten Lenin en 31 andere revolutionairen in een Duitse trein naar Rusland rijden: 19 bolsjewieken, 6 leden van de Bund en 6 anderen. De monografie van Merridale (“Lenin in de trein”) wordt hier niet vernoemd. Op 11 april beslisten de bolsjewieken in Petrograd o.l.v. Stalin en Kamenev dat ze de Voorlopige Regering steunden, ook in de voortzetting van de oorlog en dat ze zich wilden herenigen met de mensjewieken !

Lenin arriveerde op 16 april en verwierp in zijn “Aprilstellingen” alles wat Stalin en co beslist hadden. Hij wou alle macht aan de sovjets, nationalisatie van alle gronden, fabrieken, bezittingen. Overal werd hij slecht ontvangen. In juli 1917 kreeg Kerenski bewijzen dat Lenin rijkelijk gefinancierd was door de vijand. De Pravda werd gesloten, maar Lenin kon tijdig vluchten, verkleed als boer. Zijn partij stond op instorten, Kerenski benoemde generaal Kornilov als stafchef.

Dan volgde de opstand van het platteland, waarbij boeren hun eigenaars vermoordden en al hun bezit in beslag namen. Er waren ook problemen met arbeiders en met de nationaliteiten (Oekraïners , Finnen, Balten, Polen). Gevolg: de zogenaamde putsch van Kornilov om de orde te herstellen. Kerenski ontsloeg hem op 10 september. De bolsjewieken eisten later de eer hiervan op. De auteur heeft geen hoge dunk van de “megalomane” Kerenski. Op 17 september werden Trotski en andere revolutionairen vrijgelaten uit de gevangenis. Van 1903 tot 1917 hadden Lenin en Trotski meestal ruzie gemaakt, maar nu verzoenden ze zich met elkaar. Vanaf september 1917 kreeg Kerenski het steeds moeilijker: er vonden massamoorden, plunderingen en verwoestingen plaats. En na de afzetting van Kornilov, liet ook het leger hem in de steek. De bolsjewieken veroverden de meerderheid in de sovjets van Petrograd en van Moskou. Op 27 september beval Lenin dat de bolsjewieken de macht moesten grijpen en de regering omverwerpen. Op 29 september voegde hij eraan toe dat de “Middeleeuwse” Don-kozakken uitgeroeid moesten worden, wat in 1919 ook gebeurde. Op 6 oktober werd Trotski voorzitter van de sovjet van Petrograd en vroeg hij de regering om op te stappen. Op 20 oktober keerde Lenin in het geheim terug uit Finland.

Op 23 oktober 1917 besliste hij op zijn eentje over de coup. De bolsjewieken waren verrast en stemden zeer verdeeld: 10 voor, 9 tegen, 2 onthoudingen. Op 31 oktober sloeg Gorki alarm in een krant : de putsch zou ontaarden in een bloedbad. Lenin was woedend en viel Kamenev en Zinoviev hevig aan. Kerenski bleef kalm en reageerde niet. Op 6 november bezetten 6.000 Rode wachters de strategische plaatsen van de stad. Op 7 november 1917 liet Lenin affiches uithangen: “De Voorlopige Regering is afgezet. De macht is in handen van de sovjet en van het militair revolutionair comité” (349).

Hfst. 18 en 19 gaan over de installatie van de dictatuur van het proletariaat, of volgens Courtois: dictatuur over het proletariaat. In de nacht van 7 op 8 november vielen de Rode wachters en de matrozen het Winterpaleis aan, waar de Voorlopige Regering vergaderde. Ze werden gevangen genomen, behalve Kerenski, die kon ontsnappen in een auto met Amerikaanse vlag. Er vielen slechts zes doden, maar de film van Eisenstein maakte er een veel groter aantal van.

Lenin vormde een regering, “Raad van Commissarissen” of Sovnarkom genoemd, allemaal bolsjewieken, met o.a. Trotski en Stalin. Het woord “minister” mocht niet gebruikt worden. Lenin controleerde meteen de radio en de telegraaf, eiste appartementen en auto’s op en sloot de niet-bolsjewistische kranten. De rechtspraak en de advocatuur werden meteen afgeschaft en vervangen door revolutionaire volksrechtbanken, waar laaggeschoolden snel komaf maakten met hun tegenstanders. De andere politieke partijen reageerden met afkeuring. Opstandelingen werden wreed gefolterd en dan vermoord.

In Moskou was de weerstand groter: daar vielen 700 doden en duizenden gewonden. De burgeroorlog was begonnen. Op 20 november werd de persvrijheid definitief (voor 70 jaar) afgeschaft. Op 17 november namen Kamenev, Zinoviev en anderen ontslag, als protest tegen de terreur. Lenin eiste hun totale onderwerping. Ondertussen plunderden de soldaten en het plebs ongestraft de wijnkelders van het Winterpaleis en van de wijnhandelaars. Dzerzjinski liet hen begaan, want Lenin had gezegd: “Plunder de plunderaars”.

Vanaf 24 november stuurde Lenin regelmatig troepen naar het platteland om het graan te stelen van de boeren voor de steden. Geld liet hij met miljoenen uit de nationale bank halen en uit andere banken. Dan volgde de inbeslagname van alle publieke en private bezittingen, juwelen, fabrieken, gronden, kunst uit kerken: ook dit monopolie werd een karakteristiek kenmerk van het communistisch totalitarisme, eerst in de SU, dan bij Mao, Castro, Rode Khmers.

Ambtenaren die tegenstribbelden, werden wreed afgemaakt en vervangen door onbekwame lieden. Lenin beval de legercommandanten om af te treden en vrede te sluiten. Generaal Doechonin werd gewoon vermoord. De vredesonderhandelingen begonnen in Brest-Litovsk op 22 december 1917.

Tussen 25 november en 9 december 1917 vonden verkiezingen plaats, de enige in 70 jaar communisme, voor een grondwetgevende vergadering, met algemeen kiesrecht en vrij grote opkomst: 37 miljoen kiezers deden mee op 90 miljoen kiesgerechtigden en 170 miljoen inwoners. De auteur noemt die 37 miljoen “massaal”.

De bolsjewieken haalden 24 procent (10 miljoen kiezers) of 175 afgevaardigden op 707; de SRP had 38 procent, de mensjewieken 3 procent, de KD 5 procent en de Oekraïense SRP 12 procent. Lenin weigerde de uitslag te erkennen. Leden van alle partijen werden gearresteerd en voor revolutionaire rechtbanken gebracht.

Op 20 december 1917 besloten Lenin en Dzerzjinski om alle “contrarevolutionaire bourgeois” met “systematisch geweld” van kant te maken en hun goederen en bankrekeningen te confisqueren.

Iedere welgestelde moest binnen 24 uur bij het “comité van de huurders” een verklaring indienen met zijn inkomsten en adres. De nazi’s volgden dat voorbeeld met de Joden in 1933-34. En men zou de rijken de toiletten laten poetsen, uithongeren, uitroeien zoals ongedierte(378-379). In september 1918 schreef Zinoviev in de krant: van de 100 miljoen inwoners van Rusland moeten wij er 10 miljoen uitroeien. Dat is grotendeels gelukt.

De Tsjeka, opgericht op 20 december 1917, in 1922 omgedoopt in GPU, in 1934 NKVD, 1946 KGB, werd het instrument van deze massale terreur. Bij de Ochrana was er nog rechtspraak, nu niet meer.

Toen het parlement van Oekraïne in dec.1917/jan.1918 de onafhankelijkheid uitriep en de grond verdeelde onder de boeren, dreigde Lenin meteen met de herovering van het land, waarbij hij Oekraïne nog beschuldigde dat zij de oorlog begonnen waren. Een methode die 70 jaar zou blijven bestaan.

De vrede van Brest-Litovsk op 3 maart 1918, per se gewenst door Lenin, kostte de SU 800.000 km²: de Baltische staten, een deel van Wit-Rusland en een deel van Oekraïne of 26 % van de bevolking en 1/3° van de economie.

Hfst. 20 gaat over de burgeroorlog, de terreur en het oorlogscommunisme. Op 10 maart 1918 verhuisde Lenin naar het Kremlin en de Tsjeka naar de Loebjanka, een enorm gebouw van Lloyds. Hij vertrouwde de Duitsers niet, ondanks het verdrag.

Op 29 april 1918 lanceerde hij zijn oorlog tegen de kleine boeren die niet al hun graan wilden afstaan. Met de leuze “Dood aan de koelakken” werd het een ware burgeroorlog van rood tegen groen. Op 31 mei voegde Dzerzjinski eraan toe: de Tsjeka zal iedereen doodschieten die zich verzet. Die Tsjeka werd steeds groter: van 12.000 in juni 1918 naar 280.000 in februari 1921.

Op 4 juni liet Trotski het eerste concentratiekamp ter wereld inrichten. Vanaf 1931 kregen de kampen de naam “Goelag”. Op 9 juni voerde Lenin de dienstplicht in en in 1920 bestond het leger al uit 5,5 miljoen soldaten. Op 14 juni werden de mensjewieken en de SRP uit het centraal comité van de sovjets gebannen. En op 10 juli 1918 schreef Lenin in de “grondwet” dat de C.P.S.U. heel de staat domineerde. Dat bleef zo tot Gorbatsjov. En artikel 23 ontnam alle rechten aan priesters, welgestelde burgers, edellieden. Kortom: miljoenen mensen werden uitgesloten.

Op 16-17 juli organiseerde Lenin in het geheim en zonder overleg met Trotski de moord op de tsarenfamilie en beval hij alle andere Romanovs ook uit te roeien, als wraak voor de dood van zijn broer in 1887 (400). Van dan af barstte de burgeroorlog los, met massale executies, ophangingen en deportaties van tegenstanders naar concentratiekampen.

Op 30 augustus 1918 vond een mislukte aanslag plaats op Lenin. De verdachte, Fanny Kaplan, werd gedood en in brand gestoken. In feite was de dader een andere vrouw. De aanslag verergerde de terreur. Boelganin liet meteen ook 800 mensen doodschieten. Op 5 september werd de Rode Terreur officieel geïnstalleerd per decreet. In de herfst van 1918 werden meer dan 15.000 personen gedood of 2,5 maal zoveel als in heel de periode van 1825 tot 1917. En in 1921 waren er al 107 concentratiekampen met meer dan 50.000 gevangenen. De Tsjekisten konden ongestraft plunderen en verkrachten. In maart 1919 bestormden de Tsjekisten de stakende arbeiders van de Poetilov-fabriek, arresteerden Maria Spiridonova van de SRP en 900 arbeiders en fusilleerden er 200 van.

Bij een algemene staking in Astrachan liet Kirov, makker van Stalin, 4.000 muiters en 1.000 burgers fusilleren en verdrinken. Dat fusilleren en het afpakken van de voedselkaarten gebeurde ook bij stakende arbeiders in Toela en in de Oeral. Op 24 januari 1919 besloot het Centraal Comité dat de “rijke” kozakken volledig uitgeroeid moesten worden. De Tsjeka begon met het doodschieten van 8.000 in maart 1919 en in februari 1920 volgde de volledige dekozakisatie: de mannen werden doodgeschoten, de vrouwen en kinderen opgesloten in dodenkampen. Tussen 300.000 en 500.000 kozakken werden gedood of gedeporteerd op 3 miljoen inwoners! In oktober 1920 werden hun steden afgebrand, de inwoners verjaagd, de mannen vanaf 18 naar harde werkkampen gedeporteerd, hun vee en hun goederen afgepakt, hun huizen en gronden aan Tsjetsjenen gegeven.

De dekozakisatie was een voorafbeelding van de dekoelakisatie 10 jaar later. Het Rode Leger won in december 1920 de burgeroorlog en slachtte daarbij een paar honderdduizend mensen af. Tegelijk werd naar heel de wereld een postkaart gestuurd met propaganda voor het rode arbeidersparadijs. De dictatuur van het proletariaat was een dictatuur over het proletariaat geworden.

In 1919 vonden revoluties plaats in Duitsland en Hongarije, maar zonder succes. Op het 2° congres van de Komintern in juli 1920 verschenen tientallen afgevaardigden uit heel Europa en werden vele communistische partijen opgericht, die in hun land de strijd moesten aangaan met alle andere partijen, ook met de socialistische.

In maart 1920 kocht Lenin in het geheim 5.000 locomotieven en 100.000 wagons van Duitsland en Zwitserland. Dat kostte 40 % van de goudreserves. Op 12 oktober 1920 moest Lenin het Verdrag van Riga tekenen, waarbij hij de onafhankelijkheid van de buurlanden erkende en de mislukking van de export van de revolutie.

Na de “pacificatie” van de Noordelijke Kaukasus, volgde in 1921 de herovering van het onafhankelijke Georgië en de vervanging van Georgische ambtenaren door andere en van het Georgisch door het Russisch. Het oorlogscommunisme van Lenin zorgde er tussen 1918 en 1921 voor dat Rusland, dat in 1914 nog de 5° economische macht was, helemaal instortte: er kwam een miljoeneninflatie, een instortende productie (nog 1/3° van 1913), halvering van de graanoogst, de eerste massale hongersnood.

Op 8 maart 1921 kwamen de matrozen van Kronstadt in opstand. In 1917 waren zij de echte revolutionairen. Trotski en Toechatsjevski onderdrukten de opstand: 10.000 matrozen werden gedood, 6.500 naar een concentratiekamp verbannen en 8.000 inwoners vluchtten over het ijs naar Finland.

Wegens de economische noodtoestand lanceerde Lenin in juli 1921 met tegenzin zijn N.E.P.: nieuwe economische politiek, een tijdelijke terugkeer naar een zachte vorm van kapitalisme of toegeven dat zijn oorlogscommunisme mislukt was. Om de industriële productie op te voeren, werden harde methodes gebruikt, inclusief het al gekende intrekken van de rantsoenkaarten en executies. Boeren die niet genoeg graan leverden, werden afgeslagen, in koude hangars opgesloten, moesten naakt in de koude over straat lopen en hun vrouwen werden naakt in putten met sneeuw gedropt. Het Rode Leger o.l.v. Toechatsjevski gebruikte gifgas tegen opstandige boeren en schoot in elk gezin de oudste dood. De Tsjeka opende zeven concentratiekampen voor de vrouwen, kinderen en oudere mensen. De meesten kwamen nooit terug.

De eerste hongersnood sinds 1891 was aangebroken en duurde van 1921 tot 1923. De hoofdoorzaak was de graanopeising. 5 miljoen mensen stierven van honger tegenover 400.000 in 1891. Kannibalisme kwam voor in het zuidwesten van Rusland. Toch kreeg Molotov het bevel om de opeisingen te verstrengen. Onder druk van intellectuelen en van het buitenland, aanvaardde Lenin op 27 augustus 1921 Amerikaanse hulp.

Courtois maakt ook een balans op van het aantal doden: 2,5 miljoen door de WO I, 2 miljoen door de burgeroorlog en het oorlogscommunisme, 2 miljoen door moordpartijen, 5 miljoen door de hongersnood, of samen 9 miljoen. En 2 miljoen Russen ontvluchtten hun land, meestal mensen uit de elite.

Op 4 juni 1921 was Lenin uitgeput en moest hij rust nemen in Gorki. Vanaf 1922 verslechterde zijn conditie, zowel fysiek als mentaal. In 1922 wou hij het diplomatieke isolement doorbreken dat hij zelf veroorzaakt had in 1917 door diplomaten te arresteren, de buitenlandse schulden niet meer terug te betalen en via de Komintern overal opstanden uit te lokken. Dat lukte enigszins op de conferentie van Genua of Rapallo, april-mei 1922. Daar vergaderden de twee uitgestotenen, Duitsland en de SU, in het geheim en spraken ze af dat Duitsland zijn leger en luchtmacht mocht heropbouwen in de SU, in ruil voor economische hulp.

Op 26 februari 1922 liet Lenin, met de hongersnood als voorwendsel, per decreet alle waardevolle voorwerpen in de kerken in beslag nemen en in het buitenland verkopen. Gelovigen die in verzet kwamen, werden doodgeschoten. Idem voor 30 bisschoppen, 2691 priesters, 1962 monniken en 3447 kloosterzusters. Tussen 1919 en 1934 werden 97 % van de kerken, synagogen en moskeeën leeggeroofd. De buit was groot.

In mei 1922 kreeg Lenin (als straf van God?) zijn eerste hersenbloeding. Die verlamde zijn rechterhelft en zorgde dat hij nauwelijks nog kon spreken en heel verward was. Dure Duitse specialisten werden naar Gorki gehaald. Aan Stalin vroeg hij gif voor zelfmoord, maar hij kreeg het niet. Toch beval hij in mei 1922 nog om de doodstraf of deportatie uit te breiden tot de mensjewieken, SRP en Kadetten. En Dzerzjinski moest de contrarevolutionairen deporteren: schrijvers, professoren, leraren, archeologen, filosofen, historici, theologen, natuurkundigen, ingenieurs, intellectuelen. Hun boeken en bezittingen werden in beslag genomen en ze moesten ondertekenen dat ze bij hun terugkeer doodgeschoten zouden worden.

Op 6 juni installeerde Lenin de censuur (Glavlit), ook een kenmerk van het totalitarisme. Op 13 november 1922 hield hij zijn laatste toespraak. Dan volgden weer vijf hersenbloedingen. Na de zware bloeding van 22-23 december 1922, dicteerde hij in 4 minuten zijn “testament”: “Kameraad Stalin heeft teveel macht en kan er niet behoedzaam mee omgaan. Kameraad Trotski is de bekwaamste, maar is te zelfverzekerd en teveel bezig met de administratieve kant” (434). Op 4 januari 1923 voegde hij er nog een explosieve nota aan toe die geheim moest blijven: “Stalin is te brutaal. Ik stel dus voor hem af te zetten en iemand in zijn plaats te nemen die loyaler en beleefder is”.

Maar dat gebeurde niet: Stalin bleef secretaris-generaal en maakte hevig ruzie met Nadja. Lenin bedreigde hem op 5 maart 1923 met het verbreken van alle persoonlijke relaties, maar een nieuwe hersenbloeding schakelde hem definitief uit. Foto’s uit de geheime archieven toonden na 1991 een verdwaasd man, die er 80 uitzag i.p.v. 53.

Het laatste hoofdstuk is het kortste: de begrafenis van Lenin op 27 januari 1924, bij -25° C. Alle toppers droegen zijn kist, behalve Trotski: die was weggehouden door Stalin. Een architect werd aangeduid om snel een mausoleum te bouwen in hout. Dan volgde de balseming door Zbarski en de tentoonstelling tot vandaag. De hersenen werden gewogen om te zien op hij hyperintelligent was, maar ze wogen het gemiddelde: 1340 gram. In 1939 verving Stalin het houten mausoleum door een marmeren en granieten.

Stalin gaf de voorkeur aan een totalitair regime in eigen land boven de wereldrevolutie. Toch realiseerde hij die gedeeltelijk in 1939-1940 met de inname van Polen, de Baltische landen en Bessarabië en met Oost-Europa in 1944-1945. Dan volgde zijn steun aan China (1949) en Noord-Korea (1950-1953). Zijn opvolgers steunden Noord-Vietnam (1954-1975) en probeerden Afghanistan onder controle te houden (1979-1987). Stalin was de grootste politicus van de 20° eeuw (443). In 1949 was hij de baas over 80 communistische partijen, die in Moskou zijn 70° verjaardag kwamen vieren.

Chroesjtsjov beschuldigde hem in 1956, maar raakte niet aan Lenin. In 1970 vierden 70 communistische partijen in Moskou o.l.v. Brezjnev nog de 100 ° verjaardag van Lenin. Maar in 1974 brak Alexander Solzjenitsyn in zijn “Goelagarchipel” met de opgelegde communistische leugens, die hij erger vond dan de afwezigheid van vrijheden en die verantwoordelijk waren voor de dood van 66 miljoen mensen, aldus Solzjenitsyn in zijn open brief aan de Sovjetleiders (445,482). De deleninisatie zal nog jaren duren. In 2017 werd de 100 ° verjaardag van de Oktoberrevolutie alleszins niet meer gevierd.

Courtois houdt Lenin persoonlijk verantwoordelijk voor de vernietiging van de democratische socialistische beweging ten voordele van een totalitair, gewelddadig communisme. Hij acht hem ook medeverantwoordelijk voor de afbraak van de Duitse sociaaldemocratie, die het voorbeeld was voor alle socialistische partijen; daardoor kon Hitler aan de macht komen en de WO II uitlokken. Wellicht gaat Courtois hier een stap te ver. Maar zijn boek is een indrukwekkende analyse. Hopelijk volgt er een vertaling in het Nederlands en zeker ook in het Russisch. Want in Rusland leren de scholieren nog altijd hoe goed opa Lenin wel was.

Stéphane Courtois heeft weer een serieus werk afgeleverd, met veel bronnenonderzoek, zoals we dat van hem gewoon zijn, in duidelijke en zeer kordate taal. Hij focust zich op de wreedste kanten van Lenin en van zijn medewerkers. Hij kent zijn geschriften ook door en door en analyseert die meer dan Sebestyen doet. Courtois had wel wat meer bewondering mogen hebben voor de intellectuele arbeid van Lenin: 57 boeken op 30 jaar (1893-1923).

Het boek van Sebestyen is dan weer concreter, minder theoretisch. Het ontbreekt hier in de geraadpleegde literatuur, allicht omdat beide werken te kort op elkaar verschenen zijn.

Het boek van Courtois bevat geen enkele foto, het heeft ook geen bibliografie, maar in de vele noten (447-482) staan wel een pak titels van boeken. De vele namen van personen staan in het register, maar de plaatsen zoals Brest-Litovsk, Rapallo, Astrachan, Gorki e.a.  ontbreken en ook een aantal begrippen zoals zemstvos, Bund, Ochrana, Glavlit, Gosplan, Tsjeka, GPU, NKVD, KGB, verdrag van Riga, sovnarkom, …

Ook een kaart ontbreekt en niet iedereen weet waar plaatsen zoals Simbirsk, Pskov, Toela, Kronstadt, Gorki, … liggen. Bij de data is het soms ver zoeken naar het jaartal.

En de cijfers dan ! Bij de vrede van Brest-Litovsk verloor Rusland “150.000 km²” (p. 385) of “800.000 km²” (p. 395): wel een groot verschil.

Bij de Februarirevolutie werden “8.000” gevangenen vrijgelaten(p. 321) en dan ineens “180.000”(p.322): ook hier liggen de cijfers ver uit elkaar. En de Transsiberische spoorweg, die meestal 9289 km lang is, telt er hier “54.878” km(131): dat is dus rond de wereld en nog eens 14.800 km ! Een deelname van 37 miljoen kiezers aan de eerste en enige algemene verkiezingen van nov.-dec. 1917, op een bevolking van 170 miljoen of 90 miljoen kiesgerechtigden (369-370), noemt de auteur “massaal”. Ik zou dat mager noemen.

Met het “Verdrag van Genua” bedoelt hij dat van het nabijgelegen Rapallo(1922), waarin de Weimarrepubliek als eerste land de SU erkende en op Russisch grondgebied in het geheim weer een leger kon opbouwen. In 1926 werd het vervangen door het verdrag van Berlijn, dat in 1931 verlengd werd tot 1934. En in aug.-sept. 1939 kwamen er twee: een niet-aanvalspact en dan een volwaardig vriendschapsverdrag. Die vriendschap eindigde in juni 1941.

Referentie:

Stéphane Courtois, Lénine, l’inventeur du totalitarisme. Editions Perrin, Paris, 2017. 501 p.; noten, index. ISBN : 978-2-262-06537-9; € 25. Victor Sebestyen, Lenin. Leven en legende. Vert. van : Lenin, The Man, the Dictator and the Master of Terror. Uitg. Lannoo, Tielt, 2017. 717 p., kaarten, foto’s, personen, noten, bibliografie, register. ISBN 978 90 00 35453 5; € 39,99.

© Jef Abbeel, december 2017 / januari 2018, www.jefabbeel.be