about
Toon menu

Sociale zekerheid : het verhaal van Jeanne.

dinsdag 18 juli 2017
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.

Daar zat ze dan. Jeanne, dementerend en op de daartoe voorziene afdeling. Het was mijn eerste werkdag in het nieuwe Woonzorgcentrum. Ze viel me onmiddellijk op, het frêle kleine vrouwtje, ze moet zo’n 90 jaar zijn geweest. Een kwetsbare en bijna porselein zijnde dametje. Maar het was vooral haar glimlach die me meest aansprak. Telkens ze me zag, was het alsof ze één of ander bekende voor het eerst de eetkamer zag binnenkomen. Van links tot rechts stralend bewegende mondhoeken, van oor tot oor. De vurige glimlach van geluk, ook al wist Jeanne nog niet van dicht of ver waar ze zich bevond, wie ze zelf nog was en waarmee ze eigenlijk bezig was. Dementie, weet je wel.

Ook het eten verliep niet zoals het ons allemaal als evident overkomt;  Wij weten tenslotte nog waartoe een mes, een vork of lepel dient. Jeanne niet meer. Ze was aangewezen op het personeel om elke dag weer wat beetjes eten in haar broze lijfje te murwen. Zelf een boterham was voor haar een vreemd object geworden, waarmee ze niet wist wat aanvangen. Dag na dag was ik getuige van hetzelfde ritueel. Het ritueel dat uiteindelijk Jeanne definitief zou gaan verlossen uit haar totale onwetendheid. Het ritueel dat er de oorzaak van was, dat zij, hoe langer de tijd verstreek, de glimlach tussen haar mooie rimpels van wijsheid en ervaring, verloor. Het ritueel waardoor het kwetsbare dametje dag na dag dieper wegzakte in haar eigen freelheid, in haar rolstoel ook. Ze werd kleiner en kleiner, magerder dan ik ze had leren kennen, grauwer ook, een kleur van het aankomende einde. In de twee maanden dat ik Jeanne mocht kennen zag ik hoe het personeel, plichtsgetrouw zijn taken ter harte nam. Op een haast rimpelloze wijze werd elke maaltijd klokvast naar de leefruimte gebracht. Op een bordje geschikt en Jeanne op een vriendelijke wijze voorgezet.

Voor zich uitstarend en volkomen onwetend bleef Jeanne aanvankelijk haar glimlach wegschenken. Verzorgende of verplegende om haar bij te staan in het dagelijkse brood waren er niet steeds. Eigenlijk meer niet dan wel. Weet je wel, de zieken in hun bed, dienen ook te eten en Jeanne was niet ziek, ze glimlachte immers. Handen te kort en monden te veel. Hoe krijg je zo’n situatie ook gebolwerkt? Netjes werd telkens weer, zo’n 20 minuten later, Jeanne’s maagdelijk onaangeroerde bordje van tafel gehaald. Ik hoor boven de afvalbak nog steeds het klinkende geluid van het bestek op het bord, waarmee een onaangeroerde en volledige maaltijd telkens weer de vuilbak bereikte, die aan de zijde van de afhaalkar was gespannen. De lokale varkensboer was er goed mee en het afvalcontract bracht nog een aardige stuiver voor het WZC op ook. Hoe vetter de varkens werden, hoe dieper Jeanne in haar aftakeling wegzakte. Haar glimlach verdween.

Zo af en toe mocht ik haar wel wat eten geven, in mijn vrije tijd, ze had immers geen familie meer waarop ze kon rekenen. Zo af en toe nam ze mijn hand vast en keek me aan, ook zonder de glimlach. Tot ook die kracht uit het broze lijfje verdween. Twee maand na onze eerste kennismaking ging Jeanne heen. Jeanne was nooit ziek geweest, ook niet in de laatste weken van haar leven. Ze doofde uit, tot op het bot vermagerd, als een troosteloos wezentje dat haar levenseinde mocht volbrengen in een woon- en zorgcentrum, waar rituelen nog hoog in ere worden gehouden.

Gerry Van de Moortel