about
Toon menu

Het gaat dagen in het oosten

donderdag 27 april 2017
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.

Sint-Annakerk, Gent - case-story

Kaderend in de strijd tussen liberalisme en katholicisme tijdens de 19e eeuw – eeuw van het absolute geloof in de wetenschap, waar het geloof als dogma mee botste – is het ontwerp en de bouw van de Sint-Annakerk in Gent mogelijk een case-story.

Mogelijk, of eigenlijk zeker, kwam hier de Vrijzinnigheid – en in overtreffende trap de vrijmetselarij – de Kerk als instituut onderwerpen aan haar eigendunk van suprematie. En ze liet hierbij een symbool achter in beide flanken van de kerk, waar indien over navraag gedaan, ontwijkende antwoorden of gemonkel of hoongelach je deel is? Dan weet je: je stoot op een taboe.

Mijn verhaal met de hexagrammen in de flanken van de Sint-Annakerk in Gent begon met het verhaal van de Vijfwindgaten, wat me bij een oude stadsmuur en torentje bracht in het Begijnhof Ter Hoye, en van daaruit bij de Groene Ooie met zijn historische betekenis. Vanuit het hedendaags straatje kijk je vanuit de diepte op een flank van de Sint-Annakerk. Daar zie je een afgeplakt glasraam. Of: het glasraam is uit het kozijn genomen. Aan de kant van de Tweebruggenstraat zit het er nog in – symmetrisch met dat in de andere flank. De hexagrammen intrigeerden mij. Dit is toch niet gebruikelijk in de architectuur van een katholieke kerk?

Niet enkel de passer en de winkelhaak, maar ook het hexagram of de davidster in een cirkel komt als ‘symbool voor totaliteit’ voor op logezegels in de Vrijmetselarij. Lieten de architect en de schepenen van openbare werken, die kerkontwerp en -bouw als hun kindje beschouwden – beiden notoire vrijmetselaars – subtiel of minder subtiel een handtekening achter op de kerk – elk één eigenlijk, op beide flanken? Subtiel, want het hexagram kon ook uitgelegd worden als een soort mandala: een eenvoudig geometrisch hulpmiddel bij meditatie.

Lees de ontstaansgeschiedenis van de kerk met focus op het tijdsgewricht en de besognes en perikelen bij het ontwerp en de bouw en het gaat dagen in het oosten. Die uitdrukking gebruiken we hier niet toevallig. Zowel de architect Van Hoecke als de schaduw-architect De Pauw (of moeten we de denominaties omdraaien?) waren logeleden van Het Grootoosten der Nederlanden, meer bepaald van de tak La Félicité Bienfaisante, bekend om zijn Orangisme in de 19e eeuw.

Los van het orangisme – populaire strekking in Gent in de 19e eeuw dat, aangevuurd door Hippolyte Metdepenningen, de hereniging van Vlaanderen/Gent bij Nederland beoogde – was het ontwerp en de bouw van de Sint-Annakerk het voorwerp van een clash tussen Katholicisme en Vrijzinnigheid.

De beau monde, die zich na publiekelijk vertoon, schuil hield in geheime loges, was doordrenkt van het humanisme en de vrijzinnigheid. Het was een eeuw, de 19e, dat overheidsbesturen op alle niveaus bezet werden door liberalen die komaf wilden maken met het kleine denken van het katholieke geloof en haar instituut: de Kerk. Instituut, dat zij enkel gedoogden, omdat zij – regering, stadsbestuurders en patronaat – haar zagen als een ‘instrument’ om de arbeiders, het gepeupel, koest te houden. Niet voor niets had Karl Marx het over ‘opium voor het volk‘.

Geschraagd door de grote wetenschappelijke, technologische en industriële realisaties van haar eeuw, waren de leidende klassen overtuigd van hun grote denken. Het was het tijdvak waarin de leiders geloofden in de vrije geest en minachting hadden voor de dogma’s van de Kerk. Zo ontstond ook een eerste schoolstrijd.

Ook wilden de liberalen kerkelijke aangelegenheden zo veel mogelijk uit het straatbeeld. Zo bv. moesten de begijnen van Sint-Elisabeth – eeuwenlang gevestigd in het Oud-Begijnhof nabij het Rabot – de baan ruimen voor nieuwe urbanisatieplannen. Ze gingen uiteindelijk naar Sint-Amandsberg, naar het Groot-Begijnhof.

Kortom, de Katholieke Kerk werd geviseerd. In het geval van de te bouwen Sint-Annakerk kon de elite niet anders dan de kerk te gedogen. Daar waren goede redenen voor. Maar als ze de kerk moesten gedogen, dan konden ze wel proberen om de realisatie van het gebouw naar hun hand te zetten.

Ze moesten de kerk gedogen omdat de stad en de wijk in het bijzonder, onder sociale hoogdruk stond door de massale inwijking van arbeiders. De wijk groeide snel. De fabrieken aan de Muinkschelde trokken vele arbeiders aan, die zich in de beluiken gingen vestigen – bv. cité de Hemptinne – en anderzijds resideerden er de kapitalisten in de schaduw van hun fabrieken.

De parochie van de toenmalige kapel – voorloper van de Sint-Annakerk – werd overwoekerd door nieuwe beluikbewoners afkomstig van het platteland. De kapel barstte uit haar voegen tijdens de misvieringen. Er moest uitgebreid worden. Er was de eeuwige zoektocht naar fondsen om dit te kunnen doen.

De toenmalige elite had dit feit gewoon kunnen negeren. Who cares? Maar dit zou dom geweest zijn vanuit haar standpunt, want hoewel de elite niet bekommerd was om de zieltjes van de arbeiders, was ze wel vragende partij om die zieltjes in de pas te houden. Niemand kon dit beter dan het instituut Kerk. De sociale toestanden waren gespannen door de extreme tegenstelling tussen arm en rijk. Waar het grootkapitaal toen bang voor was, gebeurde een aantal decennia later: het socialisme.

Daarom wilde het grootkapitaal mee investeren in de Sint-Annakerk en nam het stadsbestuur het bouwproces mee ter harte. Dit is een eufemisme: Schepen voor openbare werken De Pauw trok het laken naar zich toe. Het stadsbestuur had grootse plannen voor de vernieuwing van de wijk Overschelde waar de kerk deel van uitmaakte – het gebied van de oude, drassige Muinkmeersen aan de Scheldeoever. Men wilde van de wijk een modern stadsdeel maken.

Het begon met het dichtgooien van de Oude Schelde – die van Ter Platen naar de Schepenvijver aan ’t Zuid liep – en de bouw van de treinterminus, het Zuidstation in 1844. De wijk rond het station – realisatie van de technologie; magisch ook; denk aan kunstschilder Delvaux – moest gemodelleerd worden naar Parijs model, waar de symmetrie en in het algemeen de meetkunde de urbanisatie kenmerkte. In de eeuw der hoogdagen van de natuurwetenschappen…

De aanleg van het Sint-Annaplein – toen nog Arteveldeplein genoemd, eerder: Hoyeplein – was onderdeel van de plannen van het stadsbestuur. Vanuit de Sint-Jacobsnieuwstraat moest naar het plein nabij het Zuidstation een moderne laan getrokken worden – de Keizer Karellaan – als onderdeel van de ontsluiting van het station, dat via een wirwar van middeleeuwse straatjes verbonden was met het stadscentrum. (Later die eeuw, uitgebreid tot Lippensplein en Laurentplein, in het kader van het plan Zolikofer-de Vigne)

Of kort: de gezagsdragers wilden de bouw van de kerk integreren in haar algemene Neoclassicistische plannen voor de wijk.

Dit was dus de insteek van de elite. De kerkbouwplannen – die men als instrument nodig had – incorporeren in de eigen modernistische plannen. Een eerste ontwerp voor de Sint-Annakerk kwam er in 1848.

Frank Depreitere,

Dit verhaal verscheen eerder op mijn stadsblog