about
Toon menu

De race tegen de klok

zaterdag 2 maart 2019
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.

(aka De merel en de bunker revisited)
(leestijd: zes minuten)

Het is weer zover.
Toen ik deze ochtend beneden kwam en aan mijn ochtendmeditatie voor het grote raam begon, sprong de merel (v) kwik huppelend door het vochtige gras. Ze verzamelde opnieuw takjes en sprietjes en het duurde niet lang of ze vloog terug richting mijn nog steeds in opbouw zijnde schuur om aldaar, als vanouds, haar bijdrage te leveren aan de constructie van een nest; wat zonder twijfel binnen afzienbare tijd een nieuwe generatie merels moet voortbrengen.

Of het dezelfde merel was als vorig jaar of een van haar nakomelingen die nu via de overgeleverde genen terugkeert naar haar roots, kon ik niet zeggen. Met haar bruine veders en licht oranje snaveltje leek ze er in ieder geval sterk op, maar allicht kan dat van alle merels wel gezegd worden. Of toch van de vrouwelijke versies ervan. En ja, de schuur is nog steeds in opbouw, al weet god dat ik niet heb stilgezeten het afgelopen jaar. Niet minder dan vijf laagjes bakstenen en een ijzeren L-profiel zijn er sedertdien immers wel bijgekomen. En dat ik daartoe het onderwijl verlaten nest van de merel toendertijd ook heb moeten verwijderen, snijdt me vandaag nog steeds diep door het hart. Het bewuste exemplaar bewaar ik overigens als stille getuige van een soort dierlijke huisvlijt welke toch maar mooi aan mij voorbij lijkt te zijn gegaan. Maar er is meer.

De vijf laagjes bakstenen en het ijzeren L-profiel zijn geplaatst in de blijde verwachting van een dakwerker die de ruwbouw van de schuur (na vele jaren van hard zwoegen) eindelijk moet komen bekronen. En neen, ik heb geen tak op het in opbouw zijnde huisje gestoken zoals her en der te lande wel eens wordt gedaan. Ik ben niet zo’n meeloper en al gebruik ik regelmatig het woord god, ik doe niet aan geloof of bijgeloof. De dingen gaan gewoon hun gang, zo denk ik erover. En god is er om lucht te geven aan de dagdagelijkse verwensingen.

Ondertussen bouwde de merel (v) gestaag verder terwijl mijn ochtendmeditatie, die overigens niet meer is dan een verdwaasd aangehouden blik op oneindig in combinatie met een grote geeuw om de mond- en kaakspieren voor te bereiden op de uitgebreide dialogen die ik telkens voorhoud te voeren. Zij het hoofdzakelijk met mijzelf. Terwijl dus mijn ochtendmeditatie zo stilaan ten einde liep, bekroop me de angst dat ik de merel manu militari zal moeten verjagen omwille van de in aantocht zijnde dakwerker. Ik haastte me vervolgens naar de kalender, mijn trouwe kompas in donkere dagen, en trachtte te berekenen hoeveel tijd nog restte voor de merel (v) en hoeveel tijd ze vorige keer nodig had om haar taak te volbrengen. Een gedachte – dat herinnerde ik me nog – die ik vorige keer ook al had maar waar ik toen geen gevolg meer aan gegeven heb. Zoals zoveel in het leven. Het mijne in elk geval.

De dakwerken zijn gepland voor eind april, dus rest de merel (v) vooralsnog zestig dagen. Dat lijkt mij op het eerste zicht voldoende. En ook de poes heeft het in de gaten gekregen terwijl ik pen en papier boven haal om dit relaas te noteren. Ze aast nu op een grotere prooi dan de exemplaren uit het muizengeslacht die ze doorgaans binnenbrengt. Sommigen daarvan echt schattig en klein. En de een al wat levendiger dan de ander. Laatst bracht ze de buit zelfs tot in mijn slaapkamer. Meer dood dan levend. Waarna ik in een reflex, het beestje uit de klauwen van het snode roofdier griste, holder de bolder de trap afrende, de achterdeur openzwaaide en met een grote haal het diertje in het grasperkje bij de buren keilde, waar het – tot mijn grote ontzetting, dat geef ik grif toe – roerloos bleef liggen. Ach ja, bedacht ik dan, mijzelf verontschuldigend, het is beter te sterven in de open natuur dan in een besloten kamertje in de muil van een kat.

Een mannelijke merel heb ik echter nog niet gezien, maar misschien is die in dit stadium nog niet aan de orde. Een koolmeesje dan weer wel. Het scheert over de in opbouw zijnde schuur en landt op de betonnen omheining bij de andere buren maar het vliegt al snel weer verder. En nu ik wat beter begin rond te kijken zie ik overal wel beweging en hoor ik overal geritsel en getsjilp; zelfs duivengekoer en hondengeblaf. Een meeuw hangt in zweefvlucht hoog boven in de lucht. Waar zij haar nest heeft, is mij een raadsel. Ik vraag me af of ze er überhaupt wel een heeft, en dan schiet het mij te binnen – ontzetting opnieuw – dat al dat geschrijf ook maar een uitvlucht is om zelf niet aan de slag te gaan.
Hebban olla vogala etc., u kent dat wel.

En dan is hij daar plots – de stoorzender – de mannelijke merel, met luid gekwetter, geopende bek en laaghangende vleugels. Ook hij lijkt sprekend op zijn voorganger, tenzij hij het kind is van zijn vader. En hij maakt van zijn tak alsof ik altijd al te weinig aandacht aan hem geschonken heb. Mijn gekwetste innerlijk kind. Een prachtexemplaar, dat wel. Jong, vreugdig, kwik en scherp. Ook hij huppelt over het grasperk en hij lonkt. Ik zou hem binnen moeten vragen, de schuifdeur openen en geduldig wachten. Luisteren en openstaan zoals dat heet. Maar wanneer hij stilstaat rollen zijn donkere ogen als de secondewijzer in een klok. Want ook hij heeft het begrepen: de tijd tikt.