about
Toon menu

De merel en de bunker

donderdag 17 mei 2018
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.

Een laat lenteverhaal.

Een koppel merels is sinds kort haar nest aan het maken in de aanbouw van mijn atelier. Ze gebruikt daartoe de in opbouw zijnde muur als grondvest. En het gaat snel. Op enkele dagen tijd zijn takjes, twijgjes en blaadjes aangevoerd tot een compact geheel van wel zeven centimeter hoog. Het wordt door beide vogels samengesteld. Al zag ik daarnet nog dat het hoofdzakelijk het vrouwtje is die de binnenbekleding voor haar rekening neemt. Waar het mannetje nu uithangt is van hieruit niet te zien. Het vrouwtje plukt met overtuigende rukken gedroogd gras uit de aarde tot haar bek vol zit en vliegt dan naar het nest, waar het een paar minuten verblijft om haar buit op orde te leggen alvorens opnieuw aan te zetten. Het is een komen en gaan.

De poes kijkt samen met mij vanachter het vensterglas naar de activiteiten. Zij ongetwijfeld met andere intenties. Ik heb ook de indruk dat ze met de dag zowaar brutaler wordt. De merel (v) bedoel ik dan. Ze piept behoorlijk luid en komt dichterbij dan waarschijnlijk goed is voor haar. Ik zie haar bruingrijze verenkleed tot in het detail. Schakeringen van gebrande omber en loodwit met een geeloranje snaveltje van chroomoxide of cadmium. Zo zou ik haar schilderen. En met schichtige maar alerte donkere ogen vliegt ze weg nog voor ik deze zin geschreven krijg. Het hele gedoe doet me denken aan het wespennest dat zich hier een goed half jaar geleden had geïnstalleerd. Dat is toen vergaan door een stevige herfstwind en mijn nalatigheid om het dekzeil waaraan het was bevestigd degelijk vast te maken. Maar heden is er geen reden om aan te nemen dat het vogelnest snel zal verdwijnen. Gebrek aan middelen noopt mij de werken aan het atelier even stop te zetten. Een beproefde strategie die nu met de regelmaat van een klok toch al enkele jaren aansleept. Soit, van mijn kant hoeft het koppel merels en het nest dus niets te vrezen.

Ik neem me voor Wikipedia te raadplegen voor informatie over merels en hun nestgewoontes. Kwestie van op de hoogte te zijn en de gang van zaken wat beter te kunnen begrijpen. De merel zit alvast goed in haar vel. En al ben ik ben geen natuurkundige, dat wil zeker zeggen dat er voldoende voedsel te vinden is. Ik zag het koppel hier reeds enkele weken veelvuldig het grasperkje bij de buren omwoelen, maar toen was er nog geen sprake van een nest. Toch niet tegen mij. Misschien was het eerder verkennen dan omwoelen, want ook de Vlaamse gaai komt nu een kijkje nemen op de tak van de boom vlakbij het raam. In vogelvlucht niet meer dan zes meter bij mij vandaan. Vervolgens landt hij op het grasperkje. Of toch op de wat kalere plek middenin. Ogenblikkelijk komt de merel (m), die in de ruim uitgeschoten struik verscholen zat, aangevlogen en even springen beide vogels op en neer als stonden ze samen uitgelaten op een trampoline, waarna de gaai weer wegvliegt. Vervolgens achterna gezeten door de merel. Want de wormen van het grasperkje zijn van hem geworden. De goden hebben dat beslist. Of zijn wederhelft, dat kan ook. Want die kwettert er nu nog luider op los. Al kan dat ook zijn om haar gemaal moed in te fluiten tijdens de achtervolging van de gaai denk ik dan. Want een gaai is nog steeds een kopje groter dan een merel en al is de gaai een kleurrijkere vogel, hier moet hij het onderspit delven. Het zit hem in de overtuiging vermoed ik. Maar dat doet hier niet veel ter zake. Volgens W., die ik onlangs nog zag en vogelkijker is, zijn gaaien een veel voorkomende soort. Overal ter wereld. Niets speciaals. Ze heten dan telkens anders en hebben telkens een ander verenkleed. Die gaaien. Zo wist hij nog te vertellen.

De poes heb ik nu toch buiten gelaten. Dit is niet uit leedvermaak. Ze zaagt mij de oren van het lijf en maakt kwetterende geluidjes alsof ze zichzelf een merel waant en waarvan ik vrees dat ze er een hardstilstand zal aan overhouden. Bovendien springt ze liever buiten in het natte gras dan binnen op de harde vloer, en wie ben ik om haar dat te ontzeggen? Ze waagt het meteen te springen naar het nest. Maar twee meter twintig is toch wat te hoog gegrepen voor de jonge poes. Dat stelt mij gerust. Voor even toch. Het is niet onmogelijk dat ze ooit eens haar eerste echte vogel zal vangen. Misschien niet een van deze merels hier noch een van de jonkies die, naar ik vermoed, binnenkort uit dat nest zullen vliegen. Maar hadden ze niet wat beter uitgekeken bij de keuze van hun nest, zo vraag ik mij nu toch af. Of is dit slechts een uiting van hun arrogantie?

En over arrogantie gesproken; het kabinet van Schepen De Regge laat na een lichtjes geagiteerd schrijven van mijnentwege aan de dienst Facility Management van de Stad Gent (waar zij bevoegd voor is), weten dat de commandobunker in het Citadelpark onmogelijk gebruikt kan worden voor mijn of eender wiens tentoonstelling. Het plafond van één van de kamers staat namelijk op instorten, en de elektriciteit is ondertussen ook al afgesloten. Zo eindigt voor mij een droom van vier maanden afwachtende spanning in een nieuwe teleurstelling. Een zoveelste in dit miserabele bestaan. Misschien moet ik mijn verwachtingen niet zo hoog leggen? Misschien moet ik mij meer concentreren op wat echt haalbaar is in dit leven? De tocht naar de bakker bijvoorbeeld, of de ondergang van het Avondland en de algehele apathie. Maar het voelt zo anders. Te meer daar beide argumenten (een instortend plafond en ontbrekende elektriciteit) voor mij niet echt zo onoverkomelijk zijn. Het toont volgens mij hoe het beleid op bepaalde plaatsen de dingen liever op hun beloop laat. Ik begrijp het natuurlijk wel: de bunker is wat heet een vergiftigd geschenk. Zoals elk stuk erfgoed er één is vermoed ik dan. Beschermd of niet. Men laat het liever verkommeren dan er ook maar één cent aan uit te geven. Vooral als het niets kan opbrengen. Zorgen voor een volgende legislatuur heet het dan. (Let op het dubbelzinnige gebruik van het woord zorgen.)

Dit staat in schril contrast met het gevecht tegen de schijn dat vandaag in politieke kringen zo naarstig wordt beoefend. Zo nopen de perikelen rond het Museum voor Schone Kunsten, het stadsbestuur in ijl tempo een doorlichting te bestellen bij een expertisebureau, dat gauw geraamd op vijftigduizend Euro uitkomt. I kid U not. Maar maak je geen illusies. Het is niet om de werking van het museum te verbeteren dat die kosten worden gemaakt. Het stadsbestuur plaatst die bestelling eerder om zichzelf vrij te pleiten van mogelijke beleidsfouten bij het aanstellen van haar directeur, ofwel bij de beslissing van die laatste om een tentoonstelling te organiseren -je hebt er vast wel van gehoord- met kunstwerken van een betwistbare afkomst. En al ken ik geen enkele kunst die naam waardig die niet van een betwistbare afkomst is, kan je Russen nergens ter wereld te vertrouwen. Zo gaat de teneur.

Dat die directeur, een vrouw nota bene, sinds haar aanstelling, de ene na de andere knappe tentoonstelling in elkaar heeft weten flansen en dat zomaar op kosten van de maatschappij, doet niet ter zake. Het is zowaar ongehoord! Of beter: ongezien. Het is dan ook bitter ironisch dat uitgerekend op of rond internationale vrouwendag naar haar ontslag werd gevraagd. Goed, goed, dit laatste door een oppositiepartij die er om gekend staat haar patriarchale gedachtengoed innig te cultiveren en nota bene door een man die in een vorige generatie niet had misstaan tussen de eskadrons van het ratelende karrewiel. Al was het maar vanwege zijn naam. (Goed, goed, dit laatste is een laag bij de grondse niet-grap. Dat geef ik toe. De man heeft zijn naam niet zelf gekozen. Maar toch.) (En nu maak ik een paar gedachtesprongen die ik de lezer wil onthouden maar die in verkorte versie zo gaat: nationalistische brulpartij breekt alles af wat de gemeenschap opbouwt, inzonderheid alles wat met kunst en cultuur te maken heeft, en de gemeenschap laat dat netjes gebeuren want die heeft schrik dat een kieskeurig kiespubliek de brulapen ooit eens aan de macht zal helpen.) Dus volgt. Wat stelposten, balken en plaatmateriaal ter waarde van vijfhonderd Euro kan mijns inziens een twijfelachtig plafond weerhouden om in te storten en een haspel van vijftig Euro levert met gemak de ontbrekende elektriciteit. Kortom, een fractie van de kostprijs die het stadsbestuur overheeft voor haar geloofwaardigheid te ondersteunen volstaat in de praktijk om het werk ten velde te verzekeren. Ach, de wereld draait nooit zoals je wilt, Frank. De wet van de onbedoelde gevolgen heet het dan. En niet dat ze dat niet verdient natuurlijk. Die geloofwaardigheid bedoel ik dan. Zeker in een verkiezingsjaar. Het is echter de verhouding die boekdelen spreekt. Ik herhaal: het is altijd de verhouding die boekdelen spreekt.

En zelfs onze burgervader wil nu in zijn geldelijke waardigheid blijvend herinnerd worden. Driehonderdvijftig Euro moet het kosten als je in de toekomst denkt zijn directe bevelen te moeten willen negeren. Want, zoveel macht hebben en toch nog voor aap gezet worden, dat mag niet gebeuren! Het is de politiek op zijn kleinst. Zijn opvolger zal in dank zijn goede werken voort zetten. Met meer geestdrift zonder twijfel, want alles kan beter. Ik vertel niets nieuws. De bruinhemden wrijven zich in de handen.

Ondertussen doet de poes een eerste echte poging om de merel te vangen, maar die laatste vliegt in één, twee korte tussenposen kwetterend laag langs de grond weg en laat de jager verontwaardigt achter. Zowaar. Zoals ikzelf naast mijn droom gegrepen heb. Vanachter mijn dubbel beglaasde bunker zie ik het allemaal gebeuren. Ook de kauwen krassen nu luidbeks voorbij. De poes wordt gek. De merel (v), ligt ondertussen roerloos diep verholen in haar nest. Haar bruine veren aardig, net als de twijgen en de takken waaruit het is gemaakt. Ze is één met haar omgeving. En in mijn glazen burcht lijk ikzelf ook meer van kristal geworden. Breekbaar, glazig en kil. Daarbuiten maakt het leven zich op voor een nieuw seizoen, hierbinnen blijft de winter volharden.