about
Toon menu

Bladzijde honderdeenentwintig

vrijdag 3 februari 2017
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.
  • Johnny Paycheck te midden van stakers in 1977. (Photo by Hulton Archive/Getty Images)

Een boekbespreking over Johnny Paycheck (Christophe Vekeman). Or how to kill you’re love (for countrymusic) in one hundred and twenty one pages.
A ten minute read.

Christophe Vekeman schreef een boek over Johnny Paycheck. Naar we zouden vernemen één van de prominentste en talentrijkste ‘outlaws’ uit de geschiedenis van de countrymuziek en, zo beloofd alvast de kaft: “Een boek zoals je er nog nooit één hebt gelezen, over een man van wie je nog nooit hebt gehoord.

Zowat halverwege het boek gekomen, op bladzijde honderdeenentwintig, geef ik er echter de brui aan. De spreekwoordelijke druppel was het voorkomen van de uitdrukking brusselmansiaans. In een boek waar men van het begin af aan met een geknutseld soort van maniërisme, van bijzin in bijzin in bijzin en de klaarblijkelijke wens om zo volledig mogelijk te zijn in het weergeven van songtitels (die in het countrygenre nu ook niet bepaald van de kortste zijn), tot het tot vervelens toe geven van niets ter zake doende informatie en persoonlijke beschouwingen, om dan op bladzijde honderdeenentwintig ook nog H. Brusselmans in het verhaal te betrekken, is er mij te veel aan. Het maakt mijns inziens het anders niet meteen oninteressante, laat staan buitengewoon boeiende verhaal over de eeuwige loser en nitwit genaamd Johnny Paycheck, zelfs behoorlijk onleesbaar.

Nu ik ben zelf niet de meest rechttoe rechtaan schrijver, voor zover ik al een schrijver ben uiteraard. Ook ik gebruik, vaak zonder dat de lezer het weet of beseft verwijzingen die volgens mij een zekere rijkdom aan mijn verhaal verlenen maar die vooral een eigenheid zijn van mijn innerlijke leef- en denkwereld. De titel hier bijvoorbeeld, bladzijde hondereenentwintig, is een verwijzing naar Page 43, een nummer van David Crosby & Graham Nash. Zo, dat weet je dan maar. De wereld is complex en dat moet weerspiegeld. Dus ik schrik er ook niet van terug om, vaak tegen beter weten in, al eens een lange, echt lange zin met veel komma’s en bijzinnen enzovoort te gebruiken.
Het probleem met Johnny Paycheck, en dan bedoel ik het boek, is dat het mij uitermate stoort en bovenal niet geloofwaardig overkomt. Als ik dan op bladzijde honderdeenentwintig de term brusselmansiaans moet lezen terwijl er alleen al voor de loutere leesbaarheid best gewoon had kunnen staan: zoals bij de schrijver H. Brusselmans, is voor mij de kous af. Men had de verwijzing eigenlijk evengoed in zijn geheel kunnen weggelaten want het heeft in de bewuste context in de verste verte zelfs niets van doen met de schrijfkunst van de bedoelde auteur.

Of Christophe Vekeman zich ervan bewust is dat hij hier zijn boek een zekere mate van onvertaalbaarheid, om niet te zeggen onleesbaarheid, heeft gegeven is mij niet bekend. Nu ik wil niet vallen over een woord, maar voor een boek dat anders kan doorgaan als eerste en tot nog toe enige biografie over de countryzanger in kwestie vind ik het nogal tegenvallen. Al beoogt hij dan niet de klassieke biografie te schrijven. Des te meer zou ik zeggen. Ik gun in deze uiteraard H. Brusselmans alle wereldse succes toe die de man kan dragen, al twijfel ik sterk aan diens capaciteiten hieromtrent. Doch, hierover uitweiden zou mij te ver brengen en ik geef toe, het heeft ook te maken met het feit dat ik absoluut geen fan ben van H. Brusselmans. Ik las vaak zijn columns in Humo en heb me ook al eens gewaagd aan een van zijn boeken, maar vraag me niet meer het welke. Het zei me niets. Al hou ik uiteraard in het achterhoofd, wat niet is kan nog komen. Zo heb ik merkwaardig genoeg laatst nog mijn mening moeten herzien aangaande die andere Nederlandstalige schrijver Hugo Claus. Daar waar ik tot voor kort nog Het verdriet van België en hiermee gemakshalve maar alles wat de schrijver ervan in zijn leven heeft geproduceerd als dusdanig verafschuwde, ja ook daar geraakte ik immers, zo meen ik mij toch nog te herinneren amper aan bladzijde honderd en nog iets, ben ik na lezing van De Metsiers aan een herziening toe gekomen. Het naar mijn ogen simplistische bombast uit Het Verdriet was er nog niet; in De Metsiers is er de enigszins harde klaar en duidelijke taal in een strak, nogal eenvoudig verhaal over, wel ja, het mens zijn. Knap.
Soit, er is nog hoop.

Hoop ook voor Vekeman dus. Want wat is zijn bedoeling eigenlijk met het boek? De nobele onbekende Johnny Paycheck de bekendheid inschieten? Te beginnen in het Nederlandse taalgebied? Nou. Als hij in zijn boek al lyrisch is over een countryzanger dan is het, voor zover ik in die honderdeenentwintig bladzijden kon vaststellen, niet meteen voor Johnny Paycheck maar vooral voor de met superlatieven bekroonde Hank Williams. En dan in het bijzonder Hank Williams de eerste, want er lijkt wel een hele stamboom van te bestaan. Of wil de schrijver een lans breken voor de countrymuziek in het algemeen? En dan de countrymuziek voor de losers onder hen én ons in het bijzonder? Dan slaagt hij daar toch al wat beter in, ware het niet voor zijn taalgebruik, maar ik ga niet blijven zagen. Trouwens, countrymuziek is niet bepaald mijn ding en zoals de schrijver zelf ooit eens als misplaatste grap beweerde: haal de tekst weg en alle nummers trekken wel min of meer op elkaar. Om maar te zeggen dat het muzikaal niet zo’n grootse aangelegenheid is.

Maar interessanter wordt het wanneer Vekeman op zoek gaat naar het antwoord op de vraag waarom hij dit muziekgenre nu eigenlijk zo prefereert of de weerlegging –bijvoorbeeld- dat countrymuziek enkel voor rednecks zou zijn: “Countrymuziek is in wezen niet conservatief maar romantisch: wil niet zozeer behouden wat er is maar wil terug naar hoe het was (of beter: nooit is geweest). En al helemaal heeft het wezen van countrymuziek niets met patriottistische propaganda te maken: het enige Amerika dat er doorgaans in verheerlijkt wordt, is het Amerika uit de tijd van een onbekende (over)grootvader.” (blz.109) Dat is fijn om te weten.

Het is verder niet meteen het theatrale (en tragische?) karakter, hoewel quasi onlosmakelijk met countrymuziek verbonden, dat de schrijver overstag doet gaan, maar wel de authenticiteit en, zo vul ik dan maar zelf aan, daarmee ook de identiteitsbepaling. De schrijver legt uit: “Het genre zelf corrigeert zichzelf hoe dan ook voortdurend en voert op zijn beurt onophoudelijk een zeer complex gevecht om een evenwicht te vinden tussen oorspronkelijkheid en vooruitgang.” (blz.113) Begrijp: alle country of would be countryartiesten beschimpen elkaar constant over wie nu de enige echte countrymuziek ten berde brengt. Er is sprake van het polemisch karakter van de countrymuziek (zoals we dat ook enigszins kennen in de rapmuziek). Dit, zo zou je kunnen denken, leidt tot een naar zichzelf gekeerd genre dat op het eerste zicht geen invloed van buitenaf of van andere genres duld. Maar niets is minder waar natuurlijk, al blijft er één genre onbespreekbaar voor the Real McCoys, namelijk popmuziek. Dit verleidt de schrijver ertoe te zeggen: “Goeie country, daarentegen, heeft met bijvoorbeeld goeie Beethoven gemeen dat het zeer effectief op de zenuwen weet te werken van mensen die er geen gevoel voor hebben, de zeikerds.” (blz.114)

Ik vind dit niet zo netjes en raak stilaan uitgepraat. Niet enkel omdat bladzijde honderdeenentwintig in de buurt komt maar ook omdat ik het niet eens geraak met het standpunt van de schrijver rond die authenticiteit en omdat ik vermoed dat we er nog eindeloos over kunnen kibbelen. Want wat is die authenticiteit immers? Het hoeft voor mij alvast geen eerlijkheid te zijn of een feitelijk verifieerbare realiteit, maar evenmin per se het karakter van een outlaw te hebben. Of die andere Johnny (Cash) ooit echt een jongen kende die Sue heette en of hij echt ooit iemand doodschoot in Reno enkel en alleen om hem te zien sterven, mag waar gebeurd of een zelfgecreëerde mythe zijn, de authenticiteit ligt volgens mij in de manier waarop de zanger zijn performance vorm geeft en in de manier waarop hij inhoudelijk geloofwaardig klinkt. Dat dit kan leiden tot een zekere zelfvoldaanheid, zelfs tot een hardnekkige ontkenning van de realiteit, zowel in positieve als negatieve zin, hoeft in tijden van post-truth geen betoog.

Ik ben natuurlijk geen kenner maar ik zou de aantrekkingskracht van countrymuziek eerder in haar verhalende aspect leggen, gelijkaardig aan elke vorm van folkmuziek, gelijk welke invloed ze onderging of vanwaar op deze wereld ze ook afkomstig is. Die dagdagelijkse verhalen, soms leerrijk, soms beschamend, soms vloekend en bezwerend, haat- en/of liefdezaaiend en niet zelden hilarisch of spottend over niets minder dan la condition humaine, datgene waar niemand van ons uiteindelijk aan kan ontsnappen. Zo bekent Vekeman in het boek jaren naar Serge Gainsbourg te hebben geluisterd zonder ook maar drie strofen Frans te kennen. Dit is geniaal. Dat is pas een verhaal. Of het nu waar is of niet, de authenticiteit ligt in het verhaal. Of, in diezelfde lijn schrijft Vekeman nog: “Het gebeurt dat countrylyrics, ook wanneer ze niet geschreven zijn door Bob Dylan, toch sterk aan Dylan doen denken.” Mooi. Uiteraard moet een schrijver niet schrijven voor zijn lezers, maar dat zijn dingen die ik graag hoor of lees. Niet zozeer omdat het over Bob Dylan gaat maar om de vergelijking die gemaakt wordt. De zin of de hint brengt een beweging op gang die de schrijver echter op vele, wat zeg ik, te veel andere plaatsen in zijn boek blijkt te moeten verhinderen door niets minder dan ballast.

Want wat bijvoorbeeld te denken van volgende zin (blz.32): “Op het moment dat Haggard al een paar regels ver is in ‘Okie From Muskogee’, een van zijn allerbekendste nummers, fluistert een achtergrondzangeres hem iets in het oor, waarop hij knikt, zichtbaar dankbaar en tevreden dat hem net op tijd iets in herinnering gebracht is, ‘Come out there, Johnny Paycheck!’ roept en, terwijl hij de genodigde uit de coulissen tevoorschijn ziet komen, op zijn gelaat de brede, hogelijk geamuseerde grijnslach laat verschijnen die het gezicht van iederéén met een greintje talent voor plezier nu eenmaal komt te sieren bij het bekijken van Johnny die, wederom met een tof stel bretellen en ditmaal een rode bandana getooid, alvorens Willie Nelson als een veel te lang geleden uitgewuifd familielid om de hals te vallen en in zijn baardgewas een dikke pakkerd te drukken, een partijtje schaduwboksen ten beste geeft waaraan voornoemde kat in de dancingdakgoot nog een heel aardig poepje kan ruiken.
Of hier (blz.72): “Goed, in ‘We’re The Kind Of People’ en ‘Jukebox Charlie’ –twee nummers die zich getuige de eerste regels ervan (respectievelijk ‘Dim lights and the sweet wine, a bartender named Joe’ en ‘Hello Joe, same as usual’) overigens in hetzelfde café afspelen- wordt nog een vorm van troost gevonden in de zeer eenzame hartenkreten over verloren liefde en zielentrubbels die in ruil voor tien luttele dollarcentjes ten gehore kunnen worden gebracht, en in ‘Down To My Last Dime’ kampt Johnny zelfs met het volgende verscheurende dilemma: waar moet hij, na honderd nummers te hebben gedraaid en een dozijn keer te hebben gebeld in de hoop dat zij, ach zij –de nu eens overspelige, dan weer bedrogen maar in elk geval steevast genadeloos afwezige beminde aan wie wij duizenden countrysongs hebben te danken - ondertussen zou zijn thuisgekomen en bijgevolg de telefoon zou opnemen, zijn laatste muntstuk aan besteden, aan het beltoestel of de liedjesverschaffer?
En als laatste voorbeeld (op de bewuste bladzijde honderdeenentwintig): “Zijn snor breidde zich uit tot een er allesbehalve fluwelig uitziende baard en hij liet zijn schots en scheve dweil groeien, niet tot zijn haar echt lang lang was, niet brusselmansiaans lang en zelfs niet zo lang als dat van Waylon, maar zeker lang genoeg om trots te kunnen stellen dat hij lang haar had. En man, wat was hij trots op zijn vette lokken..”

Het is nu vast niet netjes om zomaar wat fragmenten uit een geheel te lichten, en het zijn vast stuk voor stuk correct Nederlandstalige zinsconstructies, maar dit lijkt mij allemaal toch wel sterk op zelfsabotage. Wat wil de schrijver met dit boek eigenlijk echt bereiken? Werken aan zijn street credibility? Of wil hij zich op deze manier vereenzelvigen met het lot van zijn al te vaak onfortuinlijk gebleken held? Een stijloefening in het falen? Projectie als identiteits- en authenticiteitsontwikkeling? Op zich geen probleem natuurlijk, doen we dit niet allemaal een beetje heel de tijd? Maar dat kan ook met behulp van het soort teksten waarin zijn voornoemde held zich voornamelijk uitdrukte denk ik dan al snel. Kortom het kan best wat eenvoudiger en vooral korter. Het idee groeit om met behulp van een dikke zwarte stift alle ballast uit dit boek te gaan schrappen om er een voor mijzelf althans lees- en verteerbaar verhaal van te maken. Dit betekent dat ik er mij nog eens doorheen zal moeten gaan worstelen natuurlijk, en ditmaal nog verder dan bladzijde honderdeenentwintig, maar wie weet vind ik alsnog het enthousiasme dat Christophe Vekeman voor zijn hoofdpersonage beweert te bezitten.

Page 43: een tedere levensles
https://www.youtube.com/watch?v=q3asjT07aSM

Misfits: voor de losers onder ons
https://www.youtube.com/watch?v=R__Yy1ZMPy8

9 to 5: country en popmuziek, a perfect match
https://www.youtube.com/watch?v=UbxUSsFXYo4

Take this job and Shove it: the One and Only Johnny Paycheck! https://www.youtube.com/watch?v=EzGoDtmTllg

A Boy named Sue: zonder introductie
https://www.youtube.com/watch?v=WOHPuY88Ry4