about
Toon menu

"Gelukzoekers"

dinsdag 9 oktober 2018
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.

Een ellenlange rij Venezolaanse vluchtelingen. Wij, rugzaktoeristen, lopen ze voorbij wanneer we de grens van Colombia met Ecuador oversteken. In Europa zouden we ze ‘gelukzoekers’ noemen. In Zuid-Amerika is er echter een breed gedragen consensus dat deze mensen geholpen moeten worden. Hetzelfde onbehaaglijke gevoel dat ik de afgelopen maanden kreeg wanneer ik de krantenkoppen met: asielcrisis, transmigranten, Theo Francken, … zag verschijnen. Meteen razen de gedachten door mijn hoofd: hoe kan ik aantonen dat deze crisis even erg of erger is als die van Europa? Ik ga op zoek naar de cijfers van de asielaanvragen in Europa en die van de uitstroom van Venezolanen. Er zijn zoveel cijfers en zoveel interpretaties van diezelfde cijfers. Hoe meer ik zoek, hoe meer ik besef dat cijfers misschien net het hele probleem zijn. Een immens complex probleem kan niet ontrafeld worden door middel van cijfers. Hoe kan ik dan blijk geven van het onbehaaglijk gevoel dat ik krijg wanneer ik gemakkelijk de grens oversteek, terwijl deze Venezolanen hier al dagen kamperen? Wanneer de rust in mijn hoofd neerdaalt, herinner ik mij een tekst die ik twee jaar geleden schreef na de sluiting van het opvangcentrum waarin ik werkte. Het was een manier geweest om de indrukken die ik had opgedaan een betekenis te geven.

Een jaar Kolenberg...

“Doe het voor Hani, doe het voor Hannan, doe het voor Hamar, doe het voor mijn man Abbot, doe het voor mij... Je kent ons toch, je weet dat we goede mensen zijn, ik smeek je: laat ons terugkomen!”

“Dat weet ik, dat weet ik”, stamel ik, “maar er is niets dat ik kan doen”. Opnieuw een resem holle woorden die zij de laatste dagen meermaals heeft moeten aanhoren. Ik kan haar niet meer in de ogen kijken. De sterke maar liefhebbende grip, waar enkel een moeder over beschikt, lost zich langzaam. Haar afdruk zindert na en vindt een pijnlijke weg naar mijn hart. Ik draai mij om en wandel de kamer uit. Abbot, de vader, probeert zich te verontschuldigen voor god-weet-welke reden. Enkele seconde later stort hij in, met zijn hoofd diep verscholen in zijn armen, dikke tranen rollen over zijn wangen en kin naar beneden. Een oorverdovend gesnik vult de gangen en sterft een stille dood in de kleinste hoeken van het opvangcentrum. De drie kinderen beseffen het niet maar ze zien hun vader voor het eerst radeloos, zonder hoop en niet meer in staat om zijn gezin te beschermen. De woorden die ik in mijn hoofd vorm, vinden geen uitweg en lossen op in het luchtledige zonder een bestemming te bereiken. Hoe sneller ik het gebouw wil verlaten, hoe trager ik lijk vooruit te geraken. De glazige blik in mijn ogen weerspiegelt een jaar vol herinneringen.

...

Op 23 september arriveren de eerste bussen met zogenaamde asielzoekers, ik noem ze liever mensen. Met mondjesmaat stappen ze uit de bus en tegelijk doen wij er alles aan om chaos te voorkomen. De mensen worden kuddegewijs naar de centrale hal gedreven. Tot voor kort stond dit gebouw leeg maar na enkele weken werd het omgetoverd tot verblijfplaats van gezinnen, koppels en alleenstaande mannen en vrouwen. Vermoeide ogen staren ons aan wanneer we uitleg geven over het verdere verloop van de avond. Een lijst met namen en kamernummers is de enige houvast die we hebben. Elke naam krijgt een sanitair pakket gevuld met basisbenodigdheden: tandenborstel, tandpasta, wc-rol, shampoo, handdoek, scheermesje en kopje. De leegstaande kamers worden één voor één gevuld met koffers vol herinneringen.

De beperkte middelen en de taalbarrière, die mij ervan liet dromen dat de Babylonische taalverwarring nooit had plaats gevonden, zorgen voor een moeilijk verloop van de eerste dagen. Wanneer ik piekerend de trappen afdaal, komen melancholische klanken mij tegenmoet. Ik versnel mijn tred en tref in de ontspanningsruimte een vijftigjarige man aan. Woeste grijze haren samengehouden door een kleine elastiek, een honingzoete stem, vingers die snaren strelen … hij bespeelt de gitaar alsof het een lieve lust is. In zijn kielzog een al even grijze man die de percussie voor zijn rekening neemt. Ze worden omringd door landgenoten en lotgenoten. Ik zet me achteraan stilletjes neer en geniet van de warmte waarmee de kamer langzaamaan gevuld wordt.

De tijd lijkt stil te staan in Kolenberg. Gaandeweg leren wij de bewoners kennen en zij ons. Een minisamenleving ontstaat met een eigen hiërarchie, regels, afspraken, gewoonten en zelfs met een eigen taal. Zoals ons personeelsorganigram waar de bewoners een eigen invulling aan geven. Tot mijn verbazing wordt de logistiek medewerker beschouwd als één van de bazen van het centrum. Later werd mij door de bewoners uitgelegd dat hij verantwoordelijk was voor de bedeling van de jobs binnen het centrum en bijgevolg zorgde hij voor de enige vorm van bijverdienste. Dit leverde hem de titel ‘Mr Rik' op. Bij de controle van deze jobs waren zinnen als “you have to poets this also, Habibi” schering en inslag. De combinatie Engels, Arabisch, Nederlands en gebarentaal vond geruisloos zijn weg doorheen het centrum. Het Kolenbergs.

Na enkele maanden krijgen we het nieuws dat wij niet-begeleide minderjarige jongeren zullen opvangen. Dat zijn minderjarigen die zich zonder familie aan de levensgevaarlijke oversteek hebben gewaagd. Samen met drie andere collega’s word ik verantwoordelijk voor hen. Wij proberen een soort van moeder en vader te zijn maar wel met een zekere discipline die nodig is in een opvangcentrum. Uiteindelijk krijgen wij de verantwoordelijkheid over 25 minderjarigen. Ik zou duizend verhalen kunnen neerpennen zo…

… kan ik je vertellen over Shafiq, een veertienjarige Afghaan die na alle omzwervingen het kind in zichzelf nog steeds niet is kwijtgeraakt. Zo maken we op een dag een uitstap naar de grotten van Han. Net voordat we de grotten binnen gaan, pak ik hem vast en zeg: “Wanneer we uit deze grotten komen dan zijn wij in Duitsland, dat weet je toch!?” “ECHT??!???” vraagt hij met een kinderlijke onschuld. Vervolgens gaat hij alle andere jongens het heugelijke nieuws vertellen. Mijn collega’s fluisteren in mijn oor dat ik naar de hel ga voor deze grap. Bij het verlaten van de grotten komen we bij een grote poort. “Is dat de poort om Duitsland binnen te mogen?” vraagt Shafiq. Ik knik en we wandelen verder. Na tien seconden merkt hij op dat iedereen nog steeds Nederlands spreekt en dat de omgeving er net hetzelfde uitziet als bij de start. Een schaterlach en een knuffel volgen. “Dat is echt het beste grapje ooit!”

… kan ik je vertellen over maandag 11 april, half zeven. De jongens staan weifelend voor een deur met taalklas erop. Dit splinternieuwe lokaal zal de verzamelplaats worden voor het voeden van hun honger naar kennis. Eens de deur de geopend, bestuderen de jongens met fonkelende ogen de ruimte. De stoelen worden geruisloos onder de tafels uit geschoven, de eerste woorden worden uitgewisseld en langzamerhand weerklinkt er gelach door de kamer. De jongens nemen één voor één hun agenda en wandelen richting “bureau”. De wereldbol op de hoek van de tafel doet een metaforisch lampje branden. Hun handen dansen met tintelende vingers over de wereldbol op zoek naar hun land, zovele kilometers hier vandaan. Ze vertellen over de route die ze naar het kleine België hebben afgelegd; dit doen ze zonder te verpinken, zonder medelijden te vragen en met de sterke wil om vooruit te gaan. Niet veel later zitten ze in kleine groepjes aan tafel. Samen lezen, spellen en rekenen ze. De cijfers en letters dansen doorheen de kamer en hun hoofd.

… kan ik je vertellen over Ayan, de enige Somaliër onder onze jongens, in het bezit van een eeuwige glimlach. Stap voor stap verlegt hij zijn grenzen. Op een hete zomerdag staan we vertrekkensklaar om naar het zwembad te gaan. Ayan staat te ijsberen. Wanneer ik vraag wat er scheelt, bekent hij dat hij nog nooit gezwommen heeft. Ik beloof hem dat hij dat na vandaag niet meer zal kunnen zeggen. Eenmaal aangekomen staat hij huiverig aan de rand van het zwembad. Nadat ik hem heb overtuigd om de trapjes af te dalen, verschijnt er een glimlach van oor tot oor. Die namiddag brengt hij kirrend in het water door.

… kan ik je vertellen over Saman. Een vijftienjarige jongen en tevens de advocaat van de Afghaanse gemeenschap binnen Kolenberg. Diezelfde jongen tref ik buiten op een stoepje aan, de tranen staan als parels in zijn ogen. Voordat ik kan vragen wat er scheelt, zegt hij snikkend: “Ik heb toch een positieve beslissing gekregen, wanneer houdt het op? Ik zit al twee jaar in een asielcentrum en heb al mijn vrienden zien vertrekken, waarom is er voor mij geen uitweg?“.

… kan ik je vertellen over Sarmin van Albanië. Ik zal hem geen jongen noemen want dat zou hij niet aanvaarden. Onverstaanbaar in het Nederlands, maar wel in staat om aanvaard te worden door alle culturele groepen in het centrum. Hij zit samen met de Arabieren alsof hij een van hen is. Misschien is hij dat ook wel, allen hebben ze dezelfde droom en allen hebben ze dezelfde hoop. Van diezelfde jongen heb ik geen afscheid kunnen nemen omdat een negatieve beslissing zijn droom aan diggelen sloeg. Zijn vertrouwen in een goede afloop en het goede van de mens was hij in één klap kwijtgeraakt..

… kan ik je vertellen over het belang van muziek onder de Afghaanse jongeren. Op een dag staan we geparkeerd aan een tankstation langs de autosnelweg omdat enkele jongens hun blaas nodig moeten ledigen. Wanneer de autodeuren opengaan, blaast de Afghaanse muziek nog steeds doorheen de boksen. De overgebleven jongens kunnen zich niet bedwingen en trakteren ons en alle omstaanders die het willen zien op een traditionele Afghaanse dans. Een toeterende auto is voor hen een stimulans om nog intenser dan ooit tevoren te dansen. Dat er een woedende man achter het stuur zat van de toeterende auto, wisten zij toen niet. Niet veel later vertrekken we weer. Ze vragen of ik ook wat Nederlandstalige muziek kan opzetten. Wanneer ik mijn oude hip-hop CD van DAC opzet, zie ik drie knikkende koppen in mijn achteruitkijkspiegel. “De reden dat ik ‘s avonds wakker lig, als ik met mijn maten wat ga drinken, iedereen die praat behalve ik, en niemand vraagt me wat er is, dan staar ik in het niks, dan is het vaak dat ik je mis... ”. Wanneer ik de tekst zin voor zin uitleg, wordt het muisstil in de auto ... “‘s Avonds wij ook wakker liggen”.

Ik zou je over elk van deze jongens iets kunnen vertellen, want elke jongen heeft mij iets geleerd. Als groep hebben ze me geleerd dat de mens over een enorme veerkracht beschikt. Elk van hun heeft een levensverhaal om stil van te worden maar elk van hun geeft niet op, gaat door en vecht voor een beter leven. Voor deze jongens steek ik mijn hand in het vuur, want ieder van hen heeft het hart op de juiste plaats en een plaats in mijn hart.

Plots is de sluiting van Kolenberg een voldongen feit. De beweegredenen hiervoor zijn duidelijk. Het antisociaal discours heeft ondanks een record aantal erkende vluchtelingen, gewerkt. Theo Francken glundert wanneer hij cijfermatig kan aantonen dat zijn beleid zijn doel heeft bereikt. De asielaanvragen nemen drastisch af en een groot deel van de centra kunnen gesloten worden.

Eind augustus is het centrum leeg. De minisamenleving die eens functioneerde als een geoliede machine, wordt stuk voor stuk gedemonteerd. De mannen, vrouwen en gezinnen die deze machine draaiende hielden, worden willekeurig over Vlaanderen verspreid. De menselijkheid die het Rode Kruis hoog in het vaandel draagt, stel ik plots in vraag.

...

Wanneer ik eenmaal buiten geraak, zie ik Mohammed zitten, een jonge Irakees met een hart van goud. Ik vraag hem hoe het met hem gaat maar krijg geen antwoord. Gedurende enkele seconden staart hij in het oneindige en plots rollen de woorden over zijn tong: “Wij zijn allen zo stom geweest, we beseften niet wat wij hadden in ONS centrum. Ondanks sommige strubbelingen, de afstand naar de bewoonde wereld en de situatie waarin we verkeerden, hadden we het zo ongelooflijk goed. We leefden als een grote familie en daar hoorden jullie ook bij. We hadden een paradijs en dat zijn we kwijt”. De tranen lopen over zijn wangen wanneer we lachend goede herinneringen ophalen. Ik besef dat ik niet een jaar gewerkt, maar geleefd heb. 

...

Enkele weken nadat mijn contract afliep en er een nieuwe laag stof overheen kolenberg ligt, wandel ik samen met mijn vriendin door het centrum van Genk. Ik wordt voorzichtig op mijn schouder getikt en draai mij om. Achter mij staat Ibrahim met een stralende glimlach en vraagt me hoe het met mij gaat. “Goed, goed en met jou" antwoord ik. “heel goed, ik woon samen met mijn gezin in een klein appartementje. Ik heb werk gevonden in een fabriek. Ik ben blij dat ik niet meer in het centrum moet zijn". We slaan een praatje en nemen afscheid. Wanneer we weg wandelen zegt Artemis “Ik ben verbaasd over het niveau van zijn Nederlands en bovendien heeft hij werk, jammer dat mensen dit niet lezen in de krant”. Ik kijk haar glimlachend aan zeg “ en dit is drie maanden nadat hij centrum heeft verlaten.”


Nu, twee jaar later, wanneer ik mijn tekst herlees, hoor ik de vele commentaren al. Mogelijks zullen de criticasters zeggen dat dit een geromantiseerde versie is van de realiteit. Wellicht hebben zij gelijk en wou ik uit dit jaar het positieve onthouden. Uiteraard zijn er moeilijke momenten geweest, momenten waarop ik gevloekt heb, momenten waarbij het wederzijds respect ver te zoeken was en momenten waarop alles leek te escaleren. Maar die momenten waren schaars en wogen niet op tegen alle liefde die ik heb gevoeld en alle vriendschap en collegialiteit die ik heb mogen ontvangen. Bovendien denk ik niet dat er nog meer koren nodig is op de rechtse molen, die voedt zichzelf wel. Mijn teleurstelling is echter niet van politieke maar maatschappelijke aard. De politiek is namelijk een weerspiegeling van de verhoudingen binnen de maatschappij. Een maatschappij die de laatste jaren harder en harder is geworden. Een maatschappij die meedogenloos is geworden. Een maatschappij die niet meer achteruit kijkt om de schade op te meten die het zelf heeft aangericht.

Echter wil ik met deze tekst naar niemand de vingen wijzen. Deze tekst biedt geen oplossing maar kan hopelijk een positief gevoel overbrengen aan iets wat steeds als een crisis bestempeld wordt.


(Alle namen in deze tekst zijn fictief)