about
Toon menu

Van de ‘tijdelijke eenheid’ van Rerum Novarum en 1 mei in 2008 naar een (h)echte eenheid van de Belgische arbeidersbeweging

zaterdag 17 april 2010
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.

BEWEGING 102 - April 2008

De redactie

Ieder jaar vieren de socialistische en christelijke arbeidersbeweging hun ontstaan en bestaan. De socialistische arbeidersbeweging doet dat op 1 mei, de christelijke op Hemelvaartsdag. Hemelvaartsdag valt op de 40ste dag na Pasen en wanneer Pasen valt wordt bepaald door de stand van de maan. Dit jaar vallen beide feestdagen samen op 1 mei. Een (bijna) unieke situatie. Het vorige jaar waarin dit het geval was, ligt bijna honderd jaar terug, in 1913. En een tweede keer zal niemand van ons dat nog meemaken, want dat is in 2160. Het ligt voor de hand dat op deze unieke dag opnieuw de vraag wordt gesteld naar de organisatorische eenheid van de Belgische arbeidersbeweging. Want waarom moeten er twee (of meerdere) organisaties bestaan om dezelfde kerndoelstellingen te behartigen: de verdediging van de belangen van de werknemers en hun gezinnen? Verschilt het belang van een werknemer als werknemer naargelang hij christelijk, socialistisch, liberaal enzovoort is? Neen toch? “In de mijn zijn we allemaal zwart”, is een gekende uitspraak die in alle duidelijkheid illustreert dat werknemersbelangen gelijk en ondeelbaar zijn. Waarom zijn er dan toch die verschillende organisaties? Natuurlijk is dat een complex verhaal. De kern is echter dat de oorsprong van die verschillende organisaties niet gelegen is in het verschil tussen werknemersbelangen maar veeleer in de politiek-ideologische ontstaansachtergronden. Zo is het algemeen bekend dat de christelijke vakbeweging ontstaan is vanuit het antisocialisme. De eerste als christelijk erkende vakbond liet daarover geen twijfel bestaan door zichzelf de ‘Antisocialistische Katoenbewerkersbond’ te noemen. In onze verzuilde samenleving speelden de politiek-ideologische ontstaansachtergronden en bindingen gedurende lange tijd een grote om niet te zeggen dominerende rol. De organisatorische verdeeldheid van de arbeidersbeweging werd hierdoor in stand gehouden en zelfs versterkt. Deze verdeeldheid heeft de verdediging van de werknemersbelangen heel wat schade berokkend. In sommige periodes en sommige sectoren leek (lijkt?) het er soms op dat niet de werkgever maar wel de andere vakbond – en dit was wederzijds – de grotere vijand was. Onnodig te zeggen wie uit deze houding het grootste voordeel haalde.

Gelukkig heeft de politiek-ideologische verdeeldheid van de Belgische arbeidersbeweging nooit belet dat beide vakbonden inzagen dat het echte belang van alle werknemers het meest gebaat was bij een zo goed mogelijke samenwerking. Het was zeker geen toeval dat na de Eerste Wereldoorlog de voorstellen tot samenwerking vooral uitgingen van het veel kleinere ACV, voorstellen die (bijna) steevast werden afgewezen door het veel grotere ABVV, toen nog Syndikale Kommissie genoemd. Een keerpunt was de algemene staking in 1936 toen duidelijk werd dat zonder het ACV een algemene staking in Vlaanderen niet meer mogelijk was. Het ABVV erkende toen willens nillens het belang van het ACV wat zeker heeft bijgedragen tot het enorme succes van deze staking. Tijdens en vlak na de Tweede Wereldoorlog werden er tussen de bestaande vakbonden van alle strekkingen heel wat gesprekken gevoerd om tot een eenheidsvakbeweging te komen. Het ACV verwierp de uiteindelijke voorstellen, ondermeer omdat het totaal niet akkoord kon gaan met de opname van de tijdens en vlak na de oorlog gegroeide vakbonden van communistische strekking in die eenheidsvakbond. Het ACV legde zich toen vast op de formule ‘eenheid in actie in de meervoudigheid van de organisaties’ zonder daarom principieel een eenheidsvakbeweging af te wijzen.

In de meer dan zestig jaar die sindsdien verlopen zijn heeft deze opstelling ook bij het ABVV het pleit gewonnen. Op dit ogenblik is niemand in de bestaande vakbonden echt vragende partij om tot een eenheidsvakbeweging te komen terwijl tegelijkertijd de samenwerking op alle niveaus steeds sterker benadrukt wordt. De verschillen in organisatie, in werkingscultuur en traditie zijn zo groot dat een overgang naar een eenheidsvakbeweging ongelooflijk veel tijd en energie (en geld?) zou kosten. Het lijkt daarom zinvoller om die tijd, energie en dat geld te steken in een goede en efficiënte samenwerking. Maar de vraag blijft hoe die samenwerking er dan wel moet uitzien om de belangen van de werknemers zo goed mogelijk te behartigen. Er kan zeker nog heel wat meer gebeuren dan nu om tot een echte systematische samenwerking te komen tussen beide grote vakbonden op alle niveaus. Zeker op het niveau van de ondernemingen kan hier nog heel wat vooruitgang worden geboekt. Cruciaal hiervoor lijkt ons dat in beide vakbonden met respect gedacht en gesproken wordt over de andere vakbond. Dat beide vakbonden en hun vertegenwoordigers, vrijgestelden en militanten, de boodschap uitdragen, zowel in woorden als in daden, dat enkel door samenwerking de belangen van alle werknemers het best kunnen behartigd worden tegenover de werkgevers en dat iedere verzwakking van die samenwerking in het nadeel is van de werknemers en in het voordeel van de werkgevers. Dit betekent helemaal niet dat er geen meningsverschillen kunnen zijn tussen de vakbonden. Maar dergelijke meningsverschillen bestaan er ook binnen de vakbonden zelf. Het betekent wel dat die meningsverschillen tussen vakbonden moeten behandeld worden als meningsverschillen tussen gelijkgezinden, tussen organisaties die in essentie dezelfde doelstellingen nastreven en dus liefst binnenskamers worden uitgediscussieerd. In het belang van de werknemers moet de Belgische vakbeweging naar buiten als één blok optreden. En dat niet alleen tegenover de werkgevers, maar ook tegenover de overheid en op het politieke terrein.

Vooral dat laatste is gezien de ontstaansgeschiedenis van beide grote vakbonden niet zo vanzelfsprekend. De voorbije decennia hebben zowel ACV als ABVV voorzichtige stapjes gezet om zich politiek-ideologisch zelfstandig te maken van de door hen geprivilegieerde politieke partijen. Die verzelfstandiging wordt steeds belangrijker naarmate zowel de christendemocratische als socialistische partijen steeds meer evolueren (of reeds geëvolueerd zijn) naar centrumpartijen waarin het neoliberaal gedachtegoed steeds dominanter wordt. Dit neoliberaal gedachtegoed staat volledig haaks op de echte werknemersbelangen. Een (h)echte eenheid tussen de arbeidersbewegingen in ons land zal dus ook maar echt mogelijk zijn indien beide zich echt onafhankelijk opstellen t.o.v. de christendemocratische en socialistische partijen. Voor ons als Beweging maakt deze onafhankelijke opstelling van het ACV onlosmakelijk deel uit van ons pleidooi voor een onafhankelijke politieke opstelling van de koepel van christelijke werknemersorganisaties, het ACW. Maar ook aan socialistische zijde lijkt ons een dergelijke onafhankelijke politieke opstelling van de socialistische arbeidersbeweging noodzakelijk.

Wij hopen daarom dat het gezamenlijk colloquium en de ondertekening van een gezamenlijke verklaring ter verdediging van ons sociaal model op 28 april door de kopstukken van beide grote arbeidersbewegingen in ons land, niet beperkt blijft tot een eenmalig initiatief naar aanleiding van het toevallig samenvallen van 1 mei en Rerum Novarum. Waarom kan dit niet de eerste stap zijn naar een verdere samenwerking ook op het politieke terrein om ooit te komen tot een partij die echt opkomt voor de belangen van alle werkenden, sociale uitkeringstrekkers en hun families? Wie weet vieren we dan ooit met zijn allen samen zowel 1 mei als Rerum Novarum, ook wanneer beiden niet op eenzelfde dag vallen.