about
Toon menu

Opel Antwerpen: erop of eronder

zaterdag 17 april 2010
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.

BEWEGING 109 - Januari 2010

Jef Mariën

Eind november, begin december zat iedereen, die van dicht of van ver bij Opel Antwerpen betrokken is, op vinkenslag. Eindelijk zou er klaarheid worden geschapen in een onverkwikkelijk dossier dat al veel te lang aansleept en zeker de werknemers en hun gezinnen in een haast onhoudbare spanning houdt. Maar het werd (nog maar eens) een maat voor niets. Het verdict, zo lijkt het toch, wordt uitgesteld tot begin januari 2010.
Maar eigenlijk moet dit verhaal ons bekend in de oren klinken. De auto-industrie kampt al langer dan vandaag met problemen. En in België hebben we ons deel van het leed al wel gehad. Denk maar aan Renault Vilvoorde, Ford, Volkswagen. Aan dat rijtje kunnen we nu misschien (het al lang geplaagde) Opel Antwerpen toevoegen.

Wat is er aan de hand?

De opeenvolgende regeringen hebben niets onverlet gelaten om het die bedrijven naar de zin te maken. Ze deelden gul subsidies uit, schonken fiscale en parafiscale voordelen, knepen weer wat af van de sociale zekerheidsbijdragen, stelden de inning van de roerende voorheffing uit en introduceerden nog meer flexibiliteit en goedkopere overuren. Dat kon allemaal niet beletten dat er talrijke herstructureringen en sluitingen volgden. Nochtans hadden de werknemers ondertussen een hoge prijs betaald: loonmatiging, langer werken voor evenveel of minder loon, minder leefbare werkomstandigheden, sneller, efficiënter en polyvalenter werken (dag en nacht), gezondheidsproblemen, tijdelijke werkloosheid en afdankingen. Werknemers zijn niet meer zeker van hun toekomst en zien het dreigende spook van sociale en economische uitsluiting steeds dichterbij komen. De campagne voor ‘Waardig werk’ heeft niet voor niets een gevoelige snaar geraakt. Werknemers hebben inderdaad aan den lijve ondervonden dat ze wegwerpartikelen zijn, koopwaar, uitgeperste citroenen.

Winstmaximalisatie – Overproductie – Overcapaciteit

Er is dus wel degelijk iets aan de hand.
Werknemers betalen nu de prijs van ‘ons’ economisch bestel, van een alles overheersende kapitalistische logica. Zeker in de auto-industrie komt aan het licht dat winstmaximalisatie die productieverhoging vereist tot overcapaciteit leidt. Het scenario is bekend, maar voor alle duidelijkheid, hier nog eens de grote lijnen. Als het uitgangspunt steeds meer winst maken is, moet de productie opgedreven worden. Dat leidt tot overproductie omdat iedereen dat doet en denkt dat hij het beter zal doen dan zijn concurrenten. Dus gaan ze allemaal investeren. Dit is inherent aan de strijd om het marktaandeel (bij een groeiende consumptie) op te drijven. Omdat iedereen een zo groot mogelijk deel van de koek wil binnen rijven, leidt dit op termijn tot overinvesteringen en overcapaciteit. Op dat ogenblik moet de productie worden afgebouwd en staat de opgebouwde productiecapaciteit er onbenut bij. Om die onderbenutting te compenseren, wordt er fors bespaard (loonkosten) tot men de mogelijkheid ziet het gevecht om een groter marktaandeel te herbeginnen. De cirkel is rond, maar met minder werknemers, aan lagere lonen en een slechtere bescherming. Het is dan ook niet meer en niet minder dan de ijzeren logica van het systeem: hoe minder werknemers, hoe lager de kosten, hoe hoger de prijs van het aandeel.

De werknemers uit de auto-industrie, evenmin als werknemers van andere bedrijven, hebben part noch deel aan deze verwoestende logica. Nergens worden zij betrokken bij vragen zoals ‘wat’ produceren we, ‘hoe’ doen we dat en voor ‘wie’. Vraag het maar aan de werknemers van Opel Antwerpen. Nick Reilly die nu voor GM de onderhandelingen leidt besliste in 2001, zonder commentaar, om het Vectra-model van Antwerpen naar Groot-Brittannië over te hevelen. En enkele jaren later (het begin van het einde?) kondigde hij eigenhandig aan dat de nieuwe Opel Astra voortaan niet meer in Antwerpen mag geassembleerd worden.
Vandaag is paradoxaal genoeg, op een moment dat het alle hens aan dek is voor een degelijk klimaatakkoord, het lot van Opel Antwerpen gekoppeld aan de bouw van kleine terreinwagens. Die assemblage was zo goed als toegezegd, maar gezien de gewijzigde economische omstandigheden, besliste Reilly dat de assemblage (waarschijnlijk) in Zuid-Korea zal gebeuren. Dat scheelt natuurlijk een ferme slok op een borrel. Als de SUV’s toch naar Antwerpen komen verdwijnen er ‘slechts’ 750 van de 2300 banen. Als Reilly toch voor Korea kiest, dreigt het doek definitief te vallen voor Opel Antwerpen.
Terreinwagens of niet, de vakbonden zullen zich (terecht) met hand en tand verzetten tegen verdere sociale afbraak, werkloosheid, afdankingen en sluiting. Dat Opel Antwerpen nog (steeds) open is en dat er hoe dan ook nog een sprankeltje hoop is, is enkel te wijten aan de goede samenwerking van onder meer de Belgische en de Duitse vakbonden en aan de consequente houding van de Europese Ondernemingsraad die geen enkele sluiting aanvaardt.

Weerwerk

De vakbonden hebben inderdaad niet stil gezeten met voorstellen en initiatieven om aan het ergste ‘noodweer’ te ontsnappen. Zo ijveren ze voor het ‘responsabiliseren’ van de werkgevers voor de sociale toekomst van de ontslagenen, voor het behoud van loon en arbeidscontract zolang er geen andere werkgever gevonden is, het stopzetten van de onvoorwaardelijke steun aan de economische activiteit van de multinationals, het ‘voorwaardelijk’ maken van de overheidssteun, een moratorium op afdankingen. En als uitsluiting en naakte ontslagen toch niet meer tegen te houden zijn, slepen de onderhandelaars ontslagpremies uit de brand.  Maar dat gaat niet zonder slag of stoot. Politici, opiniemakers en media schreeuwen dan moord en brand. Denk maar aan de ophef die de ontslagvergoedingen voor de werknemers van VW-Vorst hebben veroorzaakt. En vandaag is het niet veel beter. Als de vakbonden nu in volle crisis een echte bescherming van de werknemers willen afdwingen en er een premie van 1.666 euro uit de bus komt voor elke ontslagen arbeider, staat het land in rep en roer. Unizo-voorzitter Karel Van Eetvelt, riep in een eerste reactie zelfs op tot ‘burgerlijke ongehoorzaamheid’ omdat (misschien en in een beperkt aantal gevallen) een derde van dat bedrag door de werkgever moet opgehoest worden. Alle bekende clichés werden weer van stal gehaald. De bonden slachten  de kip met de gouden eieren; ze bouwen aan een sociaal paradijs op een economisch kerkhof. Je moet maar durven. Tijd dus om ook met een ander cliché uit te pakken: als de vakbonden niet bestonden, moesten ze uitgevonden worden. Maar het is ook de hoogste tijd dat het (voortreffelijke) defensieve weerwerk wordt omgebogen naar een meer offensieve aanpak. Daarbij zal moeten afgerekend worden met de ideologie van de vrije markt en moet de in gebreke blijvende overheid op haar verantwoordelijkheid worden gewezen.

De markt en de overheid: met de billen bloot

Als de huidige crisis iets aan het licht gebracht heeft, dan is het toch wel het inzicht, het besef, de ontnuchtering dat ‘de markt’ fundamenteel in gebreke blijft. Aan de verheerlijking van de successen van de vrije markt is abrupt een einde gekomen. We zijn gaan inzien dat die markt in zijn huidige neoliberale gedaante tot een gigantische ongelijkheid heeft geleid, verantwoordelijk is voor het verlies aan democratie en de uitputting van de aarde. Door het proclameren van de almacht van de vrije markt waren we lang uit het oog verloren dat het vooral de arbeid is die winst en welvaart creëert en dat die markt nooit had kunnen functioneren zonder een actieve overheid. Van alle zegeningen van de vrije markt blijft niet veel overeind. Het besef neemt toe dat het er ons niet enkel om mag te doen zijn de excessen en de uitwassen van de vrije markt te bestrijden. Het is het hart zelf van het vrije marktsysteem dat moet geraakt worden omdat, inherent aan de vrije markt, er maar een doel voorop staat: de wet van de maximale winst. Binnen deze logica is er geen plaats voor menselijke doelen en de productie is niet afgestemd op de behoeften van de mensen. Als er al van enige planning sprake is, is het enkel om de concurrent kapot te krijgen, meer winst op te strijken, altijd maar meer kapitaal te accumuleren.
Die logica die regelmatig tot crisissen leidt moet onderuit gehaald worden. Na de crisis van de jaren zeventig werd zowel in de Fundamentele Doelstellingen van het ACW-MOC (1978), op het congres Welzijn in Solidariteit van het ACW (1979) als op het ACV-congres van 1980 opgeroepen voor ‘een economie in dienst van mens en samenleving’. Die oproep moet vandaag sterker dan ooit weerklinken in de arbeidersbeweging. Er moet een alternatief zijn voor de ravage die door de vrije markt wordt aangericht.

Maar ook de overheid heeft boter op het hoofd. In de naoorlogse periode (1945-1975) opteerde de overheid voor ‘een gemengde economie’. Van een niet gereguleerde markt was geen sprake. De overheid probeerde de markteconomie te sturen en het kapitalisme onder controle te houden. De markteconomie had dus helemaal geen vrij spel en was ingebed in maatschappelijke doelstellingen zoals algemene tewerkstelling en sociale bescherming. In 1980 zag het ACV dat nog goed zitten. We kunnen het kapitalisme veranderen en uiteindelijk wegwerken via de strategie van een sociale markteconomie. D.w.z. een economie waarin de overheid de taak heeft de voornaamste hefbomen van het economisch leven, zoals het bank- en kredietwezen en de energiesector te controleren en te oriënteren. Jammer genoeg gooide de neoliberale doorbraak in het begin van de jaren ’80 deze mooie intenties aan diggelen. De overheden gingen door de knieën, borgen hun plannen op om de economie te sturen en lieten de werkgevers over aan de losgeslagen markt met haar moordende concurrentie, overproductie en overcapaciteit. Vandaag anno 2010 is de overheid in onze bedreigde welvaartstaat nog steeds actief op het vlak van werkloosheidsuitkeringen en een activeringsbeleid, maar zelf actief tussen komen in (duurzame) tewerkstelling en werken aan rechtstreekse arbeidscreatie (ook buiten de openbare sector) is er niet meer bij. Daar zorgt, zoals we ondertussen allemaal weten, de markt wel voor!

Kantelmoment

Tijdens de voorbije jaarwisseling blikten commentatoren, vakbondslui en politici op het voorbije decennium terug. Hoogmoed komt voor de val, was zowat de teneur van het editoriaal van De Standaard (26-27/12/09). We waren met z’n allen verblind en bezondigden ons aan overmoed. Maar nu zijn de schellen van de ogen gevallen. ‘We moeten een streep trekken onder de geschiedenis tot dusver’. Luc Cortebeeck beaamt dat. ‘Voor mij is de voornaamste trend van het afgelopen decennium de ondergang van het neoliberalisme…tien jaar geleden overheerste nog het blinde geloof dat de vrije markt alleenzaligmakend was…de crisis heeft iedereen de grenzen van het casinokapitalisme laten zien’. Verhofstadt treedt hem zowaar bij: ‘De overheid mocht vooral niet tussenkomen. Dat is natuurlijk fout: de overheid moet wel spelregels opleggen en controle uitoefenen’.
Zoveel is dus duidelijk. We bevinden ons op een scharnier- of kantelmoment en dat stelt de arbeidersbeweging voor een geweldige uitdaging en enkele beslissende keuzes. We kunnen de economie, de arbeid, de behoeften van ‘mens en samenleving’ niet langer aan de vrije markt, aan de privébelangen, aan het kapitalisme over laten. De arbeidersbeweging moet dus voor een nieuw maatschappelijk project mobiliseren. Daarbij staat voorop dat de economie van ons is, dat het een proces is dat ons allemaal aangaat en dat we daarom meer dan een vinger in de pap te brokkelen hebben.
We moeten dus de economie heroveren op de vrije markt, zelf vorm geven en greep krijgen op die economie door alternatieven te ontwikkelen die vorm geven aan dat niet nieuw maatschappelijk project. We hebben dat ooit geprobeerd met een coöperatieve beweging maar zijn daar door druk van buitenaf én met eigen instemming van af gestapt. De discussie over die coöperatieve werking ligt vandaag, na een ongeziene financiële en economische crisis, weer breed open.
We moeten ook het publieke domein, het algemeen belang, heroveren op het privé-initiatief en daarbij zullen we een sterke overheid nodig hebben. Ook hier dwingt de gewijzigde maatschappelijke context tot nieuwe keuzes en engagementen. En laat ons wel wezen: ook hier moet discussie, woord en wederwoord, het debat verhelderen. Iedereen is het er nu over eens dat de overheid regels moet opleggen en controle moet uitoefenen. Maar wat verstaan we daaronder? Alhoewel er raakpunten zijn is de crisis van vandaag niet de crisis van de naoorlogse periode van vorige eeuw. En wat bedoelde het ACV in 1980 met ‘controleren’ en ‘oriënteren’ van de voornaamste hefbomen van het economisch leven? Hoe zouden we dat vandaag invullen?
Wij pleiten alleszins voor een proactieve overheid die voor economische stabiliteit zorgt, die goede openbare diensten aanbiedt en volop kiest voor het creëren van massale tewerkstelling in ecologisch duurzame sectoren. De overheid én Europa hebben hier een rol te spelen omdat de markt en de privésector niet echt geïnteresseerd zijn in die ontwikkeling. Zo is GM nooit echt geïnteresseerd geweest in de verdere ontwikkeling van een elektrische auto. En nu er toch een elektrische Opel Ampera in de steigers staat, wordt die wellicht in de VS verder ontwikkeld en gebouwd. De 500 miljoen euro waarmee de Vlaamse regering over de brug wil komen, worden dan in de bouw van een terreinwagen gestopt! Dit is een schoolvoorbeeld van ‘te weinig en te laat’. Als het de Vlaamse regering echt om Opel Antwerpen te doen was geweest dan hadden ze in het begin van de jaren ’90 (bij het weghalen van de Vectra) al moeten ingrijpen. Maar zoals Peter Tom Jones in november zei op de voorstelling van zijn boek (Terra Reversa: de transitie naar rechtvaardige duurzaamheid): ‘we betalen nu cash wat de overheid jarenlang heeft verzuimd’. In de ban van het neoliberalisme luidde het devies: het is niet aan de overheid om keuzes te maken, dat is aan de markt.
Die trend moet de arbeidersbeweging helpen ombuigen. En is in dat licht de oproep van Peter Mertens, voorzitter van de PVDA, om van Opel Antwerpen een Europees overheidsbedrijf te maken waar een elektrische wagen zou worden ontwikkeld, zo’n dwaas voorstel?

Besluit

Vandaag is zowat iedereen het erover eens dat het failliet van het neoliberalisme bewezen is. Als ook Cortebeeck dat zegt, is dat goed maar eigenlijk onvoldoende. Vraag dat maar aan de crisisslachtoffers en aan de werknemers van Opel bijvoorbeeld. Wat stellen we in de plaats? Komen we eruit als we het casinokapitalisme aan banden leggen? Neen, het kapitalisme zelf moet onderuit gehaald worden. Is het niet goed dat vandaag zowat iedereen de rol van de overheid terug centraal stelt? Zeker. Maar is het een oplossing, zoals Verhofstadt stelt, dat de overheid krijtlijnen moet uitzetten en spelregels moet opleggen aan de markt? Neen, niet de regels moeten gewijzigd of aangepast worden, het spel zelf moet worden stilgelegd en veranderd. We hebben nood aan een nieuw maatschappelijk project waarin de economie in dienst staat van ‘mens en samenleving’. Hoe gaan we die economie uitbouwen en ‘het neoliberalisme’ bij het groot vuil zetten? Welke rol kan/moet de overheid spelen?
Op kantelmomenten moeten we alert zijn en de discussie niet uit de weg gaan. Die discussie moeten we ook voeren in eigen rangen. En het ziet er naar uit dat we dat volop gaan doen. We gaan in oktober, op het ACV-congres, ‘morgen mee maken’ want ‘een andere toekomst is mogelijk’. En in maart kondigt zich een nieuwe lente aan. Wordt het ook een nieuw begin, daar op het congres van LBC-NVK? Het programma oogt alleszins hoopvol: aan zet voor een solidaire toekomst. Laat ons daar voor gaan. En vanzelfsprekend willen we jullie, via Beweging, voer geven om de discussie aan te gaan.