about
Toon menu

Koopkracht: het belangrijkste ‘aandeel’ van de gewone vrouw en man

zaterdag 17 april 2010
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.

BEWEGING 104 - November 2008
Over inflatie, indexering en welvaartsvastheid

Jozef Mampuys
Dit artikel is een ingekorte weergave van een bijdrage die verscheen in {Kenteringen]digit, nr. 5, oktober 2008


Een schandaal was het. Midden in de grootste economische crisis sinds de jaren dertig hielden de vakbonden op 6 oktober een stakings-, actie- en informatiedag. De aanleiding was het grote koopkrachtverlies sinds midden 2007 en het feit dat regering, noch werkgevers zich nu al meer dan een jaar niet bereid toonden om daartegen fundamentele maatregelen te nemen. Ondanks de vele vragen en acties van de werknemers en hun vakbonden. Het feit dat diezelfde regering wel bereid en in staat was om op enkele dagen tijd met miljarden euro’s over de brug te komen om de grote Belgische banken en hun aandeelhouders te redden, versterkte bij de werknemers, de uitkeringstrekkers en de vakbonden, alleen maar de overtuiging dat de regering helemaal niet wakker lag van de aantasting van de koopkracht van de doorsnee burger.

Maar diezelfde regering en de patroons beweren dan weer dat het allemaal niet zo’n vaart loopt met dat koopkrachtverlies. Waar of niet waar? We nemen jullie mee op een fikse staptocht doorheen de doolhof achter de koopkrachteis van de vakbonden.

Wat is koopkracht?

Met koopkracht verwijst men naar wat je kan kopen met een bepaald inkomen, of dat inkomen nu een loon is of een uitkering. In zekere zin zou je kunnen zeggen dat het loon of uitkering die iemand ontvangt ‘theorie’ is en wat iemand met dat inkomen kan kopen de ‘praktijk’ of de ‘realiteit’. Wat telt is niet de theorie maar de praktijk, niet hoeveel inkomen ik heb, maar wel wat ik ermee kan kopen, mijn koopkracht. Stel je even voor dat alle producten gemiddeld twee procent duurder worden en dat mijn inkomen gelijk blijft. Het resultaat is dat ik dan minder producten kan kopen of anders gezegd dat mijn koopkracht daalt. Om evenveel als voorheen te kunnen kopen zou mijn inkomen ook met twee procent moeten stijgen. Mijn inkomen is dan wel gestegen maar mijn koopkracht is gelijk gebleven. Aan koopkracht verliezen betekent eigenlijk ‘armer’ worden. Meer koopkracht is dan weer een beetje ‘rijker’ worden.

Koopkracht verliezen, behouden of versterken


Je kan koopkracht bekijken vanuit het individu of vanuit een groep, een gemeenschap. Afhankelijk van waaruit je kijkt kan je tot verschillende conclusies komen. Zo is het perfect mogelijk dat de koopkracht van een groep toeneemt, maar dat de koopkracht van sommige leden van die groep sterk is afgenomen. Dat is een beetje wat zich het voorbije jaar in België heeft voorgedaan. Tegen de massale klacht van de vakbonden en ook het aanvoelen van zeer vele mensen dat de koopkracht achteruit gegaan is, beweren allerlei deskundigen dat de koopkracht van ‘de’ Belgen vorig jaar zelfs nog is toegenomen. Maar voor die laatste ‘vaststelling’ kopen heel wat Belgen niets omdat hun individuele koopkracht er niet op vooruit gegaan is.

Als er over koopkracht, of het nu gaat om individuele koopkracht of die van een gemeenschap, gesproken wordt, dan bedoelt men een globale koopkracht voor een geheel van producten en diensten die men kan kopen. Binnen die globale koopkracht zijn er natuurlijk heel wat verschillen tussen goederen en diensten. Als individu kan je op die verschillen inspelen. Het is duidelijk dat iemand die systematisch zijn inkopen doet bij Aldi of Lidl voor hetzelfde geld meer kan kopen dan iemand die altijd bij Delhaize koopt. Maar het gaat hier natuurlijk niet om dezelfde producten. Iemand die altijd bij Aldi koopt kan zijn koopkracht op dat vlak nog moeilijk ‘verbeteren’. Je kan natuurlijk ook systematisch ‘koopjes’ kopen en zo schep je zelf ook wat meer koopkracht. Of je volgt het ‘advies’ van Carrefour dat in het voorbije jaar op paginagrote reclames zijn goedkope(re) producten aanprijst door je een koopkrachtverhoging van niet minder dan 30% te beloven. Meer algemeen is het natuurlijk zo dat als producten goedkoper worden de koopkracht van het individu kan toenemen.

Zoveel mag duidelijk zijn: algemene uitspraken over koopkracht gelden niet zomaar voor alle individuen, net zo min als uitspraken over de koopkracht van één individu geldig zouden zijn voor alle andere individuen. In zijn algemeenheid kunnen we stellen dat we onze koopkracht behouden wanneer de stijging van ons loon of uitkering even groot is als de gemiddelde prijsstijging van alle goederen en diensten. Mijn koopkracht wordt groter of kleiner wanneer mijn inkomen sterker of minder stijgt dan de gemiddelde prijsstijging.

Koopkracht behouden: de automatische indexaanpassing

België (samen met Luxemburg) is het enige land ter wereld waar een systeem bestaat van automatische aanpassing van de lonen en sociale uitkeringen aan de gestegen levensduurte. Stijgen de prijzen, dan zullen na enige tijd ook de lonen en de uitkeringen stijgen. Die gestegen levensduurte is het resultaat van een algemene prijsstijging of inflatie (van het Latijnse woord ‘inflare’ dat (op)zwellen betekent) en wordt gemeten door wat voluit het 'indexcijfer van de consumptieprijzen' heet (zie kader). De automatische indexaanpassing betekent dat de lonen en sociale uitkeringen gekoppeld zijn aan de evolutie van de consumptieprijzenindex. In 1977 werd de automatische indexaanpassing bij wet vastgelegd voor de publieke sector en later ook voor de (meeste) sociale uitkeringen. In de privé-sector is de indexaanpassing geregeld in de Collectieve Arbeids Overeenkomsten (CAO’s). De indexaanpassing of indexatie kan op verschillende manieren gebeuren. Ofwel kan men een indexaanpassing doorvoeren op een vast tijdstip, bv. om de twee (banksector) of jaarlijks (metaalsector, de huurprijzen). Ofwel wordt de indexatie gekoppeld aan een bepaald stijgingsniveau, bv. wanneer de index met twee procent gestegen is ten opzichte van de vorige indexaanpassing. Dit laatste is ondermeer het geval voor de publieke sector en de sociale uitkeringen. Wanneer bv. in de maand augustus de spilindex (dit is het indexcijfer dat 2% hoger ligt dan het vorige indexcijfer dat recht gaf op een indexaanpassing) wordt overschreden, dan worden de maand daarop, dus in september, de sociale uitkeringen met 2% verhoogd. De ambtenaren moeten wachten tot in oktober alvorens hun brutoloon met 2% wordt verhoogd.

Het indexcijfer van de consumptieprijzen

De berekening van dat indexcijfer is een heel complex gebeuren. Om te zien of de levensduurte in België stijgt (of daalt) zou het ideaal zijn dat alle inwoners van België al hun uitgaven iedere maand opschrijven. Dat is natuurlijk onmogelijk. Daarom vertrekt men van een groep van producten en diensten (kapper, film, enz.), de zogenaamde indexkorf.

Bij de eerste berekening van het indexcijfer in 1920 zaten er in die indexkorf 56 voedingsproducten waarvan de prijzen maandelijks werden genoteerd in 59 gemeenten. Vandaag noteren ambtenaren de prijsveranderingen van 507 goederen of diensten in ongeveer 10.000 verkooppunten, van de buurtwinkel tot het megaverkoopscentrum, in 65 gemeenten. In totaal worden elke maand zo’n 144.000 prijzen genoteerd. Via het opmaken van een indexcijfer per product per gemeente, vervolgens van alle producten samen per gemeente en tenslotte van alle gemeenten samen, komt men tot een nationaal indexcijfer van de consumptieprijzen voor heel België.

Cruciaal hierbij is natuurlijk dat de samenstelling van de indexkorf representatief is voor een gemiddeld gezin in België. Om dat te weten te komen worden een paar duizend gezinnen geselecteerd die een getrouwe afspiegeling zijn van de samenstelling van de Belgische bevolking (gezinsgrootte, actieven en niet-actieven, verschillende inkomenscategorieën, enzovoort). Die gezinnen houden gedurende een aantal maanden al hun uitgaven bij en op basis hiervan wordt de indexkorf samengesteld en wordt ook bepaald wat het aandeel (het ‘gewicht’) van ieder product van de korf in het totale indexcijfer is. Deze operatie noemt men de huishoud- of gezinsbudgetenquête. Op basis van deze jaarlijkse enquête wordt om de acht jaar de samenstelling van de indexkorf en de berekening van het indexcijfer herzien. De laatste keer gebeurde dat in 2004. Toen werd ook beslist om vanaf nu om de twee jaar wijzigingen in de samenstelling van de indexkorf mogelijk te maken, omdat men vaststelt dat de consumptiegewoonten tegenwoordig veel vlugger veranderen dan vroeger. De globale herziening blijft wel om de acht jaar. Bij iedere volledige herziening wordt de index terug op nul (= 100) gezet. De nieuwe indexkorf van 2004 telt nu 507 producten tegenover 481 in de vorige indexkorf (1996). Maar dat verschil van 26 producten was wel het resultaat van de schrapping van 103 producten uit de vorige indexkorf (o.a. discman, kleurenfilm, soepvlees, aardnootolie, onderlijfje, broodrooster, hamer, telefooncelgesprekken, lege audio- en videocassettes, enz.) en de opname van 129 nieuwe producten (o.a. koffiepads, mp3-speler, gps-toestel, multifunctionele printer, geheugenkaart, enz.)

De automatische indexaanpassing herstelt onvoldoende onze koopkracht

De doelstelling van de automatische indexaanpassing is duidelijk: het behoud van de koopkracht zonder dat daar telkens om gevraagd of over onderhandeld moet worden. De impact van die indexeringen is ondertussen zowel sociaal als economisch zo belangrijk geworden dat de toepassing ervan, ondanks de ballonnetjes die daarover af en toe worden opgelaten, door bijna niemand, ook niet door werkgevers en liberale politici, in vraag wordt gesteld. Dat wil niet zeggen dat diezelfde werkgevers en liberale politici niet alles zullen proberen om de rekening van die indexeringen door te schuiven naar anderen. De kwestie is dus niet of de indexering zal afgeschaft worden, maar wel, welke prijs zullen de vakbonden bij de komende onderhandelingsrondes moeten betalen om de toepassing van de indexering ‘onverkort’ te kunnen handhaven?

Dat ‘onverkort’ is ook al voor discussie vatbaar, want in het verleden werden reeds meerdere maatregelen genomen, waardoor de huidige toepassing van indexering een stuk achterop blijft op het volledig behoud van de koopkracht. We overlopen even het rijtje van deze maatregelen.

   1. Enkel consumptieprijzen

Voor de samenstelling van de indexkorf en de berekeningen van de consumptieprijsindex worden geen investeringen, zoals de aankoop van een huis of grote herstellingswerken, in aanmerking genomen. Maar die uitgaven bepalen natuurlijk wel mee onze koopkracht.

   2. Koopkrachtherstel met vertraging

Afhankelijk van het gekozen systeem (vast tijdstip, na een bepaalde periode, na een bepaalde stijging van het indexcijfer) kan het kort of lang duren vooraleer de lonen en sociale uitkeringen geïndexeerd worden. In die tussenperiode stijgen natuurlijk de prijzen en betalen wij reeds meer voor onze consumptie zonder dat onze lonen of uitkeringen die prijsstijgingen mee volgen. Vooral in periodes van sterke inflatie, zoals het voorbije jaar het geval was, kan dit een groot verschil maken. Neem bv. de metaalsector waar jaarlijks op 1 juli de lonen aan de index worden aangepast. Dit jaar ging dat om een aanpassing met 4,32%. Maar dat betekent wel dat het ganse jaar daarvoor de met 4,32% gestegen prijzen moesten betaald worden zonder dat de lonen mee gestegen waren. Of neem de 300.000 bedienden die onder het Aanvullend Nationaal Paritair Comité (ANPC) vallen en waar de jaarlijkse indexaanpassing in januari plaatsgrijpt. Die bedienden zullen door de grote prijsstijgingen het hele jaar 2008 fors meer uitgaven moeten doen zonder dat hun loon mee stijgt.

   3. Voortschrijdend viermaandelijks rekenkundig gemiddelde

Sinds september 1983 gebeurt de indexering niet meer op basis van het maandelijks indexcijfer, maar op basis van het rekenkundig gemiddelde van de indexcijfers van de laatste vier maanden. Men noemt dit ook wel eens de ‘afgevlakte index’. Gemiddeld genomen betekent dit dat de indexaanpassing drie maanden later gebeurt dan wanneer men het maandelijks indexcijfer zou volgen.

   4. Indexsprong: niet toepassen van indexaanpassingen

In de periode 1982 – 1986 schortte de regering Martens driemaal de toepassing van de indexering op. Het overslaan van een overeengekomen indexaanpassing noemt men een indexsprong. De index steeg maar de lonen en uitkeringen werden niet aangepast. Dat wil niet zeggen dat de werkgevers een besparing deden. Het bedrag dat ze zonder indexsprongen bijkomend hadden moeten uitgeven, moesten ze nu aan de sociale zekerheid storten. Dit moeten zij doen tot op vandaag. Vanaf 1987 werden geen indexsprongen meer toegepast. Maar de eerstvolgende indexaanpassing werd berekend op het brutoloon dat door die drie indexsprongen lager was, dan het normaal zou geweest zijn zonder die indexsprongen.. Tot op vandaag hebben die indexsprongen dus een weerslag op de lonen. Sinds 1987 sleept iedere werknemer het negatieve effect van die indexsprongen met zich mee. De doorheen de jaren opgetelde achterstand door die indexsprongen zou inmiddels al tot één bruto maandloon per jaar zijn opgelopen.

   5. De gezondheidsindex

In het kader van het Globaal Plan van de regering Dehaene werd op 1 januari 1994 de zogenaamde ‘gezondheidsindex’ ingevoerd. Vanaf dan gebeurden de indexeringen niet langer op basis van de gewone consumptieprijzenindex maar op basis van de consumptieprijzenindex waarin de prijzen van tabak, alcohol en benzine en diesel niet meer werden meegeteld. De toepassing van de gezondheidsindex zou de lonen en sociale uitkeringen minder snel doen stijgen en dus zowel voor de werkgevers als voor de regering een hele besparing opleveren. De keerzijde van de medaille was dan wel dat de koopkracht van actieven en niet-actieven steeds meer achterop bleef ten opzichte van de totale stijging van de levensduurte.

   6. All-inakkoord

Het bestaan van de automatische indexaanpassing heeft als groot voordeel dat bij loonsonderhandelingen enkel over reële loonsverhogingen bovenop de index moet worden onderhandeld. Wanneer in Nederland of Duitsland over loonsverhogingen wordt onderhandeld dan moet men het koopkrachtverlies van de voorbije jaren door de inflatie mee in rekening brengen. Een loonsverhoging van 6% betekent dan dat daarin al 4 of 5% ‘koopkrachtherstel’ zit en nog 1 of 2% echte loonsverhoging. Bij ons zijn die eerste 4 tot 5% automatisch verworven en wordt er enkel onderhandeld over de reële loonsverhoging. Dat is alvast een stuk makkelijker en ook veiliger.

Om voor de hand liggende redenen willen de Belgische werkgevers daarom steeds meer all-inakkoorden afsluiten. All-in betekent dat in het cijfer waarmee de lonen in de komende twee jaar zullen stijgen ook de geraamde indexaanpassing voor die periode is opgenomen. Stel dat men een all-inakkoord afsluit voor 5,1%, waarbij men ervan uitgaat dat er in de komende twee jaar een inflatie zal zijn van 3,8%. Dat betekent dat er na afloop van de periode van het akkoord er toch een reële loonsverhoging zal zijn van 5,1 – 3,8 = 1,3%. Maar tijdens de looptijd van het akkoord begint de inflatie plots veel sterker te stijgen, naar 5,5% in plaats van naar 3,8%. Dan zijn er drie mogelijkheden.

Ofwel is er een zuiver all-inakkoord en worden de lonen met de afgesproken 5,1% verhoogd. Dat betekent dan een koopkrachtverlies van 5,5 – 5,1% = 0,4%.

Ofwel is er een saldoakkoord waarbij men wel de volledige inflatie van 5,5% uitbetaald krijgt zodat er tenminste toch geen koopkrachtverlies is.

Ofwel is er een correctiemechanisme waarbij de overschrijding van de afgesproken loonsverhoging als gevolg van een sterkere inflatie, wordt afgetrokken van de te onderhandelen loonsverhoging voor een volgende periode.

Een all-inakkoord geeft de werkgever bijna zekerheid over de komende loonsverhogingen. De werknemer daarentegen heeft geen zekerheid meer over reële loonsverhogingen bovenop de index en riskeert zelfs, ondanks de afgesproken loonstijgingen, aan koopkracht in te boeten.

De resultaten van al deze maatregelen liegen er niet om. Het systeem van de automatische indexaanpassing zoals het vandaag bij ons wordt toegepast, zorgt reeds lang niet meer voor een volledig koopkrachtherstel. Het HRM-bedrijf SD Worx kwam onlangs, in een uitgebreide studie over de evolutie van de indexaanpassingen voor de 300.000 bedienden aangesloten bij het Aanvullend Nationaal Paritair Comité (ANPC), tot de vaststelling dat over de voorbije 40 jaar de inflatie met 400% was toegenomen terwijl de indexaanpassingen over diezelfde periode de lonen slechts met 360% hadden doen stijgen. M.a.w. gedurende 40 jaar was er jaarlijks 1% koopkrachtverlies, ondanks de toepassing van de automatische indexering.

Het weekblad Solidair maakte twee jaar geleden (28 juni 2006) een interessante concrete berekening. Uitgangspunt was een brutoloon van (omgerekend) 1.000 euro in mei 1982. Bij maandelijkse toepassing van het indexmechanisme op basis van de volledige consumptieprijzenindex en zonder de latere ingrepen, zou dit brutoloon in mei 2006 gestegen zijn tot 1.918 euro. Bij indexering op basis van een spilindex van 2% en alle huidige ingrepen is dit brutoloon nu gestegen tot 1.670 euro. Dat maakt een verschil van bruto 248 euro. Voor een alleenstaande betekent dat netto per maand 119 euro minder. Wanneer je dezelfde berekening maakt en er daarbij ook van uitgaat dat buiten index er nog een jaarlijkse loonsverhoging van 0,5% werd veroverd, dan loopt het verschil in mei 2006 op tot 354 euro bruto per maand of 169 euro netto voor een alleenstaande. Helemaal hallucinant wordt het wanneer je de optelsom maakt van alle lonen die je tussen mei 1982 en mei 2006 zou ontvangen hebben. Over die ganse periode zou je in het eerste geval, dus enkel met indexaanpassingen, 43.550 euro minder hebben ontvangen. Met een jaarlijkse loonsverhoging buiten index van 0,5%, loopt het totale verschil al op tot een dikke 54.000 euro. Als je weet dat er bovenop het brutoloon ook nog eens een werkgeversbijdrage voor de sociale zekerheid van rond de 35% moet betaald worden, dan kan je berekenen dat jouw werkgever, alleen al op basis van het in de loop der jaren aangetaste indexmechanisme, over heel die periode voor die ene persoon een besparing heeft gedaan van tussen 60 en 70.000 euro. Een besparing (= meer winst) voor de werkgever, een sterk verminderd loon voor de werknemer en minder inkomsten voor de fiscus en de sociale zekerheid.

Maar spijtig genoeg kan het nog altijd erger. De indexaanpassingen in de privésector zijn vastgelegd in de CAO’s. Wanneer voor een bepaalde sector geen indexbepalingen zijn opgenomen in de CAO of wanneer in sommige sectoren de Paritaire Comités (PC) niet actief zijn en er dus geen CAO’s worden afgesloten, dan hebben de werknemers die onder deze PC’s vallen geen indexaanpassingen tenzij enkel voor de minimumlonen. Zo zijn er toch een kleine 100.000 werknemers die geen recht hebben op automatische indexeringen, o.a. de goed 50.000 personeelsleden van de dienstenchequebedrijven zijn in dat geval.

Mag het ook iets meer zijn?

Uit het vorige mag al duidelijk zijn dat zogenaamde echte loonsverhogingen, dus boven de indexverhogingen, voor een groot deel moeten dienen om het tekort aan koopkrachtherstel ook na de indexering, goed te maken. Eerst als dit gat gevuld is, is er pas sprake van een echte versterking van de koopkracht, van een beetje ‘rijker’ worden. Dankzij de loonsverhogingen bovenop de index kunnen werknemers toch een stukje van de toenemende welvaart naar zich toe trekken.

Allemaal goed en wel voor de actieve werknemers, maar wat met de mensen die van een sociale uitkering moeten leven? Zij kennen geen ‘uitkeringsonderhandelingen’ met het oog op het verhogen van hun uitkeringen boven op de indexaanpassing. Door de afgezwakte indexkoppeling verliezen zij systematisch aan koopkracht en worden zij dus armer. De groeiende welvaart gaat volledig aan hen voorbij. De gevolgen daarvan zijn in de voorbije 30 jaar steeds duidelijker geworden. Zo is de afstand tussen de sociale uitkeringen en de lonen steeds groter geworden. In 1980 bedroeg de gemiddelde uitkering ten opzichte van het gemiddelde loon voor de pensioenen 34,7%, voor de werkloosheid 45,7% en voor de invaliditeit 44,5%. In 2005 was die verhouding voor de pensioenen gedaald tot 31,7%, voor de werkloosheid tot 27% en voor de invaliditeit tot 31,7%. Wie van een betaalde job om een of andere reden moest overstappen naar een sociale uitkering, maakte een steeds diepere val en zag zijn levensstandaard drastisch verminderen.

Meer welvaart: ook voor de sociale uitkeringstrekkers

Zowat tien jaar geleden begonnen de vakbonden bij hun onderhandelingen voor hogere lonen en betere arbeidsomstandigheden systematisch ook eisen op tafel te leggen opdat de uitkeringen niet verder achterop zouden geraken tegenover de lonen. M.a.w., de sociale uitkeringen moeten op een of andere manier gekoppeld worden aan de welvaartstoename van de actieve werknemers als gevolg van de reële loonsverhogingen boven op de index.

Tijdens een bijzondere ministerraad in maart 2004 in Oostende, besliste de regering om vanaf 2007 een structureel mechanisme in te voeren om de sociale uitkeringen op een of andere manier te binden aan de gestegen welvaart. Eind 2005 werd in het kader van het Generatiepact vastgelegd op welke manier de financiële enveloppe zou worden berekend die tweejaarlijks ter beschikking wordt gesteld voor een verhoging van de uitkeringen bovenop de indexering. Dat bedrag is echter onvoldoende voor een volledige welvaartskoppeling van alle uitkeringen aan de lonen. Daarom moeten de sociale partners telkens vooraf een akkoord sluiten over de verdeling van die enveloppe tussen de diverse categorieën van de uitkeringstrekkers. Die overeenkomst geldt als advies aan de regering voor de uitvoering ervan. Het opstellen van dit advies loopt parallel met de tweejaarlijkse onderhandelingen voor een nieuw Interprofessioneel Akkoord (IPA). Het eerste advies werd geformuleerd in september 2006 voor de jaren 2007 en 2008. Voor die jaren stelde de regering respectievelijk 174 en 254 miljoen euro ter beschikking. Voor 2009 en 2010 stelt de regering respectievelijk 184 en 428 miljoen euro ter beschikking. Normaal hadden de sociale partners tegen 15 september een advies moeten formuleren. Maar de werkgevers koppelden dit advies aan een akkoord over nog verdere lastenverlagingen voor hen en weigerden na de aangekondigde actiedag op 6 oktober nog verder te onderhandelen. Voor de vakbonden hebben die lastenverlagingen niks te maken met een advies over de welvaartsaanpassingen van de sociale uitkeringen. Die maken die eerder deel uit van de komende onderhandelingen voor een nieuw IPA dat op het einde van dit jaar moet onderhandeld worden. Ondertussen werden na de actiedag de onderhandelingen hernomen maar waren ze midden oktober nog niet afgerond.

De huidige formule garandeert nog lang niet de welvaartsvastheid voor de sociale uitkeringen maar is een eerste stap in die richting en heeft als belangrijkste resultaat dat de kloof tussen uitkeringen en lonen in de toekomst minder sterk zal toenemen dan in het verleden.

De indexering blijft ter discussie

De sterke inflatie van het voorbije jaar heeft nog eens overduidelijk het belang aangetoond van het indexmechanisme voor werknemers en uitkeringstrekkers. Maar tegelijkertijd vormde het de aanleiding voor anderen om ditzelfde mechanisme ter discussie te stellen. Natuurlijk waren er stemmen die pleitten voor de afschaffing van het systeem of voor indexsprongen zoals in de jaren ’80. Maar al bij al waren deze stemmen marginaal. Meer aandacht en steun kregen andere voorstellen. Zo pleitten de werkgeversorganisaties steeds meer voor een uitbreiding of zelfs veralgemening van de all-inakkoorden.

Andere voorstellen presenteren zich als redelijk en rechtvaardig, maar ondermijnen daarmee de essentie van de indexkoppeling, nl. het behoud van koopkracht voor ieder individu. Zo is er het voorstel om hogere inkomens een lagere indexering te geven of het reeds heel wat oudere voorstel om de indexering niet procentueel toe te passen maar met een forfaitair bedrag voor iedereen (“Centen in plaats van procenten”, vooral Spirit/Vl.pro en Groen!). De redenering is dat een procentuele aanpassing de afstand tussen lage en hoge inkomens in absolute getallen nog vergroot en dat hogere inkomens door een procentuele indexering heel wat meer bij krijgen dan dat ze effectief aan koopkracht hebben verloren. Door de hierboven geformuleerde voorstellen zou men de afstand tussen lage en hoge inkomens kunnen verkleinen. Dat klopt misschien, maar dat is niet de bedoeling van de indexering. De indexering heeft als bedoeling de koopkracht van ieder van ons te herstellen, of dat nu iemand met een hoog inkomen en dus grote koopkracht is of iemand met een laag inkomen en een zwakke koopkracht. Een van de sterktes van het huidige systeem is juist dat het voor iedereen, arm of rijk, op dezelfde manier wordt toegepast. Hieraan beginnen sleutelen, zelfs uit rechtvaardigheidsoverwegingen, riskeert het hele systeem op de helling te zetten. Wie het verschil tussen lage en hoge inkomens, tussen actieven en niet-actieven, wil verkleinen doet dit beter via de geëigende kanalen van de fiscaliteit. Ons progressief belastingsstelsel heeft juist als bedoeling om de grote inkomensverschillen te verkleinen. Wat belet ons om te pleiten voor een nog sterkere progressiviteit in de belastingen? Of om kapitaalsinkomsten sterker te belasten en dit geld te gebruiken om de belasting op lage en middeninkomens te verminderen?

Een voorstel dat de laatste tijd steeds opnieuw in de media komt, is de zogenaamde netto-indexering. De grote promotor hiervan is de zelfstandigenorganisatie UNIZO, maar ook de liberale vakbond ACLVB is ervoor gewonnen. De redenering is dat van iedere indexaanpassing de helft tot tweederden naar de overheid en de sociale zekerheid gaat. De werknemer of uitkeringstrekker krijgt netto slechts de helft of minder in handen. “Wel laat ons dit nettobedrag betalen maar de rest van de indexering niet”, gaat de redenering verder: “Daardoor wordt de last voor de uitbetaler van indexering, de werkgever of de staat, heel wat kleiner. En arbeid is toch al duur genoeg, om niet te zeggen te duur. Het individu zelf merkt er niets van want zij of hij ontvangt hetzelfde nettobedrag als voorheen”. Het is dezelfde redenering die de patroons hanteren om nu al meer dan 15 jaar lang in de rij te staan bij de overheid om forse lastenverlagingen op hun werkgeversbijdragen aan de sociale zekerheid te eisen. De werknemer zou daar geen last van hebben, want zijn brutoloon blijft gelijk en dus ook zijn nettoloon. Maar dat klopt natuurlijk niet. Zeker is dat de werkgever minder moet uitgeven, zeg maar meer winst kan maken. Maar aan de andere kant hebben zowel de netto-indexering als de patronale lastenverlagingen als resultaat dat zowel de overheid als de sociale zekerheid minder inkomsten krijgen. En die minder inkomsten betekenen dat overheid en sociale zekerheid minder kunnen investeren of uitgeven. En daarvan is de gewone man of vrouw, actief of niet actief, dan weer het slachtoffer van wanneer hij of zij een beroep doet op een uitkering of gebruik wil maken van overheidsvoorzieningen (onderwijs, infrastructuur, enz.). Tenzij, ja tenzij de overheid en de sociale zekerheid die verminderde inkomsten gaan compenseren met nieuwe ‘inkomsten’, hogere belastingen of hogere bijdragen. En wie gaat die betalen? Juist, diezelfde werknemer die zogezegd geen last heeft van een netto-indexering of patronale lastenverlaging. Neen, meer dan ooit geldt hier ‘Handen af van de index!’.

Waar blijft het reddingsplan voor de koopkracht?

Uit al het voorgaande mag duidelijk zijn dat verlies aan koopkracht geen perceptie, geen inbeelding, geen hysterie is. Integendeel. Koopkrachtverlies is de harde realiteit en een permanente bedreiging en dat ondanks ons prachtig systeem van de automatische indexaanpassing. De reden hiervoor ligt in het systeem zelf en vooral in de talrijke manipulaties die in de voorbije jaren de toepassing ervan hebben uitgehold. Vooral de lage en middeninkomens van de actieven alsook de meeste uitkeringstrekkers (vooral werklozen en gepensioneerden) zijn hiervan het slachtoffer.

Wanneer er zich dan, zoals in het voorbije jaar, uitzonderlijke prijsstijgingen voordoen, worden zij bijzonder hard getroffen. Zelfs de zogenaamde reële loonstijgingen zijn dan niet meer voldoende om het verlies aan koopkracht goed te maken. Dat geldt zeker voor wie van een uitkering moet leven. Voor hen is de welvaartskoppeling van de sociale uitkeringen aan de lonen cruciaal voor het behoud en een beetje versterking van hun koopkracht. Ook andere maatregelen, zoals een verlaging van de BTW op energie en meer middelen voor het Stookoliefonds, kunnen makkelijk gefinancierd worden door extra heffingen op de uitzonderlijke winsten van de energieproducenten. Wie is bang van hen?

Het is daarom de hoogste tijd dat de overheid, na het reddingsplan voor de banken en de kapitaalbezitters, een reddingsplan uitwerkt voor de koopkracht van Mie en Jan Modaal. Het mag zelfs wat minder kosten, maar het moet wel gebeuren. En we willen alvast een aantal ingrediënten van het plan meegeven.

Behoud van de automatische indexering van lonen en sociale uitkeringen

    * geen indexering van alleen de lage lonen of de nettolonen
    * geen all-inakkoorden

Herstel van de volledige indexering

    * stop de gezondheidsindex
    * geen ‘afgevlakte’ indextoepassing

Voor een volledige welvaartsvastheid van alle sociale uitkeringen

Financiering van dit ‘reddingsplan’ door nieuwe inkomsten

    * Een belasting op alle vermogens boven 1 miljoen euro
    * Extra heffingen op uitzonderlijke winsten (o.a. energie)



Literatuur:

LBC-NVK, Het ABC van lonen en index, december 2006.
ABVV, Ken de index op je duimpje, maart 2006.
FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie, De consumptieprijsindex. Basis 2004.
Voor meer informatie: http://statbel.fgov.be/indicators/cpi/home_nl.asp
Solidair 28 juni 2006.
N. Fasquelle e.a., Welvaartsbinding van de sociale zekerheidsuitkeringen: een overzicht van de recente ontwikkelingen, Working paper 8-08 Federaal Planbureau, maart 2008.