about
Toon menu

Het ACW en de crisis

zaterdag 17 april 2010
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.

BEWEGING 105 - Februari 2009

Redactie

In ons novembernummer deden we een eerste poging om naar aanleiding van de financiële crisis ook de crisis van het kapitalisme te belichten. Vandaag beseffen we dat het einde van die financiële crisis nog lang niet in zicht is en dat we voor een langdurige economische crisis staan. In december van vorig jaar werden al duizenden werknemers getroffen door sluitingen, faillissementen en (vormen van) tijdelijke werkloosheid. Dit jaar kondigt zich nog somberder aan. In 2009 kost de crisis alleen al in ons land minstens 100.000 banen, schreef DM (12/01/09). Wereldwijd is er sprake van 20 miljoen extra werklozen.
Over de omvang van de crisis lijkt iedereen het grotendeels eens. De verschillen duiken op als men voorspellingen maakt: stevenen we af op een recessie of op een regelrechte depressie? Ook over de oorzaken en de aanpak van de crisis bestaat er geen eensgezindheid. Wij denken dat de oorzaken al in ver verleden moeten gezocht worden en niet in het begin van deze eeuw. En over de consensus die in bepaalde middens groeit rond de aanpak van de crisis, zijn wij ook niet te spreken.
Een cruciale vraag voor ons is: welke rol kan/moet de (christelijke) arbeidersbeweging spelen in deze turbulente tijden?

De Washington Consensus

Volgens DS (27-28/12/08) beleven we de ergste crisis sinds de Tweede Wereldoorlog. De titel van het artikel luidt: ‘Groei was gebouwd op kredietdrijfzand’. Daar kunnen we nog mee leven. Maar met de ondertitel ‘De fundamenten voor de crisis werden gelegd in 2001’ zijn we het niet eens.
Het kapitalistisch wereldsysteem heeft voortdurend met regelmatig terugkerende cycli van crisissen af te rekenen. De belangrijkste crisissen in de vorige eeuw waren ongetwijfeld de twee wereldoorlogen. Nadien volgde er een relatief lange periode van rust en stabiliteit waar een einde aan kwam in de jaren zeventig. Reeds op het einde van de jaren zestig waren er tekenen dat een wereldwijde crisis van overproductie op komst was. De kosten rezen de pan uit en de winsten daalden fors. Omdat winstaccumulatie de enige drijfveer is van het kapitalisme, werd er een campagne gestart om de winst terug op te krikken. Daarvoor werden de begrippen ‘liberaliseren, dereguleren, privatiseren’ van stal gehaald. Niet dat die nieuw waren in het economisch wereldsysteem, maar ze waren in de naoorlogse periode (1945-1970) wat op de achtergrond geraakt door de aanpak van socialistische en redelijk sterke sociaal- en christendemocratische regeringen die er een zogeheten Keynesiaanse visie op nahielden. Zonder volledig te willen zijn, bestond de aanpak van die regeringen uit drie bouwstenen. Men opteerde voor een gemengde economie waarin zowel de overheid als de privé sector een rol speelt. Deze optie had te maken met het feit dat de overheden een niet gereguleerde markt niet vertrouwden. Dat betekende ten tweede dat de overheid de markteconomie probeerde te sturen en het kapitalisme onder controle te houden. Met name de invloed van de multinationals werd aan banden gelegd. Ten derde koos elke regering voor de uitbouw van een welvaarts- annex verzorgingsstaat. Dat wil zeggen dat de overheid op een herverdelende wijze tussen beide komt, zorgt voor toegang tot onderwijs, gezondheidszorg en ook aan degenen die het niet op eigen kracht kunnen toch een inkomensgarantie biedt. Via de belastingen en SZ-bijdragen droeg iedereen daartoe zijn steentje bij.
Die bouwstenen werden wereldwijd onderuit gehaald en vervangen door een nieuw beleid. De eerste maatregel was het afbouwen van alle beschermende maatregelen. De bedrijven moesten over een volledige vrijheid kunnen beschikken om hun waren en hun kapitaal over heel de wereld te laten circuleren. Ten tweede moest de overheid afstand nemen van elke tussenkomst in het economische landschap. Overheidsbedrijven of sectoren die zwaar gesubsidieerd werden moesten onverwijld geprivatiseerd worden. Ten derde werd de aanval op het verzorgingsaspect van de welvaartsstaat ingezet. Vooral de ‘te hoge’ sociale uitkeringen kwamen onder vuur te leggen en het feit dat de overheid herverdelend tussenbeide kwam en ‘sociale transfers’ tussen zijn burgers organiseerde werd een groteske vergissing genoemd.
Het is de start van wat we een neoliberaal herstelbeleid zijn gaan noemen. Dat beleid rolde als een pletwals over heel de wereld. Als de groei weer op gang moet komen, als de winsten weer moeten stijgen, is er geen keuze. Om de winststagnatie te omzeilen is er geen andere weg. ‘There is No Alternative’ (TINA). Regering na regering privatiseerde de industrie, opende de grenzen van handels- en financiële transacties en sneed in de welvaartsstaat. Het startschot werd gegeven door de VS (Reagan) en Groot-Brittannië (Thatcher) die hierbij de forse steun kregen van het IMF en de Wereldbank. De Washington Consensus was geboren. (1)

België, Europa, de VS en de financiële markten

Net zoals andere landen werd België getroffen door de oliecrisis van 1973. De wereldeconomie loopt vast, heeft af te rekenen met een lange vertraagde crisis van overproductie (2) en vanaf dan zal TINA overal de sociaaleconomische ontwikkelingen sturen. De crisisplannen en de saneringsoperaties volgen elkaar snel op. België ging al in 1975 over tot de afbouw van de zogeheten ‘nationale sectoren’ (mijnen, staal, textiel, glas). In 1981 zal Martens I (met behulp van J. Houthuys en zijn kompanen in Poupehan) de Belgische frank devalueren, vervolgens drie indexaanpassingen overslaan, de sociale zekerheid en de werkloosheidsuitkeringen afbouwen.
Van dan af neemt de Europese Gemeenschap het roer in handen. De koers werd uitgestippeld in 1983 op een bijeenkomst van de ‘Ronde Tafel van Europese industriëlen’. In 1986 ziet de ‘Eenheidsakte’ het levenslicht. In 1990 komt de eenheidsmarkt tot stand, het Verdrag van Maastricht in 1991 (met de invoering van een eenheidsmunt) en in de jaren negentig de richtlijnen voor de liberalisering van de openbare sector. ‘Het akkoord van Lissabon’ in 2000 definieert de opdracht: Europa moet de meest competitieve kenniseconomie ter wereld worden.
In de VS is Reagan aan zet. Hij bindt de strijd aan met een torenhoge inflatie (het gevolg van de hoge lonen en buitensporige sociale voordelen, althans volgens zijn logica) en bedient de kapitaalbezitters. Die behouden door de lage inflatie (die tegen het einde van de jaren ’80 van 10 tot 2 à 3% was gedaald) een aanzienlijk groter deel van hun vermogen. Maar samen met de stijging van de rente was dit een ramp voor de derde wereld landen.
De belastinghervorming, zeg maar belastingvermindering, die Reagan doorvoerde (en verder werd gezet door Clinton en Bush) zorgde voor een spectaculaire loonsverhoging van de hogere inkomens. Met als gevolg een totaal scheef getrokken inkomensverdeling. Anderzijds floreerde de economie als nooit tevoren en de consumptie werd wereldwijd aangewakkerd. Maar de stijgende consumptie deed ook in de VS de invoer stijgen en zo kreeg de Amerikaanse handelsbalans af te rekenen met een groeiend tekort. Met een sterke dollar was het makkelijk zaken te doen in het buitenland maar die dollar trok ook buitenlandse beleggers aan. Die werden belegd in Amerikaanse banken en staatsobligaties zodat de overconsumptie van de rijken gewoon kon verder doorgaan alsof er niets aan de hand was.
Maar het groeiende tekort op de handelsbalans maakte dat de beurs voor het bedrijfsleven steeds interessanter werd. Wie voor een hoog rendement ging, kon blijkbaar nog alleen terecht in de financiële sector. Die financiële sector boomde als nooit tevoren en de mechanismen die in de VS werden ontwikkeld zouden zich snel verspreiden over heel de industriële wereld. In een eerste fase werd het rendement voor de aandeelhouders vastgelegd op een 15%. Dat was niet alleen beduidend hoger dan tevoren maar ‘het aardige’ van de ingreep was dat het bedrag van dit rendement al vooraf werd ingecalculeerd in de productiekost. Dat was niet meer of niet minder dan een uitnodiging voor bedrijfsleiders om permanent te herstructureren, te snoeien en steeds meer financiële risico’s te nemen. De waarde van een bedrijf wordt nu bepaald door de waarde op de beurs. De koers op de beurs zal het goed doen als er meer winst te verwachten valt. Bedrijven die een hoge beurskoers kunnen voorleggen zijn dan weer begeerd wild voor beleggers. Om het rendement nog op te krikken moest er echter nog meer financiële deregulering komen. Dat gebeurde door de uitbouw van nieuwe financiële producten die al snel ‘een wildgroei’ veroorzaakten van ‘afgeleide producten en financiële waardepapieren’. Banken zijn niet langer meer instellingen waar spaargeld op een rekening wordt gezet maar operen als verstrekkers van leningen aan gespecialiseerde fondsen.

Kredietzeepbel

Ongeveer vanaf het midden van de jaren negentig werd voor steeds meer instanties duidelijk dat de Washington Consensus en de initiatieven van de ‘Ronde Tafel’ voortgezet in de politiek van de EU geen blijvend economisch succes konden garanderen.  De winst begon wereldwijd te stagneren. Er waren tekenen dat de stijgende koersen op de aandelenbeurzen niet op productieve winsten gebaseerd waren maar grotendeels op speculatieve financiële manipulaties. En overal zag men dat de inkomensverdeling zowel wereldwijd als binnen elke land afzonderlijk scheef groeide. De cijfers logen er niet om. Ruw samengevat zou je kunnen zeggen dat er een buitensporige groei van het inkomen was voor de 10% rijksten en vooral voor de 1% rijkste top van de wereldbevolking wat hand in hand ging met een vermindering van het reële inkomen van het grootste deel van de wereldbevolking. (3)
Meer en meer gingen er terug stemmen op die aandrongen op meer regulering en meer overheid. De oude welvaartsstaat leek niet meer zo afschrikwekkend. De arbeidersbeweging speelde hierin zeker een rol maar er was ook de groei van een wereldwijde andersglobalistische beweging die de slogan ‘een andere wereld is mogelijk’ de wereld instuurde. Niet dat alle regeringen overstag gingen maar er tekende zich wel een ‘verzachting’ van de standpunten af. Zo ontpopte zelfs G. Verhofstadt zich bij ons van ‘hardliner’ tot voorstander van een gereguleerde vrije markt. Maar ‘what’s in a name’?
De crisis van de overproductie, met als gevolg een blijvende hoge werkloosheid, kreeg men maar niet onder controle. En als de markt geen perspectief biedt, moet er gezocht worden naar een uitweg want kapitaal moet opbrengen. De evolutie op de beurs en de veranderde rol van de banken die zich geleidelijk had ontwikkeld in de jaren tachtig en over de jaren negentig, kreeg vanaf 2000 een nieuwe injectie. Maar in 2008 spatte de kredietzeepbel uiteen. (4)
Na de gebeurtenissen van 11 september 2001 en om het tij te keren voor de dotcomzeepbel verlaagde de Amerikaanse centrale bank de rente tot 1%. De hypotheekbanken pikten daar graag op in met leningen voor de aankoop van huizen tegen wel bijzonder gunstige voorwaarden. Maar toen daarna de rente werd opgetrokken tot 5,25% konden heel veel eigenaars niet meer betalen en kwamen de banken in de problemen. In 2008 barst dan de bom. De twee grootste Amerikaanse hypotheekbanken Fanny Mae en Freddy Mac worden genationaliseerd. De grote zakenbank Merryll Linch wordt opgekocht door Bank of America. Lehman Brothers gaat failliet. AIG, de grootste verzekeraar ter wereld, wordt genationaliseerd. De Amerikaanse overheid komt met 700 miljard tussenbeide om de dijkbreuk te stoppen. Overal ter wereld leiden banken verliezen en moet de overheid bressen dichten. Een echte lijn is daarin niet te trekken. Ieder land beschermt vooral de eigen meubelen, al is niet elk land voorstander van zelfs maar een tijdelijke nationalisatie. Ook in België bleven de banken niet buiten schot. Dexia, Fortis en KBC stonden zwaar onder druk en de uitkomst van de reddingsoperatie is nog lang niet zeker. Als we kijken naar de haast (en daarom wellicht ook de onzorgvuldigheid) en de omvang van de staatstussenkomst (ondertussen 22 miljard euro), dan is de nood wel erg hoog geweest. Maar die tussenkomst zal moeten betaald worden. De effecten op de staatsschuld en de begroting zijn nauwelijks te overzien. Voor het eerst sinds 1993 neemt de totale staatschuld weer toe en voor dit jaar berekent men de kostprijs van de aangegane leningen om de banken ter hulp te komen op bijna 1 miljard euro.

‘Accident de parcours’?

Er wordt nu volop gediscussieerd over de oorzaak van deze crisis en de aanpak van de economische crisis. Over de oorzaak van de financiële crisis zijn velen het eens. Er was te weinig transparantie, te weinig regulering en onvoldoende controle. Daarnaast gaan er ook stemmen op die het hebben over ‘de kwade inborst’ van de medemens. Sommigen onder ons zijn bezeten van hebzucht en dat moet wel slecht aflopen. Maar als je de hebzucht aan banden legt, brengt een gereguleerd en gecontroleerd financieel systeem veel goede vruchten op. Naar aanleiding van deze kwestie oordelen dat het kapitalisme moet afgeschaft worden, is uit den boze.
Ook wat de economische crisis betreft wijzen vele neuzen in dezelfde richting. Toegegeven, we beleven de ernstigste financiële en economische crisis, misschien wel sinds 1929, maar we slaan ons er wel door. Alleen ziet het er voor 2009 niet zo goed uit. 2009 wordt een dramatisch jaar voor de arbeidsmarkt. Nog meer faillissementen en herstructureringen zijn niet uit te sluiten. De studiedienst van de KBC (DM, 12/01/09) voorspelt een verlies van 100.000 banen. De hoofdeconoom van ING ziet het niet
zo dramatisch. ‘We stevenen af op een recessie, maar geen depressie’ (DM, 15/01/09). KBC en ING gaan ervan uit dat in de tweede helft van dit jaar de economie tekenen van herstel zal geven (als de economie niet in de greep komt van een klimaat van prijsdalingen). En in 2010 zijn we er wellicht weer bovenop (als de Chinese groeivertraging geen roet in het eten gooit). Zo ziet premier H. Van Rompuy dat ook. In 2010 gaat het ongetwijfeld veel beter gaan. Maar omdat we nu even in het rood moeten gaan om de economie aan te zwengelen en de consumptie op peil te houden, zullen we dan de gelegenheid hebben om opnieuw orde op zaken te stellen. Er zal dus een ‘pijnlijke’ besparingsronde volgen. Dat is absoluut noodzakelijk als we het systeem weer vlot willen krijgen. En daar gaan we voor. Er is immers geen alternatief (DM, 14/01/09). We hebben inderdaad geen keuze, zegt ook De Standaard (16/01/09). Afhankelijk van de conjunctuur bijten we even door de zure appel. Ondertussen mogen we niet bij de pakken blijven zitten en moeten we inzetten op innovatie, ontwikkeling, meer flexibiliteit, de vereenvoudiging van de administratie en de broodnodige staatshervorming. En vroeg of laat keert het tij. Moeten we dat allemaal geloven? Bijlange niet.

Einde van een tijdperk?

Om te weten wat er aan de hand is en welke initiatieven we moeten ontwikkelen, moeten we eerst weten waarover we praten. En met te focussen op de vrije markt of op een gereguleerde vrije markt raken we er ook niet uit. De vrije markt (al dan niet gereguleerd, gecontroleerd, sociaal bijgestuurd en dus minder liberaal) blijft het kernelement van het kapitalistisch wereldsysteem. En dat systeem staat ter discussie omdat het uit de aard van zijn doelstelling regelmatig crisissen veroorzaakt en een ongelijkheid teweeg brengt waarover de mensheid zich (wellicht, hopelijk) ooit diep zal schamen.
In het boek van Dirk Barrez ‘Van eiland tot wereld’ (5) dat wij in het vorig nummer bespraken, rekent de auteur eerst af met wat terminologische onduidelijkheid. Laten we ons niet verliezen in een verhullend woordgebruik. Welke werkelijkheid schuilt er achter die begrippen? Juist, het kapitalisme en dat is analytisch het correcte woord. Het neoliberalisme is de concrete historische fase waarin het kapitalisme zich vandaag bevindt. En dat kapitalisme, aldus Barrez, is altijd uit op winst. Het wordt al vijfhonderd jaar opgejaagd door concurrentie, industriële revoluties en een exploderende bevolkingsaangroei. Maar wegens de onverzadigbare en veelal opgedrongen behoeften, stoot het nu op vele grenzen.
Voor Barrez is het duidelijk dat dit systeem niet onveranderlijk of eeuwig is. Dat merken we vandaag al te goed. De schokken die veroorzaakt worden zijn niet gering, de wereld kent een terugval op vele vlakken. Het systeem dat zich vijf eeuwen lang heeft ontwikkeld, kan dus ontrafelen en uiteenvallen. Veranderingen zijn mogelijk, maar niet vanzelfsprekend. Geen enkel wereldrijk heeft er ooit aan gedacht dat de macht zou imploderen, tot vlak voor de nakende ondergang natuurlijk.

De auteur verwijst in zijn boek niet naar I. Wallerstein maar is zeker schatplichtig aan hem. Immanuel Wallerstein is bekend geworden als voorzitter van het Braudel Instituut en maakte naam met zijn theorie dat de kapitalistische wereldeconomie een historisch sociaal systeem is. (6) Structuren kunnen langdurig zijn maar zeker niet eeuwig. Binnen die structuren zijn er cycli die voortdurend op de structuur inwerken en die beïnvloeden. En vroeg of laat, zegt Wallerstein, kan zo’n structuur of systeem de eigen interne tegenstellingen niet meer de baas zodat het systeem barsten vertoont en in zijn voegen kraakt.
Volgens Wallerstein zijn er nu duidelijke trends waarneembaar dat ‘de normale’ werking van het systeem ernstig bedreigd wordt. Hij beschrijft hoe elk historisch systeem drie fasen doorloopt. Er is een ontstaansperiode, meestal het gevolg van het ineenstorten van een ander historisch systeem, dan volgt een relatief lange periode van consolidatie en stabiliteit, tenslotte is er een terminale fase. Die laatste periode verloopt chaotisch en biedt kansen om een nieuwe periode in te luiden. Alleen is in deze fase de chaos zo overweldigend dat niets met zekerheid kan verteld worden over het verloop noch van de uitkomst. Een nieuwe toekomst is mogelijk, maar niet zeker.
Vandaag kunnen we gerust van een systeemcrisis spreken. En die crisis heeft alles te maken met het feit dat het kapitalisme als historisch systeem structureel gekenmerkt wordt door de primaire en centrale noodzaak van de oneindige kapitaalsaccumulatie. Dat betekent dat enkel diegenen die de kapitaalaccumulatie nastreven en er (kunnen) aan meewerken beloond worden terwijl de anderen gestraft worden
Maar hoe verloopt het proces van de kapitaalsaccumulatie en welke tegenstellingen botsen met elkaar?

In De Standaard (03/01/09) wordt Ludo Abicht, een filosoof die van vele markten thuis is, geïnterviewd naar aanleiding van zijn nieuwste boek (Het Lunapark en andere plekken. Autobiografisch materiaal).
Op een gegeven moment vraagt de interviewer ‘U blijft marxist?’ Waarop Abicht antwoordt: “Absoluut. Men kan toch niet anders? De financiële crisis valt niet uit te leggen zonder Marx. Hij heeft halverwege de negentiende eeuw al beschreven hoe speculatief geld een eigen gaat leiden los van de reële economie. Als methode blijft het marxisme gelden. Ze laat zien hoe de economische onderbouw de sociale verhoudingen bepaalt. In Oost-Congo bijvoorbeeld waar de oorlog veel meer om grondstoffen dan om etnische tegenstellingen draait. En als Barak Obama, die absoluut geen marxist is, teruggrijpt op de New Deal van Roosevelt, baseert hij zich op marxistische principes.”
Jo Cottenier (7) laat zien hoe Marx de conjunctuurcyclus beschrijft. Een proces van groei, stilstand, crisis en herstel. Elke crisis gaat gepaard met vernietiging van een stuk van de productieactiviteit (sluitingen, herstructureringen). De prijzen dalen en ook de lonen komen onder druk. Zwakke concurrenten verdwijnen of worden opgeslorpt door de sterkeren. De productiecapaciteit wordt weer aangepast aan de vraag. De winstvoet wordt verhoogd, er komen nieuwe investeringen: een nieuwe cyclus wordt opgestart. De drijvende kracht achter deze cycli is de wet van de maximale winst. De productie is er niet om in te spelen op algemene menselijke noden, ze dient enkel om meer winst op te strijken. Als er al van planning sprake is, is het enkel de concurrent kapot te krijgen, meer winst op te strijken, altijd maar meer kapitaal te accumuleren. Enkel door meer en sneller te investeren kunnen er markten veroverd worden op de concurrenten. Dat kan maar lukken als de productiekosten worden verlaagd (lagere lonen) en er voortdurend gerationaliseerd wordt om meer te kunnen produceren met minder arbeidskrachten. “Dat proces leidt onvermijdelijk tot crisissen van overproductie omdat er een tegenstelling groeit tussen de productiecapaciteit en de koopkracht van de bevolking.” (8) De wetmatigheden van het kapitalisme leiden tot crisissen. Zo veel is duidelijk. Maar de interne tegenstellingen van het systeem lopen nu zo hoog op dat de fase van herstel wel heel lang uitblijft. Vandaag staat dan ook het systeem ter discussie. De crisis die we nu beleven zit ingebakken in het systeem zelf. En als we voor een systeemcrisis staan moeten we ook op zoek naar een systeemoplossing. Voor Cottenier heeft de mensheid nooit eerder zo veel rijkdom geproduceerd maar was er ook nooit zo veel armoede. Nochtans is het de arbeid en alleen de arbeid die rijkdom voortbrengt, niet het kapitaal. Daarom besluit hij: “Eisen dat deze collectief geproduceerde rijkdom zou gebruikt worden voor de verbetering van de levensomstandigheden van alle mensen, is niet meer dan elementaire logica. Dat kan niet in een kapitalistische economie die draait in functie van de belangen van een kleine minderheid en die onvermijdelijk uitloopt op crisis. Daarom moeten alle grote productiemiddelen in handen komen van de collectiviteit.” (9)

En dat brengt ons terug bij Barrez. Hij toont met verve aan dat het neoliberale offensief op een sisser is afgelopen. De verheerlijking van de vrije markt en het dwangmatig karakter ervan (er is geen alternatief TINA) heeft geleid tot een gigantische ongelijkheid, een verlies aan democratie en de uitputting van de aarde. In plaats van welvaart te creëren sleurt het de wereld eerder de dieperik in. Door de proclamatie van de almacht van de vrije markt werd uit het oog verloren dat het vooral de arbeid is die winst en welvaart creëert, dat zonder een actieve overheid de markt niet kan bestaan, dat overheidsbanken -zeker op termijn- meer winst en zekerheid bieden dan privébanken.
We zijn in oorlog, zegt Barrez. Die oorlog speelt zich af op de losgeslagen markten die moordende inkomensongelijkheid meebrengen. “Om die oorlog te winnen eisen we de economie op. Het algemeen belang van de mensheid en de aarde waarop ze woont, verplicht ons om de economie te laten werken voor iedereen en om daarbij de aarde te respecteren.” (10)
Een economie van de mens, vereist economische democratie en daar is het bijzonder slecht mee gesteld. Als de economie van ons allemaal moet zijn dan moet die economische democratie vorm krijgen via inspraak, medebeheer, mede-eigendom, zelfbeheer, coöperatieve samenwerking, gezamenlijke eigendom van productiemiddelen andere democratische organisatievormen. Barrez verwijst dikwijls naar de arbeidersbeweging, de belangrijke rol die ze gespeeld heeft en de uitdaging waar ze nu voor staat. Wat zou dat betekenen voor het ACW?

Werkplaatsen van de toekomst

In de media is het ACW naar aanleiding van de wissels in de regering(en)  regelmatig voor het voetlicht gebracht. Steevast wordt er dan gepraat over de linkse of progressieve vleugel van CD&V. Vanuit zijn ontstaan in de strijd tegen de uitwassen van het kapitalisme heeft het ACW een belangrijke rol te spelen in de verandering van de samenleving. We weten dat het een tijdje geleden is maar in ‘Welzijn in Solidariteit. Fundamentele Doelstellingen ACW-MOC’ (1979) wordt er uitdrukkelijk geopteerd voor de gemeenschappelijke inzet tegen onrechtvaardige structuren om het systeem te wijzigen. De arbeiders moeten het aandeel in de macht veroveren dat hen op alle vlakken van het maatschappelijk leven toekomt. Een economie in dienst van de mens en de samenleving, was het ordewoord en het kapitalisme werd afgewezen omdat het niet in staat is om de kloof tussen rijk en arm te dichten en steeds meer in het voordeel van de rijken speelt. Ook het ACV koos in zijn congres in 1980 uitdrukkelijk ‘Voor een economie in dienst van mens en samenleving’ tegen het kapitalisme. (Zie Opinie van Jozef Mampuys in Knack 14 januari 2009 en overgenomen in dit nummer).
Het ACW heeft onmiskenbaar impact als sociale beweging. Het heeft effectief een aantal van zijn projecten in wetten weten te gieten die de economie onder druk zet om anders te werk te gaan. En de beide arbeidersbewegingen zijn er (ten dele) in geslaagd om via politieke partijen hun politieke project te vertalen en zodoende een tegenwicht voor de bedrijfswereld te vormen. Het spreekt vanzelf dat wij met de wijze waarop het ACW dat de afgelopen decennia heeft gedaan alles behalve tevreden zijn. Maar dat is nu even niet aan de orde. De vraag is hoe het ACW zijn druk efficiënt kan uitoefenen. Hoe kunnen we het meest efficiënt, op korte en op lange termijn, de werknemersbelangen verdedigen? De korte termijn is voor iedere werknemer van uitzonderlijk groot belang. Maar een beweging moet ook denken op de lange termijn. De vraag is of de christelijke arbeidersbeweging die lange termijn niet wat uit het oog verloren is. Hebben we als beweging de impact van het kapitalisme en de hedendaagse sociaaleconomische ontwikkelingen wel goed ingeschat? Hebben we ons niet, bewust of onbewust, neergelegd bij de onvermijdelijke gang van zaken? Heeft het geloof onder ons post gevat dat er eigenlijk geen alternatief is en zijn we daarom hemel en aarde gaan verzetten om de schadelijke uitwassen van het systeem te bestrijden?

In Visie (09/01/09) zegt Jan Renders: “als we de economie volledig aan de vrije markt over laten, dan krijgen we drama’s zoals deze in de banksector.” Maar even tevoren zegt hij “door het risicogedrag van sommige bankiers stuikte de hele economie in elkaar.” Hier klinkt toch weer door dat het om een ‘uitschuiver’ gaat van sommige door hebzucht bezeten individuen en wordt de structurele oorzaak weer onder de mat geveegd. In diezelfde Visie stelt Luc Cortebeeck dat het geloof in de vrije markt klappen kreeg. “Er moet dus meer regulering komen. De overheid moet zorgen voor orde en veiligheid in de economie – omdat zelfregulering daar niet werkt- omdat in de vrije markt mensen uit de boot vallen.” Vallen die daar uit omdat er geen regelgeving is? En wat met degenen die in de (varende) boot zitten? Varen die er allemaal even goed bij? Zijn daar de lasten en de baten eerlijk verdeeld? Nog meer vragen zijn er te stellen bij ‘het grote crisisgesprek’ in De Standaard (27-28/12/08) waar Cortebeeck onder de kop ‘We moeten niet terug naar het staatskapitalisme’ het volgende zegt: “Maar ik denk niet dat het de taak van de overheid is, om bijvoorbeeld, banken te runnen. Dit is goed in de huidige omstandigheden, en voor een bepaalde periode. Maar niet op lange termijn. We moeten niet terug naar het staatskapitalisme van de Sovjet-Unie of het vroegere China.” Nog afgezien van het feit dat hij hier nogal kort door de bocht gaat in verband met de nationalisatie van banken, is vooral zijn uitspraak over het staatskapitalisme opmerkelijk. Voor Cortebeeck is er dus eigenlijk geen ander perspectief dan de vrije markt en wie daar aan morrelt komt als vanzelfsprekend in (nog) gevaarlijker vaarwater, namelijk een of andere communistische variant die in het verleden alle geloofwaardigheid verloren heeft. Maar het is niet omdat de vrije markt (en niet alleen de ongebreidelde vrije markt) bekritiseerd wordt dat die critici dan ook onmiddellijk als cryptocommunisten moeten gedoodverfd worden. De geschiedenis is beweeglijk, veranderlijk en historische processen zijn niet zo maar te kopiëren. Wel is het zo dat we kunnen leren uit het verleden. En dat doen we ook. De ideeën van de Verlichting en de Franse revolutie, de Russische revolutie, ‘de revolutie’ van mei ’68, de val de Berlijnse muur in 1989, de gebeurtenissen van en na 9/11 in de VS, kunnen niet anders dan meespelen in het analyseren van de huidige concrete historische situatie.
Wij hebben alleszins niet de pretentie ‘de ultieme oplossing’ in petto te hebben. We denken wel dat we op een (historisch) keerpunt zijn aanbeland. Maar we zijn ook niet naïef. De voorspelling van het einde van het kapitalisme is al velen zuur opgebroken. Wij doen dus geen voorspelling. Dat het systeem op instorten staat is mogelijk maar we weten niet hoe lang het nog kan standhouden. We beseffen wel dat in het licht van de gigantische tegenstellingen sociale bewegingen iets moeten ondernemen. Het is de hoogste tijd om te handelen. Verandering is mogelijk, maar we weten ook dat het niet gemakkelijk wordt. Er zullen ongetwijfeld krachten opstaan die elke verandering in de kiem willen smoren. Anderen zullen misschien aan verandering werken met de bedoeling uiteindelijk niets te veranderen en dan krijgen we een systeem dat gebaseerd is op dezelfde wetmatigheden van het vorige. En de verandering kan ook de richting van extreme verrechtsing, repressie en (god-behoede-ons-daarvoor) oorlog uitgaan.

De richting die wij denken te moeten inslaan is ook niet rechtlijnig. Er groeit wel een akkoord over de richting die het uit moet maar over concrete stappen bestaat nog lang geen eensgezindheid. Wallerstein was tot voor kort helemaal geen voorstander van nationalisaties. Barrez heeft erg steekhoudende kritiek op de vrije markt maar acht het niet uitgesloten dat privé bedrijven naast openbare bedrijven krachtig kunnen samenwerken. Cottenier zal wellicht geen spaander heel laten van een verdere uitbouw van de privé sector. Om maar te zeggen dat ‘een oplossing’ niet evident zal zijn.
Maar de arbeidersbeweging kan gezien haar missie het debat niet uit de weg gaan. Het wordt dus tijd dat we voorstellen uitwerken voor de lange termijn. In welke fasen willen we daar naar toe? Met wie gaan we dat doen? Hoe pakken we dat organisatorisch aan? Hoe ontwikkelen we meer economische democratie en hoe kan dat ook politiek vertaald worden? En we moeten ons niet verschuilen achter de anderen of achter de politiek. Wij geloven dat de christelijke arbeidersbeweging sterk en creatief genoeg is om hier en nu alternatieve structuren uit te werken die een licht vooruit werpen op wat ooit ‘een goed leven’ kan zijn voor iedereen. De arbeidersbeweging moet een perspectief kunnen bieden op ‘een menselijke samenleving’ maar dan moeten we weer meer greep krijgen op de economie. Daarvoor hebben we werkplaatsen, laboratoria voor de toekomst nodig. Daar willen we met zoveel mogelijk medestanders over brainstormen, discussiëren en plannen smeden. Te hoog gegrepen? Neen, want het is één voor twaalf.
 


Noten

(1) Immanuel Wallerstein, De financiële crisis en de ondergang van de neoliberale globalisering, in VMT, jrg. 42, nr. 4, 2008, p. 10 – 11.
Zie ook:
Francine Mestrum, De rattenvanger van Hameln: de wereldbank, armoede en ontwikkeling, Berchem: EPO, 2005, 222 p.
Het artikel ‘Naomi Klein en het rampenkapitalisme’, opgenomen in dit nummer van Beweging.
(2) Jo Cottenier en Henri Houben, De systeemcrisis, in MS, nr. 84, oktober-december 2008, p. 11-33.
 (3) I. Wallerstein, a.w. p. 10
Zie ook: John Vandaele, De stille dood van het neoliberalisme: de nauwe schoentjes van de mondialisering, Antwerpen: Houtekiet, 2007, 199 p.
Met concrete cijfers toont John Vandaele aan hoe het aandeel van de lonen in de economie voortdurend daalt. De lonen komen onder druk te staan ten voordele van de beloning van het kapitaal. Er rest een steeds kleiner deel van de koek voor wie werkt.
(4) Zie: J. Cottenier en H. Houben, a.w.
(5) D. Barrez, Van eiland tot wereld: appel voor een menselijke samenleving, Berchem: EPO, 2008, 258 p.
(6) Het werk van Wallerstein ‘The modern world-system’ is in het Nederlands verkrijgbaar onder de titel ‘Het moderne wereldsysteem’ (Nieuwkoop, Heureka, 1979-1980) en bevat twee delen. ‘Europese wereldeconomie in de zestiende eeuw’ (470 p.) en ‘Mercantilisme en de consolidatie van de Europese wereldeconomie 1600-1750’ (439 p.)
Een toegankelijk werk is het boek ‘Historisch kapitalisme’, Weesp: Heureka, 1984, 95 p.
(7) Zie: J. Cottenier en H. Houben, a.w.
(8) J. Cottenier en H. Houben, a.w. p. 13
(9) J. Cottenier en H. Houben, a.w. p. 33
(10) D. Barrez, a.w. p. 44