about
Toon menu

Een echt interprofessioneel akkoord is echt nodig!

zaterdag 17 april 2010
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.

BEWEGING 104 - November 2008

Roel Van Beneden

Iedereen is het er ondertussen over eens: de onderhandelingen voor een nieuw interprofessioneel akkoord (IPA) worden de moeilijkste van de voorbije twintig jaar. Dat wil niet zeggen dat al die vorige onderhandelingen een fluitje van een cent waren. Dat zijn ze nooit geweest en dat zullen ze wel ook nooit worden. Tenslotte zijn die IPA-onderhandelingen de opmaat voor de CAO-onderhandelingen in de sectoren over de loon- en arbeidsvoorwaarden. Eenvoudig voorgesteld gaat het hier steeds om zoveel mogelijk vragen vanwege de vakbonden en zo weinig mogelijk (toe)geven vanwege de werkgevers. In de realiteit zijn de IPA- en CAO-onderhandelingen natuurlijk heel wat complexer waarin heel wat ruiloperaties gebeuren en waarin keuzes tegen elkaar moeten worden afgewogen. Om bij de huidige situatie te blijven enkele voorbeelden: moeten de vakbonden meer de klemtoon leggen op koopkracht (looneisen) of op tewerkstelling (jobgarantie)? Moeten de vakbonden op de eerste plaats aandacht hebben voor de ‘minstbedeelden’ onder de werknemers (minimumlonen, interimwerknemers, deeltijdse werknemers) of algemene eisen stellen voor alle werknemers? Hoever mogen de vakbonden gaan om bepaalde eisen door te drukken in ruil voor bv. nog meer flexibiliteit, nog meer ondergraving van de toepassing van de index (veralgemening all-inakkoorden)? Enzovoort. De laatste twintig jaar is bovendien de regering, zij het op de achtergrond, een belangrijke factor geworden bij de IPA-onderhandelingen omdat zij dikwijls voor het nodig ‘smeergeld’ zorgt om tot een akkoord te komen. Met dat ‘smeergeld’ bedoelt men het geld dat de regering ter beschikking stelt om specifieke lastenverlagingen aan de werkgevers toe te kennen. Je zou kunnen zeggen dat de overheid in zekere zin de kosten compenseert voor de werkgevers die voortvloeien uit een akkoord met de vakbonden. Op zijn minst een merkwaardige situatie. En je kan de lijn nog verder doortrekken wanneer je beseft dat het geld voor die lastenverlagingen uiteindelijk belastingsgeld is dat door ieder van ons, en op de eerste plaats door de actieve werknemers, wordt betaald. M.a.w. de werknemers betalen zelf de verbetering van hun loon- en arbeidsvoorwaarden. De wereld op zijn kop.

Dat de huidige IPA-onderhandelingen zich aankondigen als de moeilijkste van de voorbije twintig jaar heeft natuurlijk alles te maken met de financiële en economische crisis die de voorbije twee jaar naar een hoogtepunt is geklommen. In dit klimaat wordt door de werkgevers iedere bijkomende (loon)kost als een verslechtering van de concurrentiepositie gezien en volgens hen daarmee rechtstreeks verantwoordelijk voor afdankingen, faillissementen, sluitingen en dus meer werkloosheid. Voor de werkgevers kan er dus geen sprake zijn van echte loonsverhogingen bovenop de index, met andere woorden: voor hen moet er de volgende twee jaar minstens een loonstop komen. Minstens, want sommige werkgevers pleiten zelfs voor het niet toekennen van één tot twee indexaanpassingen. De werkgevers krijgen voor dit scenario de steun van de regering, van het Planbureau en begin november nu ook van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB). Die CRB maakt om de twee jaar een zogenaamd technisch rapport dat als basis dient voor de IPA-onderhandelingen waarin vakbonden en patroons tot een akkoord moeten komen over een loonnorm. De loonnorm is een cijfer dat als richtsnoer moet dienen voor mogelijke loonsverhogingen in de sectoren. In zijn rapport van 4 november suggereerde de CRB dat die loonnorm voor de volgende twee jaar samen maximum 5,1% zou mogen bedragen. Dat cijfer komt overeen met de verwachte inflatiestijging voor 2009-2010. M.a.w. een loonstijging met 5,1% is in feite helemaal geen stijging maar is maar net genoeg om je koopkracht te behouden. (lees ook het artikel over ‘Crisis en koopkracht’ in dit nummer).

Daartegenover staat het standpunt van de ‘Groep van Doorn’, een overleg tussen de vakbonden uit de Benelux, Frankrijk en Duitsland. Zij vinden dat de lonen ook een stuk van de welvaartsgroei moeten krijgen. Daarom pleiten zij voor loonsverhogingen waarbij de inflatie verhoogt wordt met de stijging van de productiviteit. Voor de komende twee jaar wordt die productiviteitsstijging gerekend op 2,2%. Samen met een inflatie van 5,1% betekent dit een loonsverhoging van 7,3%. Die loonsverhoging is trouwens noodzakelijk om de dalende koopkracht te compenseren. En die versterking van de koopkracht door extra loonsverhogingen is op zijn beurt noodzakelijk om de consumptie te versterken en aldus de productie en tewerkstelling op peil te houden en zelfs te verhogen. Niet de loonsverhogingen, maar veeleer een loonstop zal leiden tot een toename van de werkloosheid. Loonstop leidt feitelijk tot koopkrachtverlies en dus minder consumptie. Minder consumptie vraagt om minder productie en na verloop ook om minder tewerkstelling, dus meer werkloosheid.

Overigens is het wel merkwaardig dat uitgerekend de werknemers nu moeten opdraaien voor de bestrijding van de economische crisis. Het is, na de reddingsplannen voor de banken, de zoveelste illustratie van ons kapitalistisch systeem waarbij de winsten geprivatiseerd en de schulden gesocialiseerd worden. Volgens de balanscentrale van de Nationale Bank maakten enkel de niet-financiële ondernemingen (alle ondernemingen zonder banken en verzekeringen) op zeven jaar tijd (2000-2006) bijna 200 miljard euro nettowinst. In diezelfde periode zijn de nettolonen nauwelijks gestegen. De ondernemingen hebben dus geld genoeg kunnen sparen om de huidige economische crisis te betalen. Maar de factuur wordt in de vorm van een loonstop doorgeschoven naar de werknemers. Alsof die werknemers de schuld zijn voor de totaal uit de hand gelopen grootheidswaanzin van het financieel kapitalisme.

Wij kunnen dan ook alleen maar hopen dat de vakbonden keihard zullen onderhandelen en geen loonnorm aanvaarden die tot een feitelijke koopkrachtvermindering zal leiden. Daarnaast blijft een Interprofessioneel Akkoord van levensbelang voor de zwakste werknemers en voor de sectoren waarin de werknemers zwakker staan. Voor hen zijn afspraken over een verhoging van het minimumloon, grenzen aan de flexibiliteit en algemene maatregelen voor meer werkzekerheid en een betere arbeidskwaliteit cruciaal. Op de eerste plaats voor hen moet er een echt interprofessioneel akkoord worden afgesloten.